De ontmoeting van de ideeënwereld van de jaren twintig met die van de jaren tachtig. 'Wij zouden tenminste met elkaar moeten praten.' (V.l.n.r.: Van Eesteren, Weber en - staand - Krier)

Colloquium Architectuur en Stedenbouw Hamburg

Door Hilde de Haan en Ids Haagma - De Hamburgse Hogeschool voor beeldende kunst organiseerde begin mei van dit jaar een uniek tweedaags colloquium. Op de eerste dag kwamen de functionalisten van het eerste uur achter het spreekgestoelte, de tweede dag was gewijd aan eigentijdse vertegenwoordigers van architectuur en stedenbouw. Hilde de Haan en Ids Haagsma keken met spanning toe hoe onder meer Cornelis van Eesteren (83) ging reageren op het betoog van Rob Krier (42).

Het is mei 2031. De 92-jarige Luxemburgse architect Rob Krier spreekt op een colloquium te Hamburg over het onderwerp De Nieuwe Schoonheid. Krier verontschuldigt zich dat zijn verhaal van nu niet meer de vonk heeft van zijn oproep uit 1981. ‘Luister daar maar naar’, zegt hij tot zijn publiek dat voornamelijk bestaat uit studenten en geïnteresseerde jongere collega’s die de krasse, oude baas nog eens in levende lijve willen aanschouwen. De Hamburgse Hochschule für bildende Künste heeft dit colloquium georganiseerd omdat de studenten in toenemende mate vroegen naar de oorsprong van het Schone Bouwen dat de afgelopen veertig jaar de wereld in hun ogen teisterde. De progressieve studenten die zich allen inspannen voor meer humane en sociale woningbouw willen nu wel eens precies weten waar hun kritiek zich op richt. De Hochschule heeft een aantal mensen van het eerste uur uitgenodigd te komen discussiëren. Helaas, de oude Eisenman moest op het laatste moment verstek laten gaan, maar gelukkig kan Koolhaas via een uit Moskou overgevlogen videocassette zijn bijdrage aan de bijeenkomst leveren.

Krier leest met een herleving van zijn oude elan zijn brief uit mei 1981 voor:
‘Oproep voor een boycot van de lelijkheid!
Onze wereld is als nooit te voren overwoekerd met allerlei scholen, universiteiten en vormingsinstituten en onze kennis over de aard der dingen lijkt daarmee gigantisch te zijn toegenomen, maar de kennis van de Schoonheid is evenredig daaraan geslonken. Zij kan in deze consumptiemaatschappij geen wortel schieten omdat de stilte die haar voedingsbodem is, verstikt in de roes der oppervlakkigheid.
Zij is echter het enige doel dat mij aantrekt in dit beroep. De matheid van de vakbeoefening als je alleen maar de zakelijke verplichtingen nakomt, en de bittere nasmaak van al het winststreven zonder ethische en zinnelijke achtergrond, wil ik mezelf besparen.
De sluier van lelijkheid die deze wereld omsnoert, zal onze kinderen de adem afsnijden. In het kielzog van de onafzienbare catastrofes die deze eeuw zichzelf moedwillig heeft aangedaan en die op nog ondoorgrondelijke wijze voortgang vinden, klinkt mijn oproep tot een boycot als een verstikte snik’.

De zaal hoort Krier beleefd aan, maar in de discussie die enkele uren later zal plaatsvinden wordt de oude man door de jongere generatie vrij stevig aangevallen: ‘Jullie hebben met jullie Schoonheid de huren onbetaalbaar gemaakt’.

Brief van Rob Krier aan organisator Jos Weber: Aufruf zum Boykott gegen die Hasslichkeit!

De werkelijkheid

In werkelijkheid is het geen mei 2031, maar 8 mei 1981. Wel dezelfde omgeving: de aula van de Hochschule für bildende Künste in Hamburg. De steen des aanstoots van de studenten is niet de Nieuwe Schoonheid, maar de vermeende onleefbaarheid van de naoorlogse nieuwbouwwijken en de verloedering van de grote steden door massale, onmenselijke kantoren. Het weekblad Der Spiegel, dat in de aula circuleert, verwoordt in zijn editie van 4 mei het welhaast algemeen gevoelen: de architecten en stedenbouwers hebben gefaald. Ze hebben de wereld opgescheept met lelijkheid en, luidt de kop, ‘Der Mensch ist Nebensache’.

