artikel

“Met meer vrijheid kunnen we de stad enorm verrijken” – Een gesprek met rijksbouwmeester Floris Alkemade

Architectuur Premium

“Met meer vrijheid kunnen we de stad enorm verrijken” – Een gesprek met rijksbouwmeester Floris Alkemade

Op de Rotterdamse Architectuur Biënnale confronteert curator en rijksbouwmeester Floris Alkemade de architectengemeenschap met urgente vragen. Hij is van mening dat architectuur te veel wordt gestuurd vanuit louter economische of esthetische aspecten. Architecten zouden de complexiteit van de bouwopgave niet uit de weg moeten gaan, maar juist moeten opzoeken en adresseren. Deze andere cultuur van nadenken, overwegen en ontwerpen dient de beroepsgroep zelf te agenderen.

Tekst Harm Tilman
Beeld Dik Nicolai

Harm Tilman: Je bent een van drie curatoren op de architectuurbiënnale van Rotterdam en Brussel. Jullie spreken onder meer over de missing link tussen wat moet gebeuren aan het klimaatprobleem en de keuzen die je als architect en mens kunt maken. Wat versta je daaronder?

Floris Alkemade: Op het gebied van de verduurzaming weten we wat er moet gebeuren, maar toch gebeurt het niet. De afstand tussen wat we als maatschappij willen en wat we daadwerkelijk doen is groot. Het is mijn vaste overtuiging dat een ontwerpende blik kan helpen deze kloof te dichten. Je gaat immers pas verandering als aantrekkelijk herkennen, als je daarbij ook een aantrekkelijk beeld hebt waarin je je eigen positie en mogelijkheden herkent ten opzichte van de grote abstracte vragen. Zolang je daar niet over beschikt, dient de noodzaak om te veranderen zich vooral aan als een dreigend verlies.

Floris Alkemade Rijksbouwmeester september magazine de Architect 2018. Beeld: Dik Nicolai

Beeld: Dik Nicolai

Is dat waar architectuur volgens jou over gaat?

Architectuur houdt zich bezig met het organiseren van verandering. In het licht van de klimaatadaptatie betreft het veranderingen in andere domeinen, op andere schaalniveaus en met andere vraagstellingen, maar het ontwerp en de verbeeldingskracht kunnen hier wel degelijk een bepalende rol in spelen.

Betekent dit dat het vak zelf ook moet veranderen?

Dat denk ik wel. Het vak gaat over het maken van goede gebouwen, maar dit palet aan nieuwe vragen maken het vak breder, interessanter en meer relevant. Hopelijk leidt dit tot verrassende wendingen.

Aan welke denk je?

Als beroepsgroep is de architectuur te veel geassimileerd geraakt met het marktdenken. En daarbinnen is ze teruggebracht tot een hele smalle discussie over mooi of lelijk. Maatschappelijke vragen worden weliswaar gemakkelijk beleden, maar de reikwijdte daarvan is zo minimaal dat het niet geloofwaardig te noemen is. Het zal verder moeten gaan. We moeten de complexiteit niet uit de weg gaan, maar juist opzoeken en adresseren. De vraag die wij ons op de IABR stellen is: kunnen we deze grote abstracte vragen in een utopie verwoorden waaruit de naïviteit verdwenen is.

Je confronteert de architectengemeenschap met een groot aantal dringende vragen. De overheid heeft zich echter voor een groot deel teruggetrokken en de markt pakt ze lang niet altijd op.

Ik vind dat we moeten inzetten op een andere cultuur van nadenken, overwegen en ontwerpen. Als die cultuur niet ontstaat omdat noch markt noch overheid daarvoor voldoende slagkracht ontwikkelt, dan moeten we haar als beroepsgroep zelf agenderen. Dat laatste kan een enorme stuwende veranderingskracht teweegbrengen. Er is geen enkele reden om onze ontwerpende rol als niet ter zake af te doen of om ons over te geven aan cynisch pessimisme. De weg naar voren is echter een lastige, omdat in dit uitzonderlijk complexe veld naïviteit bijna niet te vermijden is.

