artikel

Interview met Jo Coenen: “Alles is in een versnelde beweging geraakt. De architect kan daarbij niet achterblijven”

Business

Interview met Jo Coenen: “Alles is in een versnelde beweging geraakt. De architect kan daarbij niet achterblijven”

Door Ton Idsinga – Niet lang na zijn afstuderen aan de TU Eindhoven in 1975 kwam Jo Coenen (1949, Heerlen) tot de ontnuchterende conclusie dat de bouwkundeopleiding volstrekt tekort was geschoten om zich een volwaardig architect te kunnen noemen. Een inhaalslag van jaren bleek nodig om de noodzakelijke kennis en vaardigheden bij te spijkeren. Het was het begin van zijn engagement met het opleiden van werkelijk vakbekwame architecten en het kwalificeren van de professie.

In zijn Maastrichtse architectenbureau vlakbij het Vrijthof, tussen grote tafels bedekt met stapels kleurige tekeningen, spraken wij over zijn 15-jarige bemoeienis met de Beroepservaringperiode (BEP), de sinds 2015 verplichte BEP voor architecten, stedebouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten ter verkrijging van de architectentitel.

Die jarenlange betrokkenheid van jou bij het opleiden van architecten, kwam dat ook voort uit ergernis over wat je in jouw eigen praktijk meemaakte?

“Oh zeker. Ik heb veel jaren doorgemaakt in Zwitserland en Duitsland. Ik heb na mijn diploma TU Eindhoven nog gestudeerd in Düsseldorf en lesgegeven in Karlsruhe, Lausanne en Aken, en verder veel met architecten gewerkt die in die landen hun opleiding hadden genoten. Ze wisten meer van de bouwpraktijk dan de toenmalige afgestudeerde Nederlandse bouwkundige ingenieurs.

Mijn Duitse medewerkers konden goed detailleren, terwijl ze ook van de universiteit kwamen. Ze beschikten over vaardigheden die bij ons vooral HTS’ers hadden. Vanuit mijn positie hier in het zuiden van het land kon ik de verschillen overduidelijk zien en meemaken.”

Toen je in 2000 Rijksbouwmeester werd besloot je er concreet iets aan te doen.

Aarzelend: “Nou, dat ging niet zo één, twee, drie. In de jaren negentig was er nog sprake van de PAS, de Praktijkopleiding Architectuur en Stedebouw van de TU’s in Delft en Eindhoven, maar die opleiding is een vroege dood gestorven. Op zichzelf jammer, want het overbruggen van de kloof tussen ‘praktisch’ en ‘theoretisch’ bleef onverminderd van belang. Dat stelde ik ook bij de TU’s aan de orde als beginnend Rijksbouwmeester.

Maar die waren nogal kopschuw. Ze zagen het misschien ergens als een motie van wantrouwen of vreesden onrust op het onderwijsfront. Maar na veel overleg en het uitzetten van gerichte onderzoeksopdrachten kreeg ik het erdoor dat we – samen met de beroepsverenigingen – als experiment een praktijkopleiding van twee jaar konden gaan opzetten. We noemden het in 2003 dan ook heel toepasselijk Het Experiment.”

Jo Coenen als Rijksbouwmeester in de periode 2000-2004, beeld CRa

Jo Coenen als Rijksbouwmeester in de periode 2000-2004, beeld CRa

Wilden jullie uiteindelijk niet hetzelfde als de Academies van Bouwkunst al jaren deden?

“Dat is waar. Met het werken in de praktijk overdag en ‘s avonds de studie – die vaak wel zes jaar kon duren – boden de Academies een veel volwaardiger opleiding aan dan de TU’s, die zich vooral wetenschappelijk wilden manifesteren. Hoogopgeleid werd en wordt dat genoemd.”

Ook cardiologen en tandartsen hebben met die problematiek te maken. Die moeten ook een gedegen theoretische kennis en praktische vaardigheden combineren.

“Daar lijkt het op, inderdaad. Het is die tweeledigheid die het ingewikkeld maakt, maar – laten we dat vooral niet vergeten – ook zo boeiend maakt. Om die reden is de architect wel eens de laatste der generalisten genoemd. Hij moet van zeer veel markten thuis zijn.”

Bestuur van Het Experiment 3 met minister Cramer in 2010, beeld PEP

Bestuur van Het Experiment 3 met minister Cramer in 2010, beeld PEP

Een duizendpoot.

Enthousiast: “Jazeker. In een wereld vol specialisten (juridisch, financieel, technisch) moet hij als een chef-kok alle puzzelstukjes bij elkaar zien te krijgen en daarbij de uitgangspunten van het ontwerp niet uit het oog verliezen.

De architect moet tegen een stootje kunnen. En tegen veranderingen, ook in zijn ontwerp. Maar ook doelgericht blijven. Kortom, een prachtig beroep!”

Hoe werd het initiatief van Het Experiment ontvangen?