Eén van de idolen van de jonge generatie, de 42-jarige Rob Krier, zit voorin de zaal. Op het podium de 83-jarige Amsterdamse stedenbouwer Cornelis van Eesteren. Professor Jos Weber heeft op verzoek van zijn Hamburgse studenten dit colloquium georganiseerd, voornamelijk omdat er zoveel misverstanden bestaan over de werkelijke betekenis van ‘het functionalisme’ dat de schuld van de verloedering in de schoenen geschoven heeft gekregen.

Van Eesteren is één van de vele vertegenwoordigers van de oude garde die op de eerste dag van dit tweedaagse colloquium de kans krijgt zijn oorspronkelijke ideeën toe te lichten. Hij verduidelijkt met behulp van lichtbeelden zijn opvattingen over stedenbouw al verwijst hij voor een beter begrip naar een publicatie van hemzelf uit 1933. Van Eesteren: ‘Denk niet dat wij destijds zo stom waren dat een stad alleen functioneel moest zijn. Een stad is veel meer. Wij, binnen de CIAM, stelden dat we de stad vanuit verschillende gezichtshoeken moesten analyseren. Als men mij de vraag stelt: heeft u systematisch gewerkt, dan zeg ik: ‘een interessante vraag’. Als ik achteraf terugkijk zeg ik ‘ja’, maar we werkten toen zeker niet volgens één speciaal schema. We gingen met z’n allen rond een tafel zitten, vertelden al onze verschillende ervaringen met een stad aan elkaar, en gingen analyseren. Pas daarna probeerden we te komen tot een synthese. CIAM heeft dat laatste nooit bereikt, maar wij hebben wel bij de Dienst Stadsontwikkeling van Amsterdam op basis van het Charte d’Athène door kunnen gaan. We hebben daar een ontwikkeling doorgemaakt die zich uitstrekt van Amsterdam- West (Bos en Lommer) tot de Bijlmer’.

Stedenbouwkundig plan van Amsterdam-Buitenveldert. Van Eesteren: ‘Vijf motieven in telkens andere variatie, als in de muziek. Herhaling zonder verveling!‘De lichtbeelden tonen die ontwikkeling en geven ook aan hoe Van Eesteren de verveling in de nieuwbouwwijken heeft willen tegengaan. In Buitenveldert zijn 7 bouwblokken alle met verschillende patronen strokenbouw ingevuld: ‘Vijf motieven in telkens andere variatie, als in de muziek. Dan kan men herhaling hebben zonder dat verveling optreedt. De Bijlmer laat zien hoe ideaal het daar wonen is – vrij temidden van veel groen en zonder auto’s’. Later in de discussie valt iemand uit de zaal Van Eesteren frontaal aan. ‘Jullie zijn met jullie analytische werkwijze de straat vergeten. De mensen kunnen zich nergens meer identificeren’.

Van Eesteren en Krier

De volgende ochtend aan de ontbijttafel in het hotel moppert Van Eesteren: ‘Hoe kunnen ze dat nou toch zeggen? Waar halen ze toch die verheerlijking van de straat vandaan? Onze strijd was vroeger eerst gericht tegen de verveling, later tegen de auto. Die jonge generatie ziet de  auto niet meer als een gevaar. Ze vergeten dan even dat in de Bijlmer nog nooit een kind is doodgereden, en van de Van Baerlestraat kun je dat niet zeggen.

‘Hier in Duitsland werkt de opzet van de nieuwbouwwijken niet. Overal zie je auto’s geparkeerd staan en de parkeergarages staan leeg. Dat komt omdat ze de auto de gelegenheid geven op straten en stoepen te parkeren. In de Bijlmer hebben we dat psychologisch en praktisch onmogelijk gemaakt. Er zijn geen stoepen, – je kunt niet anders dan in de garage terecht. Die eerste garages waren helaas lelijke betonnen opslagplaatsen, maar de nieuwe zien er al heel wat aantrekkelijker uit; ze worden gelukkig gezien als een cultuurgoed’.

