Het gebouw staat op een van de hoogste punten van de heide en is ontworpen als een voortzetting van het terrein. Het dak is begroeid met heide en inheemse plantensoorten op een substraatlaag van circa dertig centimeter. Regenwater wordt via kraankettingen afgevoerd naar opslagtanks en hergebruikt voor dakberegening in de zomer en de toiletten in de winter. De gevelopeningen zijn zo gepositioneerd dat vanaf elke werkplek het landschap zichtbaar is.
De gevels zijn bekleed met populierenbast, aangebracht in korte segmenten die een tactiel oppervlak vormen. De draagconstructie bestaat uit gelamineerde houten kolommen en liggers, aangevuld met CLT-wanden, vloeren en dakdelen. In het interieur zijn wanden, plafonds, vaste meubelonderdelen en kozijnen uitgevoerd in Red Grandis. Ventilatiesleuven zijn direct in het hout gefreesd en blijven zichtbaar als onderdeel van de architectuur.
Tafelberg laat zien hoe een werkomgeving kan voortkomen uit historische typologie, landschappelijke logica en materiaalkeuze. Houtbouw is daarbij geen doel op zich, maar onderdeel van een architectonische benadering waarbij vorm, materiaal en detaillering voortkomen uit de logica van de plek.