Op dit moment maken we een omwenteling mee, gestuurd door de focus op verduurzaming. Op de tentoonstelling ‘The Missing Link’ stellen we de vraag welke rol het architectonische denken daarbij kan vervullen, dus ook welke beeldtaal of esthetiek daarbij kan helpen. Het goede nieuws is dat iedereen die betrokken is bij productieprocessen, doordrongen lijkt te zijn van het inzicht dat het anders moet. Iedereen probeert het goede te doen, maar nog zonder te weten wat echt hout snijdt. Deze mengeling van wilskracht en onmacht is behoorlijk interessant. Als curatoren vragen we ons daarbij af of wat we nu doen genoeg is. Waarschijnlijk zitten er andere, meer fundamentele veranderingen aan vast die we ook moeten adresseren.

Onze uitzinnig luxe levenswijze brengt een keten van veranderingen met zich mee. Dat zie je scherp terug in de klimaatverandering. Het meest waarschijnlijke scenario, als we niet snel verregaande aanpassingen doorvoeren, gaat nu uit van een temperatuurstijging van drie graden, terwijl anderhalve graad al rampspoed inluidt. Zoals het nu gaat, bereiken we die anderhalve graad temperatuurstijging al in 2040. De vraag is of we met alle kennis en inzichten die we hebben, in staat zijn dit te veranderen. Als het ons in Nederland en België als rijke en goed opgeleide landen niet lukt om dat te doen, lukt het niemand. Die voorbeeldfunctie is daarmee onze verantwoordelijkheid.

Floris Alkemade Rijksbouwmeester september magazine de Architect 2018. Beeld: Dik Nicolai

Beeld: Dik Nicolai

Dromen zijn niet zonder verantwoordelijkheden. Hoe zou jij deze omschrijven?

Als je de wereld wilt veranderen, dan heb je een blik op de wereld nodig zonder verzachtende omstandigheden. Je wilt de echte wereld zien. Op de tentoonstelling confronteren we de foto die Henk Wildschut heeft gemaakt van een kinderboerderij met die van een industriële kippenboerderij. De knuffelgeiten zijn de veelvuldig gebruikte achtergrond voor selfies, maar om verder te komen zouden we juist oog moeten hebben voor de kippen. We rekenen ons veel te gemakkelijk tot het goede kamp, simpelweg omdat we het goede willen. We hebben een andere achtergrond voor onze selfies nodig.

Als veranderingen te langzaam of te snel gaan, zie je ze niet. Veranderingen zijn zeker niet altijd negatief, wat je ziet als je naar de afname van extreme armoede, honger en kindersterfte kijkt. Maar onze verspilling en niet circulaire productieprincipes die we met een veel kleinere wereldbevolking nog als bijzaak konden beschouwen, zijn nu allesbepalende hoofdzaak geworden. De nodige gedragsverandering is niet alleen een technische kwestie, maar ook nadrukkelijk een van solidariteit. De vraag hoe je die organiseert, is in de eerste plaats een politieke aangelegenheid maar uiteindelijk zijn maatschappelijke vragen ook ontwerpvragen. Het gaat over het omzetten van een cultuur en ontwerpers zijn daar onderdeel van.

In de architectuur en stedebouw is lange tijd gedacht in termen als wonen, werken, enzovoort. Jullie kiezen voor geheel andere thema’s.