Aan de ontbijttafel zitten ook sprekers van de tweede dag: de jonge generatie die zich gaat uitspreken over ‘Stadtebau und Architektur heute’. zij zetten zich af tegen wat zij zien als de gevolgen van Van Eesterens filosofie. Hun visies prikkelen de nieuwsgierigheid van Van Eesteren en er ontstaat een levendige discussie. Als de tweede colloquium-dag is geopend met een betoog van Rob Krier voor een herwaardering van de oude steden en een pleidooi voor het bouwen van Nieuwe Schoonheid, vraagt Van Eesteren het woord. De zaal kijkt gespannen toe. Zal de oude CIAM-voorzitter genadeloos de banvloek uitspreken over de jonge Krier? Zal hij zijn afgrijzen van de decadente stedenbouwkundige en architectonische opvattingen van Krier met enkele onweerlegbare argumenten duidelijk maken?

De Hochschulefür bildende Künste (1909/13) te Hamburg waar begin mei van dit jaar het tweedaags colloquium werd gehouden. De school is een ontwerp van Fritz Schumacher (1869-1947) die van 1909 tot 1933 stadsarchitect van Hamburg was. In die functie hield hij zich ook bezig met de nieuwe stedenbouwkundige uitbreidingen van Hamburg waarover hij destijds veel contact had met Van Eesteren. De school werd in de laatste oorlog zwaar beschadigd. Door Gustav Hassenpf lug werd in de jaren vijftig het pand opgeknapt en voorzien van enige nieuwbouw.

Niets van dat al. Aanvankelijk wat nerveus, maar later met een toenemende overtuigingskracht geeft Van Eesteren toe dat Krier net zo bevlogen is als hijzelf in de jaren twintig: ‘Wij waren gegrepen dooreen idee, net als Krier. Wij beleefden heel sterk de noodzaak om de consequenties van het moderne leven gestalte te geven, maar wij wisten toen nog niet welke uitwerking onze ideeën later zouden krijgen. Immers, in het dagelijkse leven domineren niet de voortrekkers.

Op dit moment bestaat er een gebrek aan geloof in onze cultuur. Dit wordt’vertegenwoordigd door wat men hier de Bürgerinitiative noemt en wij de actiegroepen. Dat gebrek aan geloof is de grond voor Krier’s bevlogenheid. Nü gaat het erom hoe men de huidige situatie aanpakt. We zullen een concept voor onze cultuur moeten vinden. Het gaat er om dat we de krachten leren beheersen die  rond 1850 zijn ontstaan; want die ontwikkeling die toen is ingezet is niet meer te stuiten. Wij hadden een concept, maar naar nu blijkt heeft Krier er ook een. Wij zouden ten minste met elkaar moeten praten’.

De ontmoeting van de ideeënwereld van de jaren twintig met die van de jaren tachtig beschreven. Krier en Van Eesteren hebben althans een kort moment gebroederlijk naast elkaar gezeten. Maar niet altijd troffen de beide denkwerelden elkaar zo goed.

De organisatie

Dat die ontmoeting plaats kon vinden, is voor een groot deel te danken aan de activiteiten van Jos Weber, hoogleraar architectuur en stedenbouw aan de Hochschule für bildende Künste en tevens hoogleraar ontwerpmethodieken te Delft.
Al meer dan twee jaar organiseerde hij in Hamburg – buiten het studieprogramma om – op donderdag een discussieavond met gastspreker. Er moest wel met een krap budget worden gewerkt, maar toch slaagde hij er in om eens per maand een min of meer gerenommeerd spreker uit het buitenland te laten optreden. Dat kon niet voorkomen dat de avonden op den duur niet helemaal meer voldeden.  Langzaam groeide een nieuw idee: liever één keer een geweldige happening waar nog weken over kon worden gepraat.

Studenten opperden in die tijd het idee een spreker uit te nodigen die het functionalisme kon belichten. Weber voegde toen een aantal mogelijkheden bij elkaar en besloot af te zien van sprekers die op hun manier het functionalisme interpreteerden. Dankzij financiële medewerking van een collega-hoogleraar uit de Hamburgse voorstad Harburg, Christian Farenholtz, kon een gedegen colloquium worden georganiseerd met als sprekers de functionalisten van het eerste uur en daarnaast – apart – vertegenwoordigers van de huidige generatie.

