blog

Blog – Hoe verhoudt de ontwerper zich tot privatisering van de publieke ruimte?

Stedenbouw

Blog – Hoe verhoudt de ontwerper zich tot privatisering van de publieke ruimte?
Liverpool ONE, beeld shutterstock

Door Els Leclercq – Het ruimtelijke planningsproces heeft een rijke traditie in ons land. Lange tijd kende dit proces een hiërarchisch en vrij lineair verloop, maar dit wordt steeds complexer. Kan de stedenbouwkundige nog steeds publieke ruimten ontwerpen voor een private opdrachtgever? Verandert zijn of haar rol in het proces? En dient zij zich te bedienen van nieuwe ontwerpmethoden? Deze vragen staan centraal in dit vijfde deel over de privatisering van de publieke ruimte.

Voor mijn proefschrift heb ik onderzoek gedaan naar de publieke kwaliteiten van drie recent (her)ontwikkelde wijken in Liverpool. Daarbij was de opdrachtgever respectievelijk een private ontwikkelaar, een publiek-private samenwerkingsverband en de overheid (opgevolgd door een consortium van lokale initiatieven).

Een en hetzelfde ontwerpbureau, BDP, was verantwoordelijk voor het plan voor zowel de geprivatiseerde als de publiek-privaat ontwikkelde wijk. Het ontwerp voor de geprivatiseerde wijk is tot in detail ontworpen, en precies conform de tekeningen geïmplementeerd en onderhouden. In de andere wijk is ook veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de materialen en het ontwerp van de buitenruimte, maar het onderhoud is minder gecontroleerd. Dit levert aan de ene kant meer ‘rommel’ op, maar aan de andere kant een flexibelere ruimte, waar het burgers vrij staat om deze toe te eigenen voor spontane individueel gebruik binnen de heersende normen en waarden uiteraard.

Ruimtelijke kwaliteit in Liverpool One (links) en Ropewalks (rechts), ontwerpbureau BDP stond garant voor beide stedenbouwkundige ontwerpen, beeld Els Leclercq

Ruimtelijke kwaliteit in Liverpool One (links) en Ropewalks (rechts), ontwerpbureau BDP stond garant voor beide stedenbouwkundige ontwerpen, beeld Els Leclercq

Publieke karakter in het ontwerp?

Om het publieke karakter van de ontwerp-ingrepen te bepalen, is met behulp van de ‘visual assessment tool’ van Ewing en Clemente (2013) de ruimtelijke kwaliteit van een aantal straten in elke gebied gemeten. Deze tool is gebaseerd op een reeks van negen stedelijke parameters: verbeeldingskracht, beslotenheid, menselijke schaal, transparantie, complexiteit, samenhang, leesbaarheid, verbindingen, opgeruimdheid. Hieraan zijn op basis van literatuur de parameters veiligheid en toe-eigening toegevoegd zodat de tool ook iets zegt over het publieke karakter van de ruimte.

Uit de analyse bleken alleen de visuele elementen die opgeruimdheid, veiligheid en toe-eigening vertegenwoordigen significante verschillen te tonen tussen de drie verschillende wijken. Zo telde de geprivatiseerde wijk veel meer camera’s, beveiligingsbeambten, vuilnisbakken en schoonmakers dan de twee publieke wijken. Daarentegen waren daar nauwelijks visuele uitingen van toe-eigening zichtbaar, terwijl de publieke wijken vele vormen en variaties op dit thema toonden. De geprivatiseerde wijk toont haar neiging tot controle over de mens en omgeving dus ook in de ontwerpelementen en het gebruik daarvan.

Lage muurtjes in Liverpool One worden gebruikt als zitplaats, terwijl ze daar niet voor ontworpen zijn: de enige vorm van toe-eigening die waargenomen is, beeld Els Leclerq

Lage muurtjes in Liverpool One worden gebruikt als zitplaats, terwijl ze daar niet voor ontworpen zijn: de enige vorm van toe-eigening die waargenomen is, beeld Els Leclerq

Het ontwerp als beginfase in plaats van ‘eindontwerp’

Hoe kan een ontwerper, die de eisen van de klant zoveel mogelijk in dient te willigen, toch het publieke belang laten prevaleren boven het private belang? Dit is een lastige kwestie want over zaken als veiligheid, onderhoud en gedragsregels heeft de opdrachtgever vaak het laatste woord.

Maar daar staat tegenover dat de ontwerper wel haar ‘eindplan’ kan presenteren als de start van het ontwerp; het moment waarop gebruikers de ruimte innemen voor hun specifieke doeleinden en waarop de ruimte dynamisch wordt en gaat ‘leven’. Een ontwerper dient daarom het mooi gevisualiseerde plaatje van het ontwerp niet te zien als een statisch eindproduct, maar als een dynamisch kader.

Door bewoners toegevoegde groen- en zitelementen in Granby aan de openbare ruimte verhogen levendigheid en buurtcontacten, beeld Els Leclerq

Door bewoners toegevoegde groen- en zitelementen in Granby aan de openbare ruimte verhogen levendigheid en buurtcontacten, beeld Els Leclerq

Segregatie: het belang van ontwerp van de randen

In de afgelopen jaren hebben we een verschuiving gezien van stedelijk beleid op het schaalniveau van de stad als geheel naar een gebiedsgerichte aanpak. Bij deze laatste richten de ontwikkelingen zich, zoals de term al doet vermoeden, op bepaalde delen van de stad. Als bij deze gebiedsgerichte aanpak private actoren een grotere rol toebedeeld krijgen, in ontwerp en beheer van de publieke ruimte, bestaat het gevaar dat de stad in een zee van losse eilanden uiteenvalt. Het vermogen deze verschillende gebieden bijeen te houden, valt of staat dan bij de verblijfskwaliteit van de randen en de overgangszones tussen deze gebieden.

Liverpool ONE biedt ook hier belangrijke lessen. De overgangen naar het publieke stadscentrum en naar de commercieel aantrekkelijke Albert Dock zijn naadloos. Maar naar de zuidelijk gelegen achterstandswijk zien we een hele andere ontwerpbenadering: blinde muren en parkeergarages creëren een harde grens en een onplezierige publieke ruimte.

In Liverpool ONE is enerzijds een naadloze overgang van publiek naar privaat (links) en anderzijds een harde grens (rechts), beeld Els Leclerq

In Liverpool ONE is enerzijds een naadloze overgang van publiek naar privaat (links) en anderzijds een harde grens (rechts), beeld Els Leclerq

Conclusie

Kortom, ook al nemen private actoren een grotere rol in het ontwerp en het beheer van de publieke ruimte in, dan kan de ontwerper nog steeds het publieke karakter van de openbare ruimte stimuleren. Door bijvoorbeeld in mogelijkheden van toe-eigening te voorzien en deze ook toe te juichen. Daarnaast dient een ontwerper veel aandacht te geven aan de randen van het plangebied om zo de ruimtelijke cohesie van de publieke ruimte te borgen.

Lees verder

 

 

Reageer op dit artikel