artikel

Friedrich Achleitner (1930 – 2019)

Architectuur

Door Claus Käpplinger – Een taal- en ‘Denkraum’kunstenaar was Friedrich Achleitner, de wijze oude man van de Oostenrijkse architectuurkritiek, die op 27 maart 2019 in Wenen overleed. Zelden speelde een architectuurcriticus zo subliem met taal om daarmee architectuur en mensen dichterbij elkaar te brengen. Zijn teksten zijn nooit polemisch of dogmatisch, maar altijd treffend en gepassioneerd. Ook ver buiten het architectuurwereldje worden ze gelezen en bediscussieerd.

Hij is in 1930 in de deelstaat Opper-Oosterrijk geboren. Van 1950 tot 1953 studeerde hij aan de academie van de beeldende kunst in Wenen bij Clemens Holzmeister, onder wie zich in die tijd vele jonge architecten schaarden, zoals Hans Hollein, Friedrich Kurent en Johann Georg Gsteu. Maar nadat hij samen met Gsteu zijn eerste eigen bouwwerk realiseerde, de renovatie van de Rozenkranskerk in Wenen, verkoos Achleitner in 1958 de taal boven de bouw. Visuele literatuur, concrete poëzie en klankgedichten interesseerden hem meer; hij werd freelanceschrijver en lid van de legendarische literaire vereniging Wiener Gruppe. Ook A.C. Artmann, Gerhard Rühm en Ernst Jandl behoorden tot deze groep.

Bausünden

Maar, de stadsvernielingen die plaatsvonden in de naoorlogse periode en de onwetendheid ten opzichte van het Modernisme van voor 1938 deden hem terugkeren naar de architectuur, zij het altijd met kritische blik. Hij schreef vanaf 1961 de onvergetelijke column ‘Bausünden’ in de Wiener Abendzeitung en
daarna een decennium lang in de Weense krant Die Presse. Daarin leidde hij een dubbelleven als venijnige architectuurcriticus en als experimenteel grafisch woordkunstenaar. Het ene leven resulteerde in 1963 tot een aanstelling als professor geschiedenis van de bouwkunst aan de kunstacademie, het andere in een beurs in de stad achter de muur: Berlijn. Daar ontstonden belangrijke delen van zijn beroemde Quadratroman (1973). De bundel bestaat uit 174 grafische woordexperimenten die elk uiterst precies zijn vormgegeven binnen een vierkant. Ook heden ten dage stimuleren ze nog tot nadenken over zin en zinloosheid.

Hij vertrok uit Berlijn met een nieuwe roepnaam, Frits, en met het idee om in een vierdelig boekwerk alle Oostenrijkse architectuur van de twintigste eeuw vast te leggen. Het werden vijf delen, ondanks dat het niet meer kwam van een deel over Neder-Oosterrijk. Van 1980 tot 2010 werkte hij aan de vijf monumentale  gidsen die ook veel aandacht besteden aan anonieme architectuur. Taalkundig en technisch is het werk van unieke kwaliteit, met humor en intellect maakt het elke stads- en landtocht tot een onvergetelijke ervaring.

Hoogleraar

In 1983 begon Achleitner als hoogleraar architectuurgeschiedenis- en theorie aan de universiteit van toegepaste kunst in Wenen en bleef tot zijn pensioen in  1998. De twee in Oostenrijk invloedrijke critici en publicisten Dietmar Steiner en Matthias Boeckl waren zijn assistenten. Hij onderhield hechte vriendschappen
met architecten als Roland Rainer, Wilhelm Holzbauer, Gustav Peichl, Hans Hollein en Herman, Tsjechische en architectuurcritici als Bruno Reichlin, Bogdan Bogdanović en Vladimír Šlapeta.

Hierdoor groeide Wenen weer uit tot bruisend centrum van het hedendaagse architectuurdebat. In talloze boeken als Die Ware Landschaft (1977) of Region, ein
Konstrukt? Regionalismus, eine Pleite? (1977) wees Achleitner vaak al vroeg op gevaarlijke ontwikkelingen en schrok niet terug zich daarbij onomwonden uit te
drukken. Zijn begrijpelijke taal maakte hem ook goed te begrijpen voor mensen buiten het vakgebied.

Het architectuurcentrum in Wenen zou zonder zijn hulp waarschijnlijk niet hebben voortbestaan: al jaren geleden schonk Achleitner zijn architectonische collectie die onder meer 25.030 indexkaarten, 66.500 negatieven en 37.800 dia’s bevat.

Friedrich Achleitner was bij aanvang van het nieuwe millennium al geruime tijd uitgegroeid tot één van de belangrijkste critici van Oostenrijk. Hij wist onderwerpen als sociale kloven en menselijke zwakheden op zeer gevoelige, maar tegelijk vermakelijke wijze aan te snijden. In 2003 verschenen van de schrijver nog acht publicaties met verhalen. Daarin beschrijft hij ontmoetingen met architecten, politici, maar ook daklozen en passanten zonder enige vorm van kwaadaardigheid, maar met veel humor. Zonder ijdelheid was hij een pleitbezorger voor een meer humane leefomgeving en stad, een intellectuele reus met telkens grote aandacht voor detail en de sporen van voorbije levens.

Daartoe behoorde niet in de minste plaats zijn geliefde, zelf gekocht Turkse percolator die op een open vuur in zijn oude huis stond. Hij bereide graag koffie voor zijn gasten, ondanks dat hij deze zelf niet meer mocht drinken. We zullen zijn warmte missen. Zijn gevatte zinnen kunnen we echter telkens weer opnieuw
ontdekken.

Dit artikel is verschenen in het juninummer van de Architect.

Reageer op dit artikel