artikel

Boekbespreking: Pleidooi voor een behoedzame stedebouw

Architectuur Premium

Richard Sennett behoeft onder architecten nauwelijks introductie. Al sinds de Jaren zeventig schrijft hij over stedelijke thema’s als publieke ruimte, stedelijkheid en stedelijk leven. Zijn boek The Fall of Public Man (1972) is een van de standaardwerken voor wie zich in de stad wil verdiepen. Hij schreef over meer dan de stad: ook de moderne mens, het kapitalisme en het thema ‘respect’ trokken zijn aandacht. Het afgelopen decennia beïnvloedde hij de architectonische discussie opnieuw, met name met zijn pleidooi voor vakmanschap in het boek The Craftsman (2008) en het surplus van samenwerken in het boek Together (2012). Ze zijn deel van een reeks die hij nu afsluit met het boek Building and Dwelling.

Boekbespreking: Pleidooi voor een behoedzame stedebouw

Auteur: Hans Teerds

Dat juist een boek over stedebouw de reeks afsluit, is veelzeggend. Stedebouw, cruciaal in een wereld waarin binnen enkele decennia 75 procent van de bevolking in een stad zal wonnen, is niet iets wat je aan politici en (durf)investeerders kunt overgelaten, noch volledig kunt overlaten aan de zelfredzaamheid van (nieuwe) bewoners. Stad-maken gaat niet zonder reflectief vakmanschap en is tegelijkertijd een gezamenlijke onderneming van stedebouwkundigen, architecten, politici, (durf)investeerders, en (nieuwe) bewoners.

Weinig mensen weten dat Sennett naast zijn activiteiten in het veld van de sociologie (hij is hoogleraar in Londen en New York) ook zelf actief is betrokken (geweest) bij het ontwerp van stedelijke projecten. Al sinds het begin van zijn carrière, toen hij werkte bij het Joint Center of Urban Studies in Cambridge, Massachusetts, is hij bezig met actuele stedelijke vraagstukken in de openbare ruimte en sociale woningbouw, met name in New York. Deze praktische ervaring komt in zijn nieuwste boek van pas, al is het duidelijk dat Sennett zelf op dit terrein vooral het vermogen tot reflectie bezit en minder de vakman is die op praktische wijze allerlei dilemma’s omzet in inspirerende ontwerpen. Het boek heeft als ondertitel Ethics fort he City: het is geen handboek maar een hartstochtelijk pleidooi voor een open stad.

Hoe ontwerpen we een open stad?

De cruciale vraag die gedurende het hele boek op tafel ligt, is ‘hoe ontwerpen we een open stad?’ Meteen op de eerste pagina introduceert Sennett het verschil tussen de Franse woorden ‘Ville’ en ‘Cité’. Het eerste woord staat voor de fysieke stad, het tweede voor het stadsleven. Beide sluiten niet naadloos op elkaar aan, aldus Sennett. De ambitie van de open stad is ze zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen. Open betekent ook: open voor veranderingen en voor toe-eigening door bewoners. Het stadsleven staat nooit stil. De toetssteen van de open stad is de omgang met verschil, stelt Sennett halverwege het boek. Steden worden gekenmerkt door een enorme concentratie bewoners en bezoekers die vreemd zijn voor elkaar. Heeft de ‘Ville’ het vermogen die vreemden samen te brengen, zodanig dat de ‘Cité’ erdoor wordt verrijkt?

Het boek kent een heldere opbouw: het eerste deel verhaalt de geschiedenis van de stedebouw in enkele pennenstreken, ongeveer tot aan het debat tussen Jane Jacobs en Lewis Mumford. Daarna verlegt Sennett zijn aandacht naar de onstuimige groei van steden in Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Dergelijke stedelijke ontwikkelingen staan haaks op het pleidooi van Jacobs voor een bottom-up stedebouw. ‘Slow growth is for rich countries’, tekent Sennett op uit de mond van een van de betrokkenen in Shanghai. Mumfords pleidooi voor een ontwerpgedreven ontwikkeling is meer van toepassing. Kan het concept van de ‘Smart City’ helpen, vraagt Sennett zich af? Wel als de nieuwe technologie een coördinerende functie heeft, niet als het een gebruik voorschrijft. Dat maakt de mens passief, terwijl de open stad de mens juist zal moeten activeren!

Het derde deel gaat in op strategieën om een open stad te creëren. Sennett vraagt aandacht voor poreuze ruimte en zachte grenzen, voor coproductie en coöperatie. Of zoals hij zelf concludeert: ‘The open Ville is full of character, due to its markings, its irregularities and its incomplete structures.’ Sennett begrijpt, zoveel is duidelijk, het belang van ontwerp, maar pleit voor ‘langzame’ stappen in de uitvoering van het ontwerp, waardoor lokaal-specifieke elementen geïntegreerd kunnen worden, veranderingen opgevangen, en toe-eigening door de bewoners mogelijk blijft. Hoe dat vorm kan krijgen in de explosieve groei van de niet-Westerse steden, blijft overigens de vraag.

De ideeën die Sennett naar voren schuift, zijn verre van origineel. Zijn vloeiende pen en de doordachte manier waarop hij voorbeelden beschrijft (waaronder de speeltuinen van Aldo van Eyck), analyseert en met elkaar in verband brengt, maken van het boek echter een lekker leesbaar en zeer stimulerend pleidooi voor een behoedzame stedebouw.

Richard Sennett, Building and Dwelling, Ethics for the City, New York 2018, Farrar, Straus and Giroux, ISBN 978 0 374 20033 6, € 25,99

Reageer op dit artikel