artikel

Dáág doelgroep – Wonen in de 21ste eeuw

Architectuur

Door Andrea Prins – Sinds de eeuwwisseling geldt in de woningbouw het recht van de sterkste. Dit begint langzamerhand ook in bredere kring door te dringen. Gemeenten schrijven nota’s vol mooie woorden. Ontwikkelaars en architecten leveren smakelijke plaatjes en ronkende getallen. Men wil ons doen geloven dat de woningcrisis met bouwen! bouwen! bouwen! op te lossen is. Maar zijn de aantallen het échte probleem? Noodzakelijk zijn ándere woningen.

Al vanaf de jaren negentig worden programma’s voor de sociale woningbouw drastisch gekort. Tijdens de financiële crisis van 2018 viel de woningbouw bijna stil. Met de opleving van de economie zijn woningen investeringen geworden, waarmee bijzonder gemakkelijk winst te behalen valt. Beide ontwikkelingen worden door de overheden op zijn zachtst gezegd niet bestreden of tegengehouden. De consequentie: onze nieuwbouwwoningen beantwoorden vooral aan marktvragen. Over de woonvragen van vandaag de dag gaan ze zelden. Wat waren woningen eigenlijk voordat ze een ‘product’ werden?

Thema woningbouw decembernr 2019 - Principeplattegrond van het Koreaanse Three-bay-appartment. Twee clusters van bijna gelijkwaardige kamers annex sanitaire ruimten. In het midden ligt de woon-eetkeuken Beeld Andrea Prins

Principeplattegrond van het Koreaanse Three-bay-appartment. Twee clusters van bijna gelijkwaardige
kamers annex sanitaire ruimten. In het midden ligt de woon-eetkeuken Beeld Andrea Prins

Wonen als vreugde

Een woning is niet alleen een ‘verblijfsplaats’ of ‘behuizing’ maar draagt ook de betekenis van ‘gewoonte’ in zich.1 Maar gewenning is niet het hele verhaal: ‘wennen’ is ook verwant aan het Duitse ‘Wonne’, ‘plezier’ of ‘vreugde’. Een woning, kun je daarom zeggen, is een plaats waaraan men vreugde beleeft.

Tijdens de woningcrisis na de Tweede Wereldoorlog mengde de Duitse filosoof Martin Heidegger zich in de discussie. Hij stelde dat we de ware betekenis van ‘wonen’ kwijt zijn. Licht, lucht en zon zijn niet voldoende om van een onderkomen een woning te maken. Het échte wonen kan alleen ontstaan via de voortdurende en onmisbare oefening van máken en denken.2 Destijds vond men dat maar irrelevant. Er moest gebouwd worden. Veel. En snel.

Waarom je in een woning volgens Heidegger niet als het ware ‘automatisch’ wóónt, ligt in het verschil dat hij maakt tussen een ‘ding’ dat aanwezig is en een ‘gereedschap’ dat een mens zich daadwerkelijk ‘tot eigen maakt’. Een woning kun je zien als een ‘ding’ dat voor-handen is, terwijl het wonen een “(werk)tuig is, dat voor jou, bewoner, klaarstaat, om door jou ter hand te worden genomen.”3 Heidegger wijst op de betekenis van het Germaanse ‘wunōn’, wonen: ‘tevreden, te-vreden, in vrede zijn’. Wie zich het wonen in de ware zin van het woord eigen gemaakt heeft, is in vrede met zichzelf én – dit is belangrijk – met zijn omgeving. Wonen omvat dus méér dan de fysieke woning.

Het kerngezin voorbij: project A52 van roedig.schrop architekten in Berlijn

Het kerngezin voorbij: project A52 van roedig.schrop architekten in Berlijn

Rendementswonen

Direct voor mijn neus krijgt Little C in Rotterdam vorm. Het gaat me uitdrukkelijk niet om het ontwerp van de Bouwcombinatie CULD INBO maar om de erachter liggende principes. Het project is een ‘product’, welbewust als zodanig in de markt gezet. In dit stukje Greenwich Village gaan de mensen in lofts wonen. De doelgroep: ‘anspruchsvoll’. Om de lofts aan te kleden, zijn in de Little Papers – als krant opgemaakte reclamefolders – mogelijke inrichtingen getekend: in elke woning een (hoek)bank op een tapijt, een monster-televisiescherm, een eettafel en een tweepersoonsbed. In de grotere woningen staan meer meubels of een inloopkast. Een uitdagende woonvisie is dit niet. En dat is geen toeval. Want ondanks de coole taal (“Don’t spend your life waiting to start living!”) en de sfeerfoto’s van duur-spontane interieurs (roest, afbladderende houtverf) gaat het hier niet primair om wonen. Geruchten vertellen dat vele kopers niet zelf van hun ‘topmilieu’ willen genieten of dat zo’n loft een tweede of zelfs derde huis zal zijn. Het gaat om verhuur, doorverkoop en rendement. Ik heb een hekel aan het woord ‘top’. Aan ‘doelgroep’ trouwens ook.