Op het moment dat zaken te complex worden, hebben mensen de neiging deelgebieden eruit te pakken die ze kunnen beheersen. Het onderscheid tussen wonen, werken recreëren is daar een voorbeeld van. Maar als je het totale beeld uit het oog verliest, wordt de oplossing van het één bijna altijd het probleem voor het ander. Wij proberen de complexiteit daarom niet te vermijden maar te omhelzen en te cultiveren. In de prijsvraag Who Cares was de vraag op welke manier onze woonomgeving het beste kan worden vernieuwd. We hebben deze gecombineerd met de minstens zo complexe vraag hoe de zorg aan het veranderen is. Je ziet dan dat vanzelfsprekendheden verdwijnen en onwaarschijnlijkheden plotseling zeggingskracht krijgen. Door architecten in een team te laten samenwerken met mensen uit de zorg, kwam in beeld wat anders onzichtbaar blijft. Die verassing zoeken we op.

In de jaren negentig van de vorige eeuw werd berekend dat in dertig jaar een miljoen woningen moesten worden gebouwd. Dat leidde tot de bouw van Vinex-wijken aan de rand van een stad. Is het nu weer zo eenvoudig?

De urgentie van de huidige bouwopgave is geen excuus om weer rücksichtslos open gebieden vol te bouwen. Die nieuwe woningen moeten nu worden gebruikt om de noodzakelijke cultuuromslag vorm te geven. Hetzelfde geldt voor de zonnepanelenweiden. De urgentie van het energievraagstuk mag niet betekenen dat je landschappelijke kwaliteiten dan maar als ondergeschikt beschouwd. Juist vanuit de urgentie moet je esthetische vormgevingsprincipes naar boven halen. Want als je dat niet doet en je gaat ontwikkelingen in gang zetten waaronder allerlei essentiële kwaliteiten lijden, loop je meteen weer vast.

Wat betreft die miljoen woningen die nu vaak als doelstelling genoemd worden, ik ben ervan overtuigd dat we die in bestaand stedelijk gebied kunnen realiseren. Uiteraard is dat moeilijker dan in een weiland, maar we beschikken over de kennis, het talent en de organisatiegraad om het in het bestaande bebouwd gebied te doen. Het is lastig, want het vraagt meer ontwerpkracht, samenwerking en politieke daadkracht. Maar dat is geen reden om het niet te doen. De huidige urgentie is een krachtige motor die prachtig ingezet kan worden voor een cultuuromslag en in geen geval een excuus om essentiële kwaliteiten vrij te geven en los te laten.

Het gevaar is immers dat je landschappen en open gebieden gaat aantasten die een basiskwaliteit van Nederland vormen. Juist omdat we hier zo’n open stelsel van steden, stadjes en dorpen hebben, is de openheid van de tussenruimten essentieel. Op dit moment consumeren we acht hectare open ruimte per dag. Ik moet er niet aan denken dat de nieuwbouw ertoe leidt dat dit in een overtreffende trap verdergaat.

Als we het omkeren, realiseren we niet alleen woningen in bestaand stedelijk gebied, maar zorgen we ook voor een opwaardering van de bestaande stad. Dat laatste is minstens zo hard nodig. Er is niet alleen urgentie om woningen nieuw te bouwen, maar evenzeer om bestaande woonomgevingen te verbeteren. Dat heeft niet alleen met de veroudering van de voorraad te maken, maar ook met thema’s als vereenzaming, vergrijzing en veranderende zorg. Als we dat laatste vergeten en slechts de urgentie van nieuwbouw benoemen, werken we onszelf gigantisch in de nesten.

Floris Alkemade Rijksbouwmeester september magazine de Architect 2018. Beeld: Dik Nicolai

Beeld: Dik Nicolai

Hoe kunnen we het traditionele ontwikkelingsmodel omkeren?

Door te beseffen dat je door te verdichten en transformeren steden echt kunt verbeteren en interessanter kunt maken. Ik heb het idee dat onze levens onnodig saai zijn. Iedereen waardeert de historische binnensteden, maar dat komt mede omdat daaraan generatie na generatie is gewerkt en gesleuteld. Bijna al onze huidige woonwijken zijn in één keer neergezet en die hebben er profijt van als daaraan een nieuwe bewerkingslaag wordt toegevoegd. Met wisselende inzet van vrijheden kun je de monocultuur in deze wijken doorbreken of meer betekenis geven.

