artikel

Het Wat en Waarom van de Beroepservaringsperiode. Een kleine geschiedenis van de Wet op de Architectentitel

Business Premium

Het Wat en Waarom van de Beroepservaringsperiode. Een kleine geschiedenis van de Wet op de Architectentitel
Beroepservaring SLA in 2012, beeld PEP

Door Alijd van Doorn en Guus Enning – Op 1 januari 2015 trad de Regeling Beroepservaringsperiode in. De regeling is een uitvoeringsmaatregel van de in 2010 gewijzigde Wet op de Architectentitel. Ze houdt in dat naast de mastertitel minimaal twee jaar aantoonbare beroepservaring een voorwaarde is voor inschrijving in het Architectenregister. Wat betekent dat? En hoe is de regeling precies tot stand gekomen?

Wat is de Beroepservaringsperiode?

De Beroepservaringsperiode, afgekort BEP, trad op 1 januari 2015 in werking. Deze regeling is een uitvoeringsmaatregel van de Wet op de Architectentitel, die de bescherming van de titels van bouwkundig architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect regelt. De BEP houdt in dat naast een masterdiploma in een van deze disciplines, het succesvol doorlopen van een beroepservaringsperiode voorwaarde is voor inschrijving in het Architectenregister. Deze periode duurt minimaal twee jaar op basis van een 32-urige werkweek. Tijdens deze periode moet de kandidaat onder leiding van een bevoegde mentor ervaring opdoen in alle facetten van het beroep en in alle fasen van het ontwerp- en bouwproces. Deze ervaring moet bovendien waar nodig worden aangevuld met zogenaamde kennismodules. Dat kunnen allerhande lezingen, cursussen en trainingen zijn die beantwoorden aan de eindtermen van de BEP. 1 De kandidaten zijn zelf verantwoordelijk voor het vinden van hun mentor. Deze draagt zorg voor de begeleiding op het bureau waar de kandidaat komt te werken. 2

Je kunt de BEP doorlopen binnen een geïntegreerd beroepservaringsprogramma (de geïntegreerde route) of deze periode zelf inrichten (de zelfstandige route). Bij een geïntegreerd programma spelen de vakcoördinatoren uit de vier ontwerpdisciplines een belangrijke rol. Zij adviseren de kandidaat bij het opstellen van hun persoonlijk ontwikkelingsplan, verzorgen gemeenschappelijke bijeenkomsten en mentortrainingen, houden contact met de kandidaten en de mentoren en nemen samen met een gecommitteerde de eindgesprekken af. Het getuigschrift van een geïntegreerde aanbieder biedt automatisch het recht op inschrijving.

Bij een zelfstandige route kan de kandidaat bij verschillende aanbieders naar eigen keuze kennismodules afnemen. Een verbijzondering op de zelfstandige route is het volgen van een ‘in company’ traject. Dat betekent dat het architectenbureau waar de kandidaat werkzaam is, zorg draagt voor de nodige trainingen en daarvoor ook certificaten afgeeft. In tegenstelling tot commerciële aanbieders van kennismodules hoeven de architectenbureaus die deze trainingen verzorgen, niet te worden erkend.

Deelnemers en mentoren Het Experiment 2004-2006

Deelnemers en mentoren Het Experiment 2004-2006

Ontstaan van de Wet op de Architectentitel

De invoering van de Beroepservaringsregeling is een nieuw hoofdstuk in de lange en turbulente geschiedenis van de bescherming van de architectentitel. 3 Hoewel de beroepsgroep zelf sinds het begin van de vorige eeuw onder aanvoering van de in 1908 opgerichte BNA hiervoor pleit, duurt het tot 1987 voordat de Wet op de Architectentitel wordt ingevoerd. De politieke weerstand tegen de titelbescherming is volgens Dankelman 4 in de eerste plaats te danken aan het feit dat de architect niet over een eigen domein beschikt dat losstaat van de rest van het bouwproces. Ontwerpen geschiedt altijd in teamverband. Wat zwaarder telt, is dat de uitoefening van het beroep en de plaats ervan in het bouwproces in Nederland al zijn geregeld via het Bouwbesluit, de Welstand en het Bestemmingsplan.

In 1985 treedt echter de Europese richtlijn in werking, die het vrije werkverkeer van architecten binnen Europese landen reguleert. Het lukt dan de architectentitel alsnog beschermd te krijgen. Er is bewust gekozen voor de bescherming van de titel en niet van het beroep zelf, onder andere omdat de titelbescherming juridisch eenvoudiger te regelen is. Niemand wordt verboden om architectonische werkzaamheden te verrichten, alleen de beroepstitel is beschermd. Hiermee staat de architect op een lijstje van meer dan honderd wettelijk beschermde beroepstitels in Nederland. Naast bekende beroepen als arts en advocaat geldt deze regulering ook voor andere vrije beroepen zoals vuurwerkdeskundigen, tolken en spoormachinisten.