Te pas en te onpas kom je dit woord tegen. En niet alleen in verkooppraatjes. En omdat we aan economisering van de woning zo gewend zijn geraakt, valt het ons niet eens meer op. Dat is kwalijk, want ‘doelgroep’ verraadt drieërlei. Het is een marketinginstrument voor gericht aanbod. Daarmee is niet alleen het wonen een marktvraag, maar reduceert het bovendien bewoners tot marktdeelnemers. Ten derde is het een uitsluitend begrip. Een woning voor de ene doelgroep is zelden geschikt voor het wonen van een andere.

Hokjesdenken

En toch wonen we bijna allemaal in een vader-moeder-en-twee-kinderen-woning. We wonen er alleen, als stel, als familie of als gescheiden ouders met gedeelde kinderen. We wonen er als patchworkgezin. We wonen er met onze volwassen kinderen (omdat geen starterswoning te vinden is). We werken er. We wonen er hoewel de woning als te ruim geworden kleding om ons heen zwabbert (iedereen is het huis uit). We wonen er omdat verpleegplekken schaars zijn. Maar als we (tijdelijk) een vriend willen opnemen of (voor langere tijd) een van onze ouders, kan het niet. We wonen in woningen die zijn gemaakt voor de woonvraag van eergisteren: woonkamer, ouderslaapkamer en kinderkamers. “We moeten af van die hokjes”, zei onderzoeker Vincent Kompier onlangs tijdens een ARCAM-debat over de plattegrond.4 Nieuwbouwwoningen moeten niet alleen over woonvragen gaan, maar ernaast over huidige. Het samenwonen is te divers om woningen nog langer op ‘doelgroepen’ te baseren.

Hoe kan nieuwbouw recht doen aan deze spannende diversiteit? Op een sympathieke wijze gebeurt dit in CPO-projecten, bij Baugruppen of coöperaties. Sympathiek, omdat in zo’n project idealiter plaats is voor vele ideeën over wonen en men zijn woning zelf kan ontwerpen. Basis is meestal een constructief kader dat met een keur van woningen ‘gevuld’ kan worden. Een nadeel: er ontstaan plattegronden als maatpakken, fijn voor de eerste bewoners, maar voor de volgende zijn ze als haute couture, prachtig maar niet draagbaar en ze knellen op allerlei plekken. Men slaat aan het verstellen.

Wat veranderen kan, blijft

Denkend over veranderbaarheid, deed onderzoeker Bernhard Leupen een paradoxale ontdekking. Niet geïndividualiseerde, veranderbare plattegronden laten de meeste diversiteit toe (het slopen en herbouwen zou in de praktijk nauwelijks gebeuren) maar juist woningen met ‘generieke kamers’5: ‘algemene’, neutrale en zo gelijkwaardig mogelijke ruimten, zoals in negentiende-eeuwse Berlijnse woningen. Dat zij inderdaad ongekend divers gebruik toelaten, weet ik uit eigen ervaring. Dezelfde ruimten kunnen woonkamers of keukens zijn, slaapkamers of werkruimten, of combinaties ervan, bestemd voor gezinnen, woongemeenschappen of bedrijven. Dezelfde gebruiksflexibiliteit kwam ik in de villa van mijn grootouders tegen. Hun ‘salons en suite’ waren zonder het verplaatsen van één baksteen al rookkamer, studeerruimte, televisiekamer, woonkamer met een hoogslaper, logeerkamer, eetkamer en kinderkamer. In deze ruimten zijn mensen dus onmiskenbaar al meer dan honderd jaar op een Heidegger-achtige manier ‘te-vreden’: ze maakten zich de woning op verschillende manieren ‘te-eigen’. De ‘truc’ hiervoor is simpel: je hebt kamers nodig van rond de 25 vierkante meter, eerder vierkant dan langwerpig en met een hoogte van ten minste drie meter.