“Goed, gelukkig. Want dat was natuurlijk maar afwachten. Er meldden zich al snel 40, 60, 80 kandidaten, en de beste architectenbureaus stonden ervoor open en boden hun medewerking aan. Het engagement van die bureaus ervoeren wij als een enorme steun.”

Deelnemers van Het Experiment, beeld CRa

Deelnemers van Het Experiment, beeld CRa

Het opdoen van de praktijkervaring krijgen de pas afgestudeerden onder begeleiding van een mentor. Waren jullie niet bang dat deze jonge mensen teveel beïnvloed zouden worden door eventuele preoccupaties van zo’n ervaren rot in het vak?

Beslist: “Het gaat bij die begeleiding niet over het ontwerp, laat staan over stijl. Het gaat erom de leemten op te vullen in de kennis van praktische bouwvraagstukken. Een mentor zei eens: “Het gaat erom dat je weet, wat je niet weet.” Zodat je niet in de een na de andere valkuil loopt.”

De onderwijsmethodiek van het learning by doing wordt in de didactische wereld als een van de effectiefste en natuurlijkste vorm van ‘leren’ gezien.

“Dat wisten wij uit ervaring. Daarom waren we ook zo overtuigd van het rendement van die extra inspanning in de praktijk van het bouwen. Het voltooit in feite de architectenopleiding.”

Beroepservaring SLA in 2012, beeld PEP

Beroepservaring SLA in 2012, beeld PEP

In 2015 is in het kader van de Wet op de Architectentitel (WAT) de praktijkopleiding verplicht geworden om de titel ‘architect’ te mogen voeren. Er zal toen wel een zucht van verlichting bij de initiatiefnemers zijn geslaakt.

“Zeg dat wel. We hebben de nodige ups en downs meegemaakt. Want hoe organiseer je het allemaal? En: kregen we wel genoeg steun van de betrokken ministeries? Ook financieel?

In 2008 brak er ook nog eens een economische crisis uit met draconische gevolgen voor de bouw- en ontwerpwereld, waardoor de aanmeldingen enorm kelderden. Afgestudeerden bouwkunde en landschapsarchitectuur van de TU’s hadden op dat moment hele andere zorgen. Hoe kwam men überhaupt nog aan een baan? Ik ben dus heel blij dat we nu in rustiger vaarwater zitten, en het aardig op poten hebben.”

Jo Coenen tijdens de Alumnibijeenkomst in 2014, beeld PEP

Jo Coenen tijdens de Alumni-bijeenkomst in 2014, beeld PEP

We hebben het vooral over architectuur gehad. Hoe lag de verhouding tussen de vier onderscheiden disciplines?

“De reden van die vierdeling is omdat dit wettelijk zo is vastgelegd. Maar in de praktijk zie je dat in ieder geval architectuur en stedebouwkunde in elkaar zijn gaan overlopen, soms is dat ook het geval met landschapsarchitectuur. Dat is een natuurlijk proces. De interieurarchitect ‘hangt er een beetje bij’. Wat ik niet denigrerend bedoel, want ik weet heel goed dat het voldoen aan die zogenaamde kleine opgaven een hele specifieke kennis behoeft. Specialistische materialenkennis en inzicht tot in de kleinste details.

Maar wat me steeds meer is gaan storen, is dat er geen plaats is ingeruimd voor de technische specialist, bijvoorbeeld de civiel ingenieur. We kunnen niet meer zonder ze, het is de nieuwe wereld. Dat is in de praktijk al zo. Zonder deze technische specialisten komen we geen stap verder. Ze hebben een dragende functie bij alle disciplines. Daar moet op de een of andere wijze structureel plaats voor worden ingeruimd.”

Deelnemers van de PEP in 2013, beeld PEP

Deelnemers van de PEP in 2013, beeld PEP

Hoe denk je dat de situatie over 20 jaar zal zijn? Is de BEP er dan nog?

Na een lange stilte: “Ik heb het vijftien jaar gedaan. We wisten in 2003 niet exact waar we heengingen, maar wel intuïtief. We hadden, ook door de steun van veel bureaus, na verloop van tijd een helder doel voor ogen.

Dat moeten de mensen die ons werk gaan doorzetten ook hebben: een duidelijk doel. Gebaseerd op een visie op de verdergaande problematieken: klimaatverandering, technische innovaties, bewoners die nomadisch gedrag gaan vertonen, dat soort grote thema’s. Mensen als Daan Roosegaarde, Winy Maas en Adriaan Geuze kunnen gezien worden als vertolkers van die nieuwe tijd. Ik noem ze maar als voorbeeld, maar deze geluiden kan men op veel plekken opvangen.

Het zijn aankondigingen van een wereld die we nu nog nauwelijks kennen. Voor de inhoud van het architectenberoep zijn deze toekomstverkenningen van wezenlijk belang. Het is de taak van onze opvolgers om te zorgen dat er méé wordt bewogen, ook in het onderwijs. Als men zich deze urgentie realiseert, en – belangrijk! – er ook naar handelt. Dan is er veel gewonnen.”

Lees verder

Reageer op dit artikel