Weber: ‘Ik heb èn Van Eesteren uitgenodigd èn Krier. Niet om ze tegen elkaar uit te spelen, maar om beide kanten te laten zien van de zaak. Men moet deze allebei kennen en bewustzijn om enige duidelijkheid te krijgen wat men zelf wil gaan doen. Als je die duidelijkheid mist, word je eenzijdig’. En hij voegt er aan toe: ‘Bewust heb ik geen volledigheid nagestreefd. Wel diversiteit’.

City Ranch’ huizen naar een ontwerp van R. Spille en Jos Weber. Oorspronkelijk ontworpen voor een Hamburgse bouwlocatie waarbij telkens drie huizen rond een hof zijn gesitueerd. In 1978 werden deze huizen in Hamburg gebouwd voor een prijs van DM 160.000 per stuk. Een jaar later werden dergelijke woningen aangepast aan de Nederlandse voorschriften waarbij de woonoppervlakte en de indeling zo goed als gehandhaafd konden worden. Inmiddels zijn dergelijke huizen ook in het Nederlandse Rijssen gebouwd; kosten per woning ongeveer 85.000 gulden (DM 75.000).
Volgens de ontwerpers is dit verschil onder meer te verklaren doordat in Duitsland de grondprijs op een andere manier berekend wordt dan in Nederland (waardoor vrijstaande huizen bevoordeeld worden boven rijtjeshuizen); efficiëntere bouwmethoden in Nederland (meer gebruik van seriebouw); beter overleg in Nederland tussen de ontwerper en de uitvoerder en minder stringente eisen w at betreft de basisinrichting van het huis. Spille en Weber: ‘Of men later voorzieningen tegen de geluidsoverlast van de stereo-installatie op de kinderkamer wil treffen… dat wordt in Nederland aan de bewoner zelf overgelaten. Hij mag naar eigen inzicht zijn huis verfraaien, maar de aanschafprijs van een rijtjeshuis is voor iedereen op te brengen.’

Zijn opzet vulde op die eerste zomerdagen 8 en 9 mei 1981 een hele aula vol met ruim 500 mensen. Al bleek op de eerste dag meteen hoe moeilijk het is de mensen van het eerste uur nog te laten optreden. Lotte Stam-Beese moest op het laatste moment verstek laten gaan wegens ziekte, Ferdinand Kramer moest zich door zijn vrouw laten vertegenwoordigen omdat hij ziek op zijn hotelkamer lag en Margarete Schütte-Lihotzky kon alleen elektronisch aanwezig zijn door middel van een video-opname bij haar thuis gemaakt.

De grote belangstelling voor deze twee dagen is niet geheel onverwacht. Was de architectuur-discussie nog geen vijf jaar geleden op sterven na dood, sinds kort bloeit zij als welhaast nooit tevoren. Maar de hedendaagse situatie is complex. Niemand weet precies waar het met de maatschappij naar toe moet, laat staan met de architectuur en stedenbouw. Alles is mogelijk; alles lijkt de moeite waard en over alles wordt gepraat. De discussie is zo open dat zelfs standpunten die vijftig jaar geleden werden geformuleerd, volwaardig kunnen worden beluisterd. Al moet natuurlijk wel in acht worden genomen wat Hubert Hoffmann (77) zegt: ‘Alles wat ik over vroeger vertel kan nooit meer zijn dan de weemoed van onze jeugd.

Iedere legende is slechts een deel van de waarheid’. In Duitsland openbaart de discussie zich overigens iets anders dan in Nederland. Daar worden de ‘post-modernen’ veelal gezien als reactie op de naoorlogse ‘modernisten’ – de epigonen van de functionalisten uit de jaren twintig – terwijl daarnaast een gelijkwaardige tegenreactie op die modernisten wordt geleid door de Bürgerinitiative, de actiegroepen. In Nederland is men veel eerder geneigd de hang naar de ‘post-modernen’ te zien als reactie op de al wat langer bestaande ’terreur van de inspraakbeweging’.