Dat besef kan doorbreken als wij zorgen voor goede voorbeelden. Dat zie je nu bijvoorbeeld gebeuren in Amsterdam waar de druk op het centrum immens groot is en iedereen naar de rand van de stad gedwongen wordt. De stedelijke dynamiek die zich nu plotseling richt op wijken rond het centrum, transformeert die volledig. Ze krijgen daardoor kwaliteiten die je daar vroeger in het geheel niet kon bevroeden.

Een dergelijk transformatieproces kun je over geheel Nederland uitrollen, met verschillende vormen, modellen, dichtdeden en culturen. Onze krimpgebieden lenen zich niet voor groei maar wel degelijk voor transformatie. Dat leidt tot een leukere bouwcultuur die een beroep doet op andere vormen van inventiviteit en een interessantere maatschappelijke ontwikkeling. Vergrijzing wordt bijvoorbeeld voortdurend benoemd als een op te lossen probleem, terwijl het feitelijk een luxe is dat we er een hele levensfase bij krijgen. De aandacht gaat uit naar de complexiteit en zorg van het laatste halve levensjaar, maar ik wil het hebben over die tien tot vijftien jaar daarvoor. We hebben een goed opgeleide bevolking, met heel veel ervaring, die plotseling alle tijd van de wereld heeft. Hoe ga je die inzetten? We moeten het niet alleen over de zorg voor ouderen hebben maar ook over de ontwikkelingsmogelijkheden van deze groep. Je zult de steden zo moeten inrichten dat je de enorme potentie kunt aanboren, die verscholen zit in deze bevolkingslaag.

Door de crisis is het bottom-up ontwikkelen vanuit de buurt sterk geworden. Nu de economie aantrekt en de opgave weer groot wordt geformuleerd, wordt dat door velen gezien als aanleiding voor verstedelijking in het groen. In de stad zou het gewoon niet lukken, wordt gezegd. Is ‘bigness’ binnen de stad mogelijk?

‘Bigness’ in de stad kun je niet alleen door middel van bottom-up projecten realiseren. Daar is een grote mate van organisatie voor nodig, maar daarvoor kun je ontwerpers prima inzetten. Wat mij fascineert, is de samenwerking van ontwerpers met totaal andere disciplines. In Who Cares werkten we met teams van architecten en zorgverleners. In Brood en Spelen met teams van architecten met boeren en grondeigenaren. Hoe bottom-up echter ook, ontwerpen blijft een vak, die laag moet je er nooit uithalen. Als je dat goed organiseert, liggen zowel ‘bigness’ als ‘smallness’ binnen handbereik.

Er is ook een economisch belang. In een weiland kun je sneller en goedkoper bouwen, totdat je je realiseert dat je extra wegen moet aanleggen, nieuwe leidingen moet trekken en extra files veroorzaakt. Als je al die effecten bij elkaar optelt, is het niet vanzelfsprekend goedkoper maar op een aantal punten veel duurder. Met buiten bouwen dien je in feite vooral grondposities die daar door bouwers en ontwikkelaars zijn opgebouwd. Dat is een te smal belang, daarom is het van groot belang dat ook architecten een positie innemen en een verhaal hebben dat verdergaat dan alleen het bedienen van de markt.

Waar zie je de vernieuwing optreden?

In de afgelopen crisis verloor in vijf jaar tijd meer dan de helft van de mensen in de architectenbureaus hun baan. In dezelfde tijd is het aantal bureaus verdubbeld. Het betekent dat het middensegment is geërodeerd. Naast enkele grote bureaus die wereldwijd opereren, zich goed organiseren en juridisch sterk staan, heb je veel kleine bureaus waar hooguit een tot twee mensen werken. Ik ben benieuwd waar de vernieuwing vandaan gaat komen.

De tragiek van een succesvol bureau is de voortdurende dreiging van een regