In de negentiende eeuw verbouwde Georges-Eugène Haussmann de Franse hoofdstad grondig in opdracht van Napoleon III – onder andere voor militaire doeleinden en om een mooiere stad te creëren. ‘Met weliswaar drastische middelen creëerde Haussmann daadwerkelijk een nieuw, coherent stadsbeeld met fraaie boulevards’, schrijft De Boer.
In hetzelfde essay neemt hij ons mee naar het hedendaagse Parijs, waar burgemeester Anne Hidalgo zich inzet voor een groenere, fijnere stad met minder verkeersopstoppingen en luchtvervuiling. Deze plannen hebben de stad volgens De Boer niet alleen schoner gemaakt, maar bovendien mooier.
Dat duurzame stedenbouw en architectuur steden mooier kunnen maken, bewijst ook de Rode Stad in Kopenhagen, een herbestemmingsproject waarbij de voormalige Nordhavn is getransformeerd tot een nieuw stadsdeel. Journalist Kasper Foged noemt het resultaat ‘een aantrekkelijke stedelijke bestemming met een uitgesproken identiteit waar de hele stad van profiteert.’ Opvallend is dat dit mede te danken is aan de duurzame ingrepen en het vele hergebruik in het transfromatieontwerp van het Deense architectenbureau Briq.
Zo zijn bakstenen en dakpannen lokaal hergebruikt en zijn in het interieur wanden afgewerkt met leempleister en hennepisolatieblokken. Geïntegreerde zonne-energiesystemen leveren elektriciteit aan alle gebouwen. Die zijn stuk voor stuk DGNB-Gold gecertifieerd, de een-na-hoogste certificering van de Duitse Raad voor Duurzaam Bouwen.
PS Dit was de laatste keer dat ik deze column schrijf. Vanaf maart heb ik een nieuwe functie als architectuurhistoricus bij Nationaal Coördinator Groningen. Mijn collega Floortje Keijzer neemt deze nieuwsbrief over. Bedankt alle lezers voor de afgelopen jaren!