De Stichting Bureau Architectenregister wordt in 1989 opgericht als het uitvoerende orgaan van deze regeling. In het jaar waarin het register is opgericht, schrijven circa  5.000 architecten, stedebouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten zich in. Inmiddels is het bestand uitgegroeid tot meer dan 14.000 personen, waarvan ruim 10.000 als bouwkundig architect.

Deelnemers en mentoren Het Experiment 2006-2008, beeld Bob Goedewaagen

Deelnemers en mentoren Het Experiment 2006-2008, beeld Bob Goedewaagen

Van dreigende afschaffing tot versterking van de WAT

Het tienjarig bestaan van het Architectenregister in 1998 krijgt een minder feestelijk karakter als Johan Remkes, de toenmalige VVD-staatssecretaris van VROM, in zijn speech voorstelt om de wet af te schaffen. Het is een periode van deregulering, en na de makelaarsbranche wil Remkes ook het architectenberoep liberaliseren. In de periode die hierop volgt, is het gelukt om de dreigende afschaffing van de Wet op de Architectentitel om te buigen in een versterking ervan. De introductie van de BEP is hiervan ongetwijfeld de meest in het oog springende maatregel. De belangrijkste politieke argumenten tegen de afschaffing zijn dat de beroepsgroep niet goed is georganiseerd, en dat afschaffing van de wet de positie van onze architecten in Europa zou verzwakken. Voor voormalig Rijksbouwmeester Jo Coenen en het Atelier Rijksbouwmeester echter was het dichten van de kloof tussen de opleidingen en de beroepspraktijk het belangrijkste speerpunt. De beroepsgroep wilde dat beroepservaring een belangrijke voorwaarde zou zijn voor de inschrijving in het register. Als je een tijdlijn zou maken, wordt zichtbaar dat iedere Bouwmeester vanaf de invoering van de wat op zijn eigen manier heeft getracht om de gewenste praktijkervaring op de agenda te houden. In 1992 is door de TU Delft, de TU Eindhoven, de BNA en de BNSP de Praktijkopleiding Architectuur en Stedenbouw pas opgericht, met steun van toenmalig Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt. Ten tijde van het Bouwmeesterschap van Jo Coenen wordt de opleiding weer opgeheven, omdat deze te academisch zou zijn geworden en te weinig zou aansluiten op de toenmalige beroepspraktijk. Toenmalig BNA-voorzitter Jan Brouwer vroeg Jo Coenen in zijn rol van Rijksbouwmeester het initiatief te nemen voor een praktijkgerichte opvolger. Het resultaat is de eerste ronde van ‘Het Experiment’ in 2003. Mels Crouwel, die in 2005 Rijksbouwmeester wordt, zorgt voor de verzelfstandiging van Het Experiment in de Stichting Beroepservaring Jonge Architecten en Stedebouwkundigen, waarvan Jo Coenen de eerste voorzitter is.

Deelnemers en mentoren Het Experiment 2008-2010

Deelnemers en mentoren Het Experiment 2008-2010

De vakinhoudelijke ervaringen met Het Experiment zijn steeds strategisch ingezet om politiek draagvlak te creëren voor een aanscherping van de wat. In Sybilla Dekker, de opvolger van Johan Remkes, vinden Jo Coenen en het Atelier Rijksbouwmeester een goede partner. In 2004 schrijft zij in een brief aan de Tweede Kamer niet alleen dat de wat blijft bestaan, maar ook dat ze een krachtiger kwaliteitsinstrument gaat worden. Mels Crouwel organiseert in 2006 een rondetafelconferentie met de opleidingen en de beroepsorganisaties in Sociëteit De Witte in Den Haag en stippelt op basis hiervan de herziening van de wat uit. Centraal daarin staan de introductie van de BEP en het voorstel voor de bij- en nascholing voor de vier disciplines. Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol werkt deze hoofdlijnen verder uit en slaagt er in 2009 en 2010 in om minister Cramer succesvol te begeleiden bij het door het parlement loodsen van het wetsvoorstel. In 2010 wordt het gedachtegoed achter Het Experiment, waaraan inmiddels niet meer alleen bouwkundig architecten maar ook jonge stedebouwkundigen en landschapsarchitecten deelnemen 5, geformaliseerd en als Beroepservaringsperiode in het wijzigingsvoorstel van de wat opgenomen. 6

Als de Tweede Kamer in 2010 dit voorstel behandelt, noemt minister Jacqueline Cramer in haar inleiding drie argumenten waarom het wetsvoorstel en de BEP zo belangrijk zijn. Ten eerste is het architectenvak volgens haar in de afgelopen decennia veel complexer geworden. Het bouwproces vereist meer en bredere kennis en vaardigheden van de ontwerper. Kennis die in de beroepspraktijk zelf moet worden opgedaan. Ten tweede verwijst ze naar de noodzaak om uit te lijnen met de verplichte beroepservaring in de ons omringende landen, teneinde onze concurrentiepositie te behouden en versterken. Ten slotte wijst ze op de zogenoemde verwetenschappelijking van het universitaire architectuuronderwijs sinds de invoering van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek in 1995.