De standpunten in de aula van de Hochschule werden daarom geformuleerd binnen de driehoek ‘functionalisten’ – inspraak – ‘post-modernen’. Van deze drie termen is eigenlijk de inspraak nog het meest duidelijk te formuleren; over de termen functionalisten en post-modernen bestaat nog altijd geen eensluidendheid. Weber: ‘We hebben de eerste dag van het congres in het teken gezet van de functionalisten, maar beter hadden we kunnen zeggen: het bouwen uit de jaren twintig en dertig dat zulk een invloed heeft gehad op het naoorlogse gebeuren’.

Functionalisten vs. postmodernen

Zo kwam de ontmoeting van de ideeënwereld van de jaren twintig met die van de jaren tachtig tot stand. Doorgaans een vriendelijke ontmoeting, wat niet weg nam dat er af en toe wat waarschuwingsschoten voor de boeg werden afgevuurd. Uiteraard lag het schootsveld het meest tussen de oude en de jonge generatie.

Zo noemde Alfred Roth (77) de postmodernen ‘het symptoom van een verworden maatschappij’: ‘Met lede ogen zie ik hun sensatiezucht, hun egocentrisme, hun woordrijke maar loze theorieën aan. Zij hebben het begrip functionalisme eenvoudigweg geheel verkeerd begrepen. Tegenover hun sensatiezuchtige, egocentrische gebouwen wil ik anonieme, hooggekwalificeerde gebouwen stellen als tegenwicht. De huidige generatie zou zich de uitspraak van Mies van der Rohe ter harte moeten nemen: ‘Ich will nicht interessant sein, ich will nur gut sein’.’

Alfred Roth: …Met lede ogen zie ik de sensatiezucht, het egocentrisme, de woordrijke, maar loze theorieën van de postmodernen aan…

De Oostduitser Hermann Henselmann (75) kon weliswaar zelf niet naar Hamburg komen, maar hij liet zijn betoog voorlezen door Jos Weber en ook hij had het over de postmodernen: ‘Moderne architectuur lijkt op het werk van een couturier. Ze is meer bedoeld voor de bourgeois dan voor de citoyen. Toch denk ik de strijd van de postmodernen serieus te moeten nemen en zolang de economie hun escapades kan betalen kan ik hen tolereren. Hun spel met clichés, hun parodieën, hun ironie en hun stijlimitaties zijn natuurlijk een onverstandige tendens. Maar architectuur bestaat nu eenmaal uit de dialectiek van verstandigen en onverstandigen. De postmodernen zijn dan ook positief te waarderen vanwege hun bijdrage aan die dialectiek, maar ook vanwege hun stimulerende werking op de creativiteit. En zelfs hun stijlcitaten vind ik geoorloofd, als ze maar niet de blaaskaakarchitectuur van het fascisme of de lege decoraties van vroeger omhelzen’. Als we Rob Krier gemakshalve als representant van de postmodernen beschouwen, kwam van hem de repliek. En nu moesten de ouderen het ontgelden. Want al gaf Krier toe bij bepaalde projecten het maatsysteem van Le Corbusier te hebben overgenomen, toch had deze ondanks zijn genialiteit één grote fout gemaakt: ‘Le Corbusier heeft het wonen geschematiseerd en tot een woonmachine gemaakt. Het huis is vervreemd’. Ook de andere functionalisten kregen er bij hem van langs: ‘Vroeger werden er stedelijke ruimten gemaakt, maar de modernen maakten Testruimten. Een groenstrook tussen flats is niets voor mensen en alleen goed voor honden’. Maar meteen daarop zei hij vergoelijkend: ‘De goede architecten wisten dat, ik spreek nu slechts over de imitatoren’.  En zo groeide zijn pleidooi tegen de lelijkheid, vóór de schoonheid waarbij hij de Franse schrijver Antoine de Saint-Exupéry als bondgenoot citeerde: ‘Iets is nuttig, alleen al omdat het mooi is’.

Inspraak

De overgang naar het derde onderdeel van de discussiedriehoek wordt het beste aangegeven met een citaat van de Frankfortse stedenbouwkundige Luise King (41): ‘Krier zegt dat het leerboek van de stedenbouwkundige de stad is. Ik zou daar graag aan toevoegen: ook de stadsbewoner’.

