De intieme ecologie van de woning

Door Dr. D. de Jonge - In dit artikel wijst dr. D. de longe op de aanwezigheid van een beperkt aantal ecologische processen binnen de woning, resulterend in sociaal-ruimtelijke structuren. De auteur dringt er op aan de verdere ontwikkeling in de woningplattegrond nauwlettend te volgen, niet alleen wat de indeling betreft, maar ook ten aanzien van de manier waarop de bewoners op nieuwe oplossingen reageren. Gelet moet worden op de ruimtelijke voorkeur als zodanig maar ook op behoeften en waarden die daaraan ten grondslag liggen.

Onder ecologie verstaat men de systematische studie van de wisselwerking tussen levende organismen en hun omgeving. Deze benaderingswijze is het eerst ontwikkeld door biologen, die haar op het plantendek en vervolgens ook op dieren toepasten (1). Later zijn sociologen zich met de ecologie van de mens gaan bezighouden. De „human ecology” onderzoekt vooral de ruimtelijke verbreiding van sociale en culturele verschijnselen, alsmede de verklaring van de zich daarbij manifesterende ruimtelijke patronen.

De intieme ecologie van de woning
Traditioneel type eengezinshuis. Woongedeelte op begane grond met entree, zithoek, eethoek, en keuken. Voor- achter-polariteit: zithoek aan voorkant, keuken en eethoek aan achterkant. Doorgeefkasten tussen keuken en eethoek. Op de bovenverdieping het slaapgedeelte met slaapkamers en wasruimte. Uit: Union Internationale des Architectes, Habitation 1945-1955. Type A, blz. 31 (2 – 2.1 – 2.1.5)

Elk sociaal en cultureel systeem speelt op een specifieke wijze in op de ruimtelijke gegevenheden, en brengt daarin eventueel ook veranderingen teweeg die een betere aanpassing bevorderen. Zo heeft Maas (2) aangetoond, dat de relatie tussen wonen en landschap die tot uiting komt in de stichting van buitenplaatsen, zich door de historie heen in ons land vooral heeft gemanifesteerd in de grenszones tussen de hogere, droge en de lage, vochtige gronden. En in plaatsen aan de binnenduinrand, zoals Den Haag en Haarlem, liggen de woonwijken van gezinnen in de hogere inkomensklassen meest aan de duinrand, terwijl de arbeiderswijken vooral aan de polderzijde gelegen zijn. Dit is het gevolg van concurrentieprocessen waarbij de bouwterreinen in de meest aantrekkelijke woonomgeving (nabijheid van bos, duinen en strand) overwegend bestemd werden voor de financieel meest draagkrachtigen.

De intieme ecologie van de woning
Tot buitenhuis verbouwd boerderijtje in Z.W. Drenthe. Bij de entree aan de oostgevel liggen de dienstruimten; het woongedeelte (met porte brisée naar het terras) is op de vrije buitenruimte gericht. De vrije ligging maakt het mogelijk de L-vormige woonkamer naar drie kanten uitzicht te geven.

Tot dusverre zijn ecologische onderzoekmethoden en -technieken vooral op stadsstructuren toegepast, waarbij een groot aantal tendenties is geconstateerd die een belangrijke bijdrage betekenen tot ons inzicht in de relaties tussen de mens (individueel of in groepsverband) en de fysische ruimte. Evenwel zijn ecologische benaderingswijzen nog betrekkelijk weinig gehanteerd bij de studie van de binnen woningen optredende ruimtelijke spreiding van activiteiten en cultuurgoederen (3). Men mag evenwel verwachten dat er juist binnen de woning een nauw verband zal bestaan tussen bepaalde activiteiten en de wijze waarop de ruimte is ingedeeld en ingericht. Ook hier ligt het voor de hand, dat de ruimtelijke verspreiding van de verschijnselen niet willekeurig is en dat zich steeds weer min of meer specifieke patronen zullen aftekenen, die te herleiden zijn tot onderliggende, zich met grote regelmaat herhalende processen.