Deelnemers en mentoren Beroepservaring SLA 2010-2012, beeld Bob Groedewaagen

Deelnemers en mentoren Beroepservaring SLA 2010-2012, beeld Bob Groedewaagen

Introductie van de BEP

Aan de vooravond van de inwerkingtreding leidde de BEP op diverse fronten tot stevige discussies. Aan de ene kant is er grote onzekerheid over het aantal beschikbare arbeidsplaatsen om de nodige werkervaring op te doen. Studenten Bouwkunde zijn bang dat de introductie van de BEP ertoe leidt dat ze kwetsbaar worden voor financiële uitbuiting, terwijl ze extra kosten moeten maken om zich in het Architectenregister te laten registreren. Aan de andere kant zijn er positieve geluiden. Onder de beroepsgroep leeft de verwachting dat de BEP zal leiden tot een hogere waardering van het beroep, zowel in de maatschappij als in de markt. De ervaring met Het Experiment laat zien dat het volgen van een ervaringsprogramma nuttig is. Deelnemers geven aan dat daarin onderwerpen aan bod komen die noodzakelijk zijn om de ontwerper voor te bereiden op een volwaardige beroepsuitoefening. In de reguliere opleidingen aan de universiteit wordt hieraan nauwelijks aandacht geschonken. 7 Ook wordt het onderling uitwisselen van ervaringen met andere starters als waardevol ervaren. Uit een evaluatie van Het Experiment blijkt dat 95 procent van de in totaal 233 deelnemers tussen 2003 en 2013 nog steeds in de branche werkzaam is. 8

Dat de BEP aanleiding geeft voor discussie, kan op zichzelf al waardevol worden genoemd. Ze geeft aanleiding om de geesten te scherpen over de essentie van het vak, de eigen positie die de nieuwe generatie in dat veld wil en kan innemen en de rol die de opleidingen daarbij spelen. ‘The proof of the pudding is in the eating.’ In de komende periode gaat blijken hoe de BEP zal uitpakken. De gewijzigde wat vermeldt ook een wettelijke evaluatiebepaling. Die houdt in dat in 2017 de BEP op zijn effectiviteit en effecten zal worden getoetst en dat de uitkomsten daarvan aan de Tweede Kamer zullen worden meegedeeld. Dan zal blijken of de beroepsgroep een serieuze stap gemaakt heeft in de kwaliteitsversterking van het beroep.

Deelnemers en mentoren De Beroepservaring 2012-2014, beeld bkvisuals

Deelnemers en mentoren De Beroepservaring 2012-2014, beeld bkvisuals

Dit artikel verscheen eerder in de Architect 2014 nummer 9 (pagina 44-49).

Lees verder

Noten

1 Aanbieders van kennismodules- of programma’s dienen door het Architectenregister te worden erkend.

2 Om te kunnen starten, dienen de kandidaten samen met hun mentor een persoonlijk ontwikkelingsplan op te stellen. De werkervaring en kennisontwikkeling moeten worden bijgehouden in een logboek.

3 Priemus, H. et al. (2001), Architect en titelwet. Een evaluatieonderzoek naar het functioneren an de Wet op de Architectentitel en het Architectenregister, Rotterdam.

4 Dankelman, S. (1999), Europa geschaakt! De Europese erkenning van architecten en ingenieurs.

5 Vanaf 2012 nemen ook interieurarchitecten deel. De naam ‘Het Experiment’ is dan omgedoopt tot De Beroepservaring slai (stedebouwkundigen, landschapsarchitecten,
architecten en interieurarchitecten).

6 Andere maatregelen uit de gewijzigde wat zijn de introductie van bij- en nascholing voor stedebouwkundigen, landschapsarchitecten en interieurarchitecten, een informatieplicht aan opdrachtgevers, de omzetting van de Stichting Bureau Architectenregister in een zelfstandig bestuursorgaan en het mogelijk maken om ingeschreven te worden in meerdere disciplines. In 2008 was als uitvloeisel van de Europese Richtlijn een bij- en nascholingsverplichting voor bouwkundige architecten in de Wet op de Architectentitel (wat) opgenomen. Over de naleving hiervan zijn de meningen verdeeld.

7 Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wat, p. 10.

8 Van Experiment naar Beroepservaring: Geslaagde Start-Up voor Jonge Ontwerpers. Evaluatie Het Experiment en De Beroepservaring 2003-2014, Atelier Rijksbouwmeester juni 2014, met een voorwoord door voormalig Rijksbouwmeester Frits van Dongen.

Reageer op dit artikel