Gelukkig worden woningen met ‘neutrale’ en gelijkwaardige kamers nu (eindelijk!) gebouwd. In ‘friends’-woningen wonen vrienden of vreemden samen. Het idee is geboren uit schaarste: de onmogelijkheid om als jongvolwassene woonruimte te vinden. Een voorbeeld voor deze woonvorm is het project B’mine: woningen hebben twee gelijkwaardige privékamers en men deelt woonkeuken en badkamer. Dit is een hoopvol begin, want woningen met gelijkwaardige kamers zijn niet alleen geschikt voor hippe ‘friends’. In de praktijk wonen nu in circa vijftig procent van deze woningen al geen jongeren meer, maar senioren.6

In dit CPO-project van ANA Architecten is sprake van een spannende diversiteit van op maat ontworpen woningen

In dit CPO-project van ANA Architecten is sprake van een spannende diversiteit van op maat ontworpen woningen

ANA Architecten

Het Schetsblok ANA Architecten

Thuisbasis

Om nog veelzijdiger bruikbaar te zijn, ontbreekt in deze ‘friends’-woningen een natte cel per privékamer of bij grotere woningen per privécluster. Het is te onderzoeken waar een gezamenlijke eetkeuken (moet zo’n woning een ‘woon’kamer hebben?) het beste ligt: in de buurt van de entree of, zoals in B’mine, áchter de privéruimten. In het eerste geval ligt de nadruk op het samenwonen, in het tweede op privacy. Wie denkt dat dit soort woningen utopie zijn, kijke naar Korea. Daar werden en worden tienduizenden woningen met zo’n indeling gebouwd. Mensen wonen er als stel, kerngezin, met broers en zussen, én kunnen een hulpbehoevende ouder opnemen – of een onderzoeker. Dat allemaal dankzij neutrale, gelijkwaardige kamers en een tweede badkamer. De gradatie van wat men onder schoon sanitair verstaat, is hét neuralgische punt bij het samenwonen.

Gelijkwaardige kamers: het ‘friends’-concept in het project B’mine, ontwerp Paul de Ruiter Architects

B’mine door Paul de Ruiter Architects

In het project Piazza Céramique ontstaat gebruiksflexibiliteit door het simpele toevoegen van een tweede entree. Gedachte erachter is het scheppen van een aparte toegang voor de werkruimte in de woning, maar een tweede entree biedt meer mogelijkheden. Gecombineerd met neutrale, gelijkwaardige kamers zijn de woonmogelijkheden legio. Woningen met neutrale, gelijkwaardige kamers maken betaalbare woningen mogelijk die vele vormen van samenwonen omarmen. Woningen die recht doen aan onze heterogene, veranderlijke maatschappij en de daarmee samenhangende woonvragen. Woningen waarin zich brede bevolkingsgroepen werkelijk welkom en herkend voelen, gevoelens die wellicht ook ertoe kunnen bijdragen dat zich weer meer mensen welkom voelen in onze maatschappij. Want zoals de Nederlandse filosoof Pieter Hoexum zegt, is de woning immers de “huisbasis van het sociale verkeer”.

Een deel van deze tekst is gebaseerd op lopend onderzoek naar woonconventies. Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds. Een boekpublicatie is in voorbereiding.

Noten

1. Zie voor de betekenissen van het oud-Hoogduitse woord ‘wonunga’ de toelichting op: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/woning.

2. Martin Heidegger, Bauen Wohnen Denken, voordracht gehouden in 1951. Lezing is te beluisteren op: https://www.youtube.com/watch?v=mqSSzgg5eio Zie voor een vertaalde transcriptie: Martin Heidegger, Bouwen Wonen Denken, 1986.

3. Met dank aan Pieter Hoexum. Zie: ‘Thuiskomen’, ArchNed, 13 april 2017. Hoexum verduidelijkt aan de hand van ‘ding’ en ‘gereedschap’ het onderscheid tussen huis en thuis. Nader uitgewerkt in: Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse, 2019. Hoexums uitspraak over de woning als thuisbasis: ‘Thuis’. Het onzichtbare alledaagse, bijeenkomst in Spui25 d.d. 3 september 2019.

4. Architect-in-Residence Debat #3 met Marc Reniers, ARCAM, 11 september 2019.

5. Bernhard Leupen, Kader en generieke ruimte. Een onderzoek naar de veranderbare woning op basis van het permanente, Rotterdam 2002.

6. Vincent Kompier, Architect-in-Residence Debat #3 met Marc Reniers, ARCAM, 11 september 2019.

 

Omslag december 2019 kleinde Architect december 2019

Dit artikel verscheen eerder in ons decembernummer. In deze editie bespreken we onder andere IBA Parkstad, revalidatiecentrum Domstate en het hoofdkantoor voor Triodos Bank Nederland. Daarnaast gaan we in op het thema Woningbouw.

Bestel nu >

 

Foto's

Reageer op dit artikel