Meer concreet gaat het bij de interne ecologie van de woning om een antwoord op de vraag, hoe de woningplattegrond er uitziet, hoe activiteiten en objecten over deze plattegrond verdeeld zijn, en hoe de daarbij optredende patronen zijn te verklaren. Ook de tijdsdimensie kan daarbij relevant zijn. Verscheidene menselijke handelingen zijn normaliter aan gezette tijden gebonden (eten en slapen bijv.), en bij differentiatie van ruimten op grond van de activiteiten die er plaats vinden treedt dan tevens een verband op tussen onderdelen van de ruimte en perioden in de tijd.

De intieme ecologie van de woning
Tot buitenhuis verbouwd boerderijtje in Z.W. Drenthe. Bij de entree aan de oostgevel liggen de dienstruimten; het woongedeelte (met porte brisée naar het terras) is op de vrije buitenruimte gericht. De vrije ligging maakt het mogelijk de L-vormige woonkamer naar drie kanten uitzicht te geven.

Duidelijk komt dit naar voren in de uitvoerige studie van Barends en Blok (4) aangaande de bewoning van boeren- en tuinderswoningen in de N.O.-polder. De keuken wordt daar speciaal vóór, tijdens en na de maaltijden gebruikt, de woonkamer in perioden van rust en ontspanning, de toiletruimten het meest na het opstaan. Het levensritme, dat samengaat met de wisseling dag-nacht, komt tot uiting in de verdeling van vele woningen in een woon- en een slaapgedeelte.

Binnen de woning

Men kan de regelmatigheden die optreden in een groot aantal woningplattegronden en de reacties van de bewoners daarop herleiden tot een beperkt aantal ecologische processen, die resulteren in sociaal-ruimtelijke structuren. Op de voorgrond tredende processen van deze aard zijn: differentiatie en separatie, hiërarchie, attractie, repulsie en polariteit.

Differentiatie en separatie: In culturen met een weinig gecompliceerde techniek is de woning qua gebruik en indeling gewoonlijk niet sterk gedifferentieerd. Naarmate de civilisatie voortschrijdt, waarbij ook het materiële en niet-materiële cultuurbezit groeit, treedt een steeds verder gaande differentiatie van de ruimte binnen de woning op. De ontwikkeling van de Westeuropese woning illustreert deze tendentie. Nog in de vroege Middeleeuwen bestonden de meeste huizen, zowel van eenvoudige handwerkslieden als van boeren, uit één ruimte, die zowel voor het bedrijf als voor het wonen diende (5). In de loop der tijden treedt een scheiding op tussen woning en bedrijf, tussen woon- en slaapruimte, tussen woonkamer en keuken. In het bijzonder in kringen van welgestelde stedelingen in de 19e eeuw vindt men een nog verder gaande onderverdeling van de woonkamer en de slaapvertrekken. Duidelijk komt dit tot uiting in het Engelse Victoriaanse herenhuis (zowel het stadshuis als de buitenplaats). Niet alleen heeft ieder lid van de huishouding een eigen kamer, maar er zijn ook: eetkamer, studeerkamer, boudoir, „morning-room” en „withdrawing-room” (d.w.z. het vertrek waarin men zich na het diner terugtrekt).

De intieme ecologie van de woning
B: Omgeving Meppelweg (Den Haag — Morgenstond)
B heeft behalve ruimere kamers ook een zeker ruimte-surplus in de keuken, die ruim genoeg is om in te eten. Deze woning heeft voor gezinnen met kinderen duidelijke nadelen, aangezien de beide slaapkamers door glaspuien met de woonkamer verbonden zijn, en een goede geluidsisolatie tussen woonkamer en kinderslaapkamer niet mogelijk is.

Deze differentiatie betekent dus tegelijkertijd een ruimtelijke separatie, het onderbrengen van afzonderlijke personen en activiteiten in speciaal voor hen bestemde vertrekken. Het ongestoorde gebruik van deze ruimten wordt meestal mogelijk gemaakt door de scheiding tussen verblijfruimten (kamers, keukens) en verkeersruimten (vestibule, gang, hal, overloop) die maakt dat geen enkel vertrek gebruikt behoeft te worden als de enig mogelijke verbinding tussen twee andere vertrekken. Dit sluit niet uit dat men aangrenzende vertrekken in een aantal gevallen ook verbindt door middel van een deur, schuifdeuren of porte brisée.