Zo simpel als ze het stelde is het in werkelijkheid niet. Luise King klonk in haar betoog zelfs vertwijfeld. Volgens haar hebben de specialisten op dit moment gefaald: ‘In de jaren twintig stelden vaklieden zich in dienst van de sociale beweging. Maar met het toenemen van de specialisaties groeit bij de bevolking het irrationele wantrouwen tegen de specialist. In een tijd zonder consensus, zoals nu, zijn het altijd de burgers die de initiatieven tot verbetering nemen; niet hun vertegenwoordigers of de specialisten. In die zin zijn de huidige verschijnselen als krakers en actiegroepen een duidelijk signaal dat de specialisten de problemen waar het werkelijk om gaat, tot op heden niet naar wens hebben opgelost.’

Helga Fassbinder (39) zag, met haar Nederlandse ervaringen, de situatie minder somber in dan Luise King. ‘De vormen van samenwerking tussen bewoners en architecten/ stedenbouwers worden steeds concreter’. Volgens haar krijgt de architect een geheel andere rol te vervullen: hij moet de bewoners leren hun eigen opvattingen duidelijk te maken. ‘Dat sluit aan bij de ethiek van de jaren twintig, zij het dat er nu een collectief proces is. De architect is nu zelf onderdeel geworden van een gebeuren waarvan hij zich vroeger de plaatsvervanger dacht’.

Rob Krier verdiept in Hoogenberks boek ‘Het idee van de Hollandse stad.’

Sombere en wat meer positieve geluiden over de inspraak, waarbij de laatste vooral van de Nederlandse vertegenwoordigers aan het colloquium kwamen. Thijs de Jong (37) ging min of meer zover dat hij zelfs alle ideeën van de architectengeneratie uit de jaren vijftig naar de prullenmand verwees. Als panacee voor alle stedenbouwkundige problemen zag hij een terugkeer naar de binnenstad, mits men maar met de bewoners samenwerkte en zorgde voor ‘goede ingangen en ruime binnenhoven’. Niet geheel vrij van demagogie illustreerde hij zijn visie met dia’s van een regenachtige hoogbouwwijk met een verloren kind op een driewieler in de sombere schaduw naast het zeldzame beeld van een straatfeest op een stralend zomerse dag in de binnenstad. De Jong: ‘Mijn enige bezetenheid is dat ik bezeten architecten en stedenbouwers zo weinig mogelijk ruimte wil geven. Een stedenbouwer moet op zijn fiets stappen en met mensen gaan praten en goed om zich heen kijken wat hij allemaal ziet’. Het middelpunt van de driehoek werd min of meer gevormd door organisator Jos Weber. Hij sloeg een voorzichtige brug tussen inspraak en functionalisme en ging nog het meest in tegen Krier c.s. ‘Het geheel (van de nieuwe schoonheidszoekers) wordt aangeboden onder de dekmantel van ‘historische continuïteit versus moderniteit en technologie’, ‘mooi en opwindend versus saai en lelijk’. Daarbij wordt met opgetrokken neus voorbij gegaan aan andere behoeften van de betrokkenen zoals betaalbaarheid, goed voor de kinderen en mogelijkheden voor zelfverwezenlijking. Voor gewone burgers ontstaan dan gemakkelijk groteske en stuitende situaties.

‘Hebben we dan niets geleerd uit het in elkaar vallen van de democratische doeleinden van de jaren twintig en dertig? Hebben we niets geleerd van de verwatering van het elan van studenten en politici eind jaren zestig, begin jaren zeventig? Wie vragen er eigenlijk om de dure Neo-, Post- en Pest-ontwerpen? De architectuurtijdschriften? De architectuurmusea? De weinige hele rijken? Of zou het niet beter zijn te ontwerpen voor iedereen, arm en rijk, en vooral voor onze kinderen?’ ‘Het gaat er nu om, aan te tonen dat we iets kunnen bouwen dat mooi èn betaalbaar is.’ Het is duidelijk. Een colloquium anno 2031 zou wel eens een heel aardige diversiteit kunnen opleveren van ouderen die hun standpunten van destijds nader toelichten. Al is het niet onwaarschijnlijk dat de sprekers van dan ook tot het Corbusiaanse motto komen dat Alfred Kramer (83) door middel van zijn vrouw het Hamburgse gehoor voor hield: ‘Het is altijd het leven dat gelijk heeft, de architect krijgt altijd ongelijk’.

Projectgegevens