De cijfers van de vele vrouwen die de architectuurpraktijk verlaten in het artikel van Andrea Prins raakten mij. Maar is dit ‘systematische uitsluiting’? Dat klinkt zo officieel. Alsof iemand je de deur wijst en zegt: ‘jij mag niet meedoen.’
Ik las verder en besefte gaandeweg dat ook ik toch echt onderdeel ben van dit probleem. Ik zegde onlangs mijn baan als architect op en richtte mij op een nieuwe uitdaging. Terug bij mijn wortels als ‘maker’ verbouw ik nu eigenhandig mijn huis, terwijl ik met wat gezonde afstand reflecteer op onze branche en hoe ik mijzelf daar in de toekomst in wil positioneren.
En hoewel ik mij nooit buitengesloten heb gevoeld en de keuze om (tijdelijk) uit de traditionele branche te stappen vrijwillig was, zette het artikel mij aan het denken. Want, zoals Prins ook schreef, de werkelijkheid ligt natuurlijk genuanceerder. Dus ik stelde mezelf de vraag: waarom ben ik eigenlijk uit de pipeline gelekt?
Na mijn studie, waar ik mij 5 jaar lang vol overgave en passie in heb gestort en die ik cum laude afrondde, kwam ik in 2019 te werken bij een architectenbureau in Rotterdam. Twee bevlogen en betrokken bazen (mannen, dat wel), mogelijkheden om minder te werken voor wie dat nodig had, een hecht team en een oprechte motivatie om trouw te blijven aan onze idealen: bescheidenheid als radicale overtuiging.
Het idee dat succes niet meeslepend hoeft te zijn maar in kleine dingen zit: in het leven van enkelen net wat beter of waardiger maken.
Desillusie
Toch trad er bij mij na een aantal jaren ook een desillusie op. Want het goede willen doen voor mens en omgeving bleek een dagelijks gevecht tegen de terreur van spreadsheets. Het was strijd waarin je wordt beloond om hard te zijn, om processen tactisch te spelen en relaties naar je hand te zetten, strategisch informatie achter te houden of ‘wisselgeld’ in te bouwen.
Ook was het een wereld waar je niet altijd serieus genomen wordt als jonge vrouw die het wil hebben over zaken als woonkwaliteit, sociale veiligheid en ontmoeting.
Ik begon mezelf af te vragen of ik met mijn idealen misschien niet geschikt zou zijn voor de bouwwereld. Want het voelde vaak als: of je doet mee, of je verliest. En 'naïeve meisjes' al helemaal.
En ik ben niet alleen. Prins zei dit erover: ‘In reactie op open vragen geven vrouwen aan dat ze architectenbureaus verlaten […] omdat het werk door de gerichtheid op efficiëntie niet de maatschappelijke meerwaarde heeft die zij willen bereiken.’ En hoewel mijn eerste reactie herkenning was, riep het ook frustratie op.
De bouwwereld – in de breedste zin van het woord – lijkt soms te zijn vergeten waarom we bouwen”
Efficiëntie. Dit suggereert dat maatschappelijke meerwaarde hier recht tegenover staat. Alsof dat ondoelmatig, oneconomisch, frivool zou zijn. De bouwwereld – in de breedste zin van het woord – lijkt soms te zijn vergeten waarom we bouwen. Hij verschuilt zich achter cijfers en financiële winst op de korte termijn, maar negeert de winsten die op lange termijn behaald kunnen worden op gebied van eenzaamheidsbestrijding, gezondheid, sociale cohesie, veiligheid en duurzaamheid. En noemt het dan efficiënt bouwen.
Verziekte branche
Maar is dit een genderspecifiek probleem? Want daar hadden we het nou juist over. Nee, iedereen is immers gebaat bij het heroveren van ‘zachte architectuur’. Maar ook: ja, want in een diepgewortelde masculiene wereld als de bouw sta je als jonge vrouw wel al 1-0 achter nog voor je begint over maatschappelijke meerwaarde. De ruimte die wij krijgen op dit gebied is daardoor nog beperkter.
Als je daarbij optelt dat veel vrouwen die uit de pipeline lekken juist aangeven die maatschappelijke meerwaarde belangrijk te vinden, dan begint het probleem een duidelijke vorm aan te nemen. Dus, als we ons afvragen: waar blijven die jonge vrouwen? Dan moeten we verder kijken dan naar discriminatie en hiërarchische structuren op architectenbureaus, maar ook naar de bouwwereld als geheel.
Maatschappelijke meerwaarde moet niet langer worden weggezet als ondoelmatig ‘vrouwen-issue’, waar het in werkelijkheid een essentieel en integraal onderdeel is van bouwen”
Het is te makkelijk om de oplossing van de leaky pipeline bij vrouwen te leggen. Dat wij verdwijnen is namelijk niet de kern van het probleem, maar een symptoom van een verziekte branche. En met de twee opties die ons worden aangereikt – je aanpassen aan ‘de realiteit’ of de pipeline uit – nemen we niet langer genoegen.
We zijn klaar met het moeten opereren op een strijdtoneel, waar men drukker is met winnen en het beschermen van eigen gebied, dan met het vinden van duurzame oplossingen. Maatschappelijke meerwaarde moet niet langer worden weggezet als ondoelmatig ‘vrouwen-issue’, waar het in werkelijkheid een essentieel en integraal onderdeel is van bouwen.
Maatschappelijke basiswaarde
Een goed begin is om het niet langer te hebben over ‘meerwaarde’, dat vrijblijvendheid suggereert, maar over maatschappelijke basiswaarde. Het is tijd voor verandering en het is de verantwoordelijkheid van de bouwwereld als geheel om het beter te doen. Waar echt winst te behalen valt, is in hoe we (interdisciplinair) met elkaar samenwerken en hoe we een succesvol gebouw kunnen herdefiniëren. We hebben nieuwe rekenmodellen nodig om ook langetermijnwinst inzichtelijk te maken en kracht bij te zetten. Processen die op slot zitten door wantrouwen, competitie en zogenaamde efficiëntie moeten we openbreken. Te veel potentie blijft nu onbenut.
De meest succesvolle projecten waar ik aan heb gewerkt – in zowel resultaat en proces – kwamen voort uit nauw samenwerkende bouwteams waarin werd geluisterd en gewerkt vanuit vertrouwen en gedeelde ambitie. Een goed gebouw hoeft geen duurder gebouw te zijn. Dus laten we allemaal onze kaarten op tafel gooien en dan echt samen bouwen. Want, als je allemaal geeft, krijgt dan niet iedereen meer?