Hiërarchie: Tussen de onderscheidene ruimten bestaan verschillen in waarde. De belangrijkste kamers zijn het grootst; dit blijkt bv. indien men de kamers van de gezinshoofden vergelijkt met die van hun kinderen. Ook in de inrichting doen zich verschillen voor; aan dit aspect wordt i.h.a. de meeste aandacht geschonken bij de woonkamer(s) waar men gasten ontvangt, en het minst bij de bergruimten die slechts voor het opslaan van gebruiksobjecten dienen.

A: Amstelhof, omgeving Rivierenlaan (Amsterdam-Zuid)
De totale oppervlakte van A is enige vierkante meters kleiner dan van B, maar doordat A twee separaat gelegen slaapkamers heeft, is dit type beter geschikt voor bewoning door een gezin met een of twee kinderen.

Wat betreft de aan het wonen inherente geborgenheid hebben de slaapruimten de hoogste waarde. Dit komt mede tot uiting in de betrekkelijk geïsoleerde ligging ervan. Het streven naar geborgenheid bij het slapen manifesteert zich bovendien in de plaatsing van de bedden in de kamers: als regel ligt men met het hoofd naar de muur, zodat men zich aan de „rugzijde” beschermd voelt. Attractie en repulsie.: Bepaalde activiteiten hangen onderling samen, bv. doordat zij in de tijd direct opeen volgen. Vaak bestaat dan ook de neiging de ruimten waarin zij plaatsvinden dichtbij elkaar te situeren en/of een goede onderlinge verbinding te geven (attractie). Voorbeelden hiervan zijn:

Activiteiten
Opstaan – toilet maken
Binnenkomen – bezoek aan bewoners
Koken  – gebruiken van maaltijden
Ruimten
Slaapkamer – badkamer (vaste wastafel)
Entree – zitkamer
Keuken  – eetkamer of eethoek
Activiteiten
Bezoek ontvangen in avonduren — gaan slapen van jonge kinderen Ontvangen van bezoek — opslag van „rommel”
Ruimten
Woonkamer — kinderslaapkamer(s)
Entree — open bergruimte

Dit lijkt misschien triviaal. Toch zijn er in ons land duizenden flats gebouwd, waarin de woonkamer slechts door een dun, geluid doorlatend glazen wandje van de kinderslaapkamer is gescheiden. Ook zijn er flats, waar men de woning binnenkomt via een gang, die in open verbinding staat met de keuken. Sommige huisvrouwen ervaren dit als „onvrij”; omdat zij vinden dat niet iedere incidentele bezoeker behoeft te zien, of hun keuken netjes dan wel rommelig is. Repulsie bevordert het scheppen van bufferzones, zoals een gang tussen woonkamer en kinderslaapkamers. Zulke zones worden in vele gevallen ook gewenst tussen openbare ruimte en privégebied: de tuin vóór en achter het huis, de vestibule en de gang tussen voordeur en woonkamer. Zo wordt een te abrupte overgang van buiten naar binnen voorkomen, en de privacy bevorderd (vlg. de definitie van privacy die Dorothy Smith geeft: „a right to regulate access to a given territory, and to seclude the territory from the overview of outsiders”).

Polariteit: Deze ontstaat door de gecombineerde werking van attractie en repulsie. Horizontale polariteit treedt op bij de meeste traditioneel ingedeelde eengezinshuizen en boerderijen. Er bestaat dan de neiging de meer „representatieve” ruimten (waarmee de bewoners zich aan de buitenstaanders presenteren) aan de voorzijde van de woning te situeren, en de meer utilitaire bezigheden (koken, drogen van de was) naar de achterkant te verwijzen, die van de openbare ruimte is afgewend.

