blog

Blog – Van wie is Kopenhagen? Een observatie in episoden

Stedenbouw

Blog – Van wie is Kopenhagen? Een observatie in episoden

Door Johanna van der Werff – Van wie is Kopenhagen? Deze vraag popte regelmatig bij mij op tijdens mijn laatste bezoek aan deze stad. Kopenhagen scoort steeds hoger op de ranglijsten van meest leefbare steden. Van ‘grote-stadsellende’ lijkt de stad geen last te hebben. Wie of wat bepaalt de ontwikkeling van Kopenhagen? Wie maakt deze stad? Wat kunnen we van Kopenhagen leren?

Een vergelijking tussen twee steden is discutabel, maar toch, wie Amsterdam en Kopenhagen naast elkaar plaatst, ervaart grote verschillen. Amsterdam lijkt inmiddels over te koken en de Amsterdammer klaagt hoorbaar en beweegt zich geërgerd over straat. Vanwege het gebrek aan betaalbare woningen, de congestie, de overlast van onbeheersbare stromen toeristen met hun rolkoffers en vanwege het oprukken van de op toeristen gerichte winkelketens, die kannibaliseren op de ‘echte’ winkels. Gezinnen vluchten de stad uit. Lees hierover het alarmerende boek ‘Van wie is de stad’ van Floor Milikovski. Het contrast van Amsterdam met Kopenhagen is groot: van grotestadshectiek is hier zelden of geen sprake. Het straatleven is divers en geanimeerd. En bewoners lijken elkaar en bezoekers van de stad open tegemoet te treden. De Kopenhagenaar oogt bescheiden en lijkt trots te zijn op haar of zijn stad. Waarom lijkt Kopenhagen het zoveel beter te doen?

Kopenhagen versus Amsterdam

Er zijn goede redenen om zo’n voorzichtige vergelijking tussen beide steden te maken. Aard en schaal zijn in zekere zin vergelijkbaar. Amsterdam, in oppervlakte plusminus drie keer zo groot als Kopenhagen, herbergt 860.00 inwoners; Kopenhagen telt rond de 650.000 inwoners. Net als Amsterdam krijgt Kopenhagen iedere maand te maken met circa 1000 nieuwe inwoners. Maar waar Amsterdam in zijn voegen kraakt en Amsterdammers vinden dat de grenzen zijn bereikt, lijkt de maandelijkse opname van de nieuwe lichting Kopenhagenaren voor deze stad nauwelijks problemen op te leveren. Waarom ervaren we Amsterdam als druk en benauwend, terwijl Kopenhagen volop ruimte en rust uitstraalt? Hoe krijgt Kopenhagen het voor elkaar om zo ‘genereus’ te zijn? En waarom is er in Amsterdam zoveel onvrede over ‘van wie de stad is’, terwijl deze vraag in Kopenhagen nauwelijks gesteld lijkt te worden?

De Sont lokt uit tot ‘thrill seeken’. Beeld Johanna van der Werff

Water en groene vingers

Typisch en karakteristiek voor Kopenhagen is naast de prominente aanwezigheid van water, het alom aanwezige groen in de stad. In zekere zin is dit vergelijkbaar met Amsterdam, zij het dat de vorm verschilt. Waar het groen in Kopenhagen zich tot ver in de stad uitstrekt volgens het zogenoemde ‘Vingerplan’, kent Amsterdam zijn pendant in Cornelis van Eesterens ruime groenstructuren van het Vondelpark en die in de grote stadsuitbreidingen, zoals het Oosterpark en het Sarphatipark, gezamenlijk de groene longen van de stad. Ook zijn Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van de jaren dertig voorzag in groene scheggen die door de huidige bouwurgentie overigens zwaar onder druk staan.

Het reserveren van groen in de stad is terug te voeren op de negentiende eeuw. In een steeds verder industrialiserende samenleving werden groene structuren in de stad een tegenhanger die de bevolking letterlijk van zuurstof en open ruimte voorzagen in de dicht op elkaar gepakte volksbuurten. De Britse, sociaal zeer bewogen journalist en publicist Ebenezer Howard was een van de pleitbezorgers en grondleggers van de ‘tuinstadgedachte’. Howard maakte zich zorgen om de gezondheid van de bevolking en zag het belang van parklandschappen in de stad, voor gezondheid, voor ontspanning en rust. Zijn gedachtengoed bood wereldwijd inspiratie.

Eerder al wist Frederick Law Olmsted in Amerika talloze parken in de groeiende Amerikaanse steden te reserveren., waaronder ook Central Park en Brooklyn Park in New York City en de ‘Emerald Necklace’ in Boston. Ook Kopenhagen omarmde dit gedachtegoed, het ‘Vingerplan’ dateert uit 1928, De stad wilde de stedelijke groei, infrastructuur en de open ruimte op een logische en vooral ook weloverwogen en humane manier organiseren.

Als we naar het heden kijken, blijkt Kopenhagen het belang van groengebieden in de stad consequent te blijven omarmen, iets waar Amsterdam nog wat van kan leren. Groen wordt standaard in alle plannen meegenomen en ontworpen, niet alleen vanuit een oogpunt van ontspanning, gezondheid en het bewust gepropageerde oogcontact tussen mensen (zie verderop), maar inmiddels ook vanuit het belang van klimaatadaptatie: groen in de stad houdt het water op een heel natuurlijke manier langer vast.

