artikel

Boekbespreking: Ornament and Identity door Neutelings Riedijk Architects

Architectuur

Boekbespreking: Ornament and Identity door Neutelings Riedijk Architects

In de nieuwe monografie van Neuteling Riedijk Architecten staat het verband tussen de identiteit van een gebouw en de verschijningsvorm ervan centraal.

door Clairette Gitz

Het boek ordent de omzwerving langs verschillende vormen van expressie van een gebouw en de vraag hoe je deze kunt afstemmen op de beoogde identiteit ervan. De vorige monografie ‘At Work’ licht verschillende aspecten van de ontwerpbenadering van het bureau toe, waaronder ‘Stacking’, ‘Position’ en ‘Scenario’. In ‘Ornament and Identity’ ligt de nadruk volledig op ‘Texture’. Volgens de auteurs “vertelt het karakter van de textuur een verhaal dat de eerste indruk van een gebouw bepaalt”.

Neutelings Riedijk Architects stelt, dat de identiteit van een gebouw wordt gevormd door een combinatie van typologie, openbare ruimte, materiaal en ornament. De verschillen in expressie van de diverse gebouwen komen voort uit de geëigende oplossing voor een specifieke opdracht. De nadruk in het boek ligt op de materialisering en de typologie van een gebouw in relatie tot de uitdrukking ervan. De auteurs vragen zich af of vorm een betekenis kan hebben, of de relatie tussen vorm en betekenis op een universele manier getoond kan worden, en of een relatie bestaat tussen vorm en expressie. En als dat zo is, welke betekenis is overtuigend en komt over bij het publiek?

Neutelings_Riedijk_Dik Nicolai

Michiel Riedijk en Willem Jan Neutelings, beeld Dik Nicolai

Pluralisme

Volgens de Engelse architectuurcriticus Charles Jencks moeten gebouwen een pluralistische taal spreken. Deze taal die het rationele overstijgt, is zowel globaal als lokaal en herstelt de betekenis voor de directe leefomgeving. Maar helaas laat hij niet zien hoe dat die er uit moet gaan zien. Het doel is om een stad te ontwerpen, die uitdrukking geeft aan de veelkleurigheid en diversiteit van de huidige maatschappij.

Volgens de Poolse socioloog Zygmunt Bauman bevinden we ons tegenwoordig in een staat van ‘liquid identity’, omdat we via onze virtuele connecties moeten reageren op de wereld. Maar daarentegen kunnen gebouwen, omdat ze per definitie onverplaatsbaar zijn, dienen als voertuigen voor het collectieve beeld. In dit beeld wordt gemeenschapszin uitgedrukt en laat elke burger zich verbinden. Niet een beladen beeld, maar een nieuw en bijzonder gebouw, zoals ooit de Eiffeltoren, dat nergens bij past en waar je met frisse ogen naar kunt kijken.

Conventie en uitzondering

Bij hun zoektocht gebruiken de auteurs voorbeelden uit de lange traditie van het vak. Er bestaan veel stilzwijgend aanvaarde opvattingen over vorm en betekenis. De invloed van Adolf Loos en zijn tijdgenoten is een keerpunt geweest aangaande de uitdrukking van een gebouw in de stedelijke omgeving. De gevels die hij ontwierp waren streng, zonder ornament of iconografie. Alleen het natuurlijke materiaal gaf uitdrukking aan de gevels.

Neutelings en Riedijk spelen met deze conventies, zowel met bekende organisatieprincipes als herkenbare wijzen van expressie. Zo kan een gevel met een betekenis die gelinkt is aan de stad, ontworpen worden zonder verbinding met de achterliggende concrete, functionele organisatie van het gebouw. Daartegenover wordt wel de vraag gesteld, hoe de gevel uitdrukking kan geven aan wat in het gebouw plaats vindt op typologisch of abstract niveau en hoe daarmee een verbinding met de stad gemaakt kan worden.

Herman Teirlinckgebouw in Brussel door Neutelings Riedijk Architects, beeld Filip Dujardin

Ornament en identiteit

Neutelings Riedijk Architects nodigt kunstenaars uit mee te werken aan het tot stand komen van een ‘Gesamtkunstwerk’. Ze streeft daarbij een synthese na tussen architectuur, sculptuur en literatuur, zoals in het MAS museum in Antwerpen met rondelen die zijn geschreven door Tom Lanoye en zijn gevat in over het museum verspreide medaillons.

De auteurs verwijzen naar 18de eeuwse architecten als Jacques-François Blondel en Étienne-Louis Boullée. Voor deze architecten hoeft een gebouw om herkenbaar te zijn, niet perse te verwijzen naar een bestaande typologie. Hun voorkeur lag bij basale vormen als de cilinder en de kubus. Daarnaast behandelen de auteurs de traditie van ‘l’architecture parlante’, waarbij het gebouw niet het functionele programma laat zien, maar het achterliggende associatieve verhaal. Bij Gottfried Semper komt de expressie van een gebouw voort uit de juiste toepassing van een materiaal (de invulling) en de constructie (de drager).

Het boek is opgedeeld in twaalf hoofdstukken, waarin verschillende wijzen van expressie worden uitgediept, met namen als ‘Letter, Pattern, Filigree, Reliëf’. Elk hoofdstuk bevat projecten, gebouwd en ongebouwd, waarbij wordt ingegaan op de typologie, de openbare ruimte en vooral de manier waarop het ornament is gebruikt in relatie tot materialisering en expressiviteit.

Het is een boeiend boek, niet zo zeer vanwege de architectuurtheorie maar vanwege de betoonde zorgvuldigheid bij het maken van een gebouw. Je komt te weten waarop de keuzes ten aanzien van de functionele programmering, de plaats in de stad of het repeterende detail van een gevel zijn gebaseerd.

Het boek laat zich lezen als een inspirerend ‘plaatjesboek’, maar het loont de moeite je te verdiepen in de beweegredenen van Neutelings Riedijk Architects om het ornament wederom een plaats te geven in de architectuur, ter ondersteuning van de identiteit en het karakter van een gebouw of een stad.

Deze boekbespreking is eveneens verschenen in het septembernummer van de Architect. Wil je deze editie van de Architect graag ontvangen? 

Vul vrijblijvend het aanvraagformulier in >

Lees verder

Reageer op dit artikel