Bij doorzonkamers, Z-kamers en suites vindt men meestal het zitgedeelte aan de straatzijde, en de eethoek aan de achterkant. Ook in de etagebouw zijn vele bewoners geneigd zich bij het gebruiken van de maaltijden wat meer terug te trekken van grote, in het gezicht van buitenstaanders liggende ramen (afkeer van „bij elkaar op tafel kijken”, „sich in den Topf gucken”). Deze voor — achter — polariteit zet zich bij vele eengezinshuizen tot in de tuinen voort: de achtertuin dient vaak, behalve voor het kweken van bloemen, planten en heesters en recreatief verblijf, voor bezigheden als het doen en drogen van de was, terwijl de voortuin in vele gevallen hoofdzakelijk een decoratief karakter heeft (6)

Bij veel landhuizen o.a. in Engeland, ziet men een ander soort voor — achter — polariteit, waarbij de dienstruimten liggen aan de zijde waar men de woning bereikt en het woongedeelte gericht is op het aan de andere kant liggende eigen terrein. Dit is een manifestatie van een leefwijze die primair op de natuur of het landschap is georiënteerd.

Verticale polariteit: Bij eengezinshuizen en maisonnettes wordt meestal het woongedeelte (entree, woonkamer(s), keuken) op de begane grond, resp. de eerste woonlaag, gesitueerd, het slaapgedeelte op de bovenverdieping. Dit houdt verband met de verschillende mate van accessibiliteit. Hiermee wordt ook de bufferzone tussen woongedeelte en kinderslaapkamers tot stand gebracht

Recente ontwikkelingen

In de recente ontwikkelingen van de Westerse woningplattegrond, zoals die vooral door deskundigen en bepaalde „geavanceerde” bewoners wordt voorgestaan, zijn twee tendenties waarneembaar nl.: — een grotere openheid, die bv. tot uiting kaïn komen in een open verbinding tussen keuken en woonkamer (of althans de eethoek daarin). Dit hangt deels samen met een meer informele leefwijze, deels waarschijnlijk ook met het streven naar meer „ruimtelijkheid”; — een grotere mate van flexibiliteit, bv. door scheiding van draagcostructies en separerende wanden, toepassing van schuifwanden e.d. In hoeverre deze tendenties zich zullen doorzetten en grotere verbreiding zullen vinden valt moeilijk te voorspellen. Zowel openheid als flexibiliteit hebben naast voordelen ook bezwaren, aangezien open verbindingen en lichte scheidingswandjes de visuele en auditieve privacy verminderen. Het is dus nodig de verdere ontwikkeling nauwgezet te volgen, niet alleen wat betreft de indeling van de woningplattegrond, maar ook ten aanzien van de wijze waarop de bewoners op nieuwe oplossingen reageren, zowel bij de eerste confrontatie als op lange termijn. Daarbij verdient niet alleen de ruimtelijke voorkeur als zodanig de aandacht, maar ook en vooral de behoeften en waarden die eraan ten grondslag liggen.

Conclusie

De ecologische studie van de ruimte en het ruimtegebruik binnen de woning maakt het mogelijk een groot aantal afzonderlijke verschijnselen te verklaren als het gevolg van een beperkt aantal fundamentele processen. Daarbij blijkt ook de ligging ten opzichte van de omgeving van belang te zijn; in dit verband valt een verschil te maken tussen het West-Europese stadshuis, waaraan het woongedeelte gewoonlijk naar de openbare ruimte gekeerd is, en een bepaald type landhuis waarvan de woonvertrekken op het landschap zijn gericht. Bij verdere studie zal het vooral van belang zijn, aandacht te schenken aan de behoeften en waarden die aan de ecologische patronen ten grondslag liggen.

LITERATUUR:

1. Vgl. N. 3. M. Nelissen, Ekologie, eco-systeem en milieuproblematiek, Sociologisch Instituut Universiteit Nijmegen 1970.
2. F. M. Maas, Van theekoepel tot caravan, de buitenplaats als bijdrage tot de landschapvorming, Delft 1967.
3. Pionierswerk op dit gebied is gedaan door: Dorothy E. Smith, Household Ecology, Department of Sociology, Institute of Human Development, Berkely Cal. 1965, en H. Priemus, Wonen, kreativiteit en aanpassing. Delft 1968.
4. 3. Barends en L. C. Blok, De bewoning van boerderij- en tuinderswoningen met eetkeuken in de Noordoostpolder, Wageningen 1964.
5. H. Vogts, Das Kölner Wohnhaus bis zur Mitte des 19. 3ahrhunderts, Neuss 1966, p. 3-6.
6. Vgl. N. Haumont, Les pavillonnaires, Paris 1966, p. 64-68.

Projectgegevens