Genereuze openbare ruimte in Nordhavn. Beeld Johanna van der Werff

Permanente vernieuwingsslag

Fascinerend is hoe Kopenhagen actief is met een permanente vernieuwingsslag, waarbij de stad zowel stevige ecologische als ruimtelijke ambities toont waar daadwerkelijk en consequent op gestuurd wordt. Niet alleen wil Kopenhagen in 2025 CO2-neutraal zijn, een ambitie die ze delen met meer steden, er worden hoge eisen gesteld aan de kwaliteit van iedere stedelijke en ruimtelijke ontwikkeling. Daarbij staat het adagium ‘Consider urban life before urban space. Consider urban space before buildings’ van de Kopenhagense stadsarchitect Tina Saaby, hoog in het vaandel.

Vanuit dit adagium wordt bewust gestuurd op een zo divers en levendig mogelijk straatbeeld: divers in populatie, divers in plinten, divers in activiteiten. ‘Groene’ mobiliteit – wandelen, fietsen en ov – worden sterk gestimuleerd, door het creëren van short cuts voor de fietser; door het verbreden van trottoirs, bij voorkeur aan de zonzijde en door zonering van arbeidsintensieve dienstverlenende functies bij ov-punten. Ieder ruimtelijk plan wordt op de geformuleerde ambities getoetst. De openbare ruimte is invalshoek van ieder plan, ook als de toevoeging primair een gebouw is, met steeds als centrale vraag ‘wat het gebouw aan levendigheid zal toevoegen aan de stad’, want dat is een vereiste.

Het leidt tot prachtige, inspirerende voorbeelden waar veel van te leren valt. De openbare ruimte moet zo ontworpen zijn, dat die uitnodigt tot langdurig verblijf; tot sociale uitwisseling én tot oogcontact tussen burgers. Het gaat dan niet alleen om het faciliteren van onderling oogcontact op straat, ook oogcontact vanuit het gebouw naar buiten vice versa wordt gestimuleerd. Spiegelglas of dichte façades op straatniveau zijn dan ook not done. Deze consequente lijn en de achterliggende ambities lijken te werken. Inmiddels behoort de stad tot de wereldtop als het gaat om leefbaarheid en geluk van haar inwoners. In diverse onderzoeken belandt de stad steevast in de top 5 van steden met de hoogste levensstandaard ter wereld.

Kastellet: dit vestingswerk functioneert voortreffelijk als wandelpark. Beeld Johanna van der Werff

Bankroet en leegloop verleden tijd

Dat is niet altijd zo geweest. Begin jaren negentig was Kopenhagen nagenoeg bankroet, de werkloosheid torenhoog, langs de oevers van de stedelijke havens loosde de weinig florissante industrie rechtstreeks op de rivier en de bevolking verliet en masse de stad. De stad bungelde op de 62ste plaats in de rankings. Om uit deze negatieve spiraal te komen, greep de nationale overheid ferm in. Dat gebeurde met zowel ruimtelijk-stedelijke als financiële impulsen.

De aanwijzing van Kopenhagen als Culturele hoofdstad in 1996 gaf de mogelijkheid en momentum om extra gas te geven. In 1995 werd gestart met de aanleg van de inmiddels fameuze brug tussen Denemarken en Zweden, die in 1999 berijdbaar was, nota bene drie maanden vooruit op de planning. In het verlengde daarvan is Ørestad gebouwd, een typische topdown geplande wijk met veel architectonische iconen, nog steeds in wording overigens. Het metrostelsel en vliegveld werden uitgebreid en de zieltogende industrie maakte rigoureus plaats voor de dienstensector en wonen. De overheid investeerde in nieuwe recreatieplekken, in culturele centra en in hoogwaardige woningen in de stad. Eind jaren negentig werden de nationale bibliotheek en de Deense National Gallery uitgebreid. In 2005 kreeg Kopenhagen een operagebouw en in 2007 een nieuw nationaal theater.

Niet alleen de beroepsgroep van architecten profiteerde. Ook de lokale economie kreeg een boost. Interessant is dat de Deense nationale overheid architectenbureaus financieel steunde om hun vleugels ook over de grenzen uit te slaan. Architectuur als een exportproduct dus. Ruim zestig miljoen euro werd gereserveerd voor de promotie van Deense architectuur in het buitenland, door het ondersteunen van architectenbureaus met internationaliseringsplannen en door het geven van belastingadviezen.

Het in Kopenhagen gevestigde Deense Architectuur Centrum is speciaal ingericht om deze architectuurpromotie verder op te stuwen en die zijn vruchten nog steeds afwerpt. Het contrast met Nederland is groot. Hier lijkt de architectuurbranche zijn positie te hebben verloren, van sturing lijkt nauwelijks sprake meer – er is al geruime tijd geen ministerie van Ruimtelijke Ordening meer – en na de survival of the fittest van de bouwcrisis van 2008 leiden veel architecten een marginaal bestaan, de grote uitzonderingen daargelaten.

Johanna van der Werf deelt haar fascinatie voor Kopenhagen en trekt her en der parallellen met Amsterdam. In de volgende episode: wat is de rol van ‘Realdania’ en hoe ‘bottom up’ is Kopenhagen eigenlijk?

Lees verder

Reageer op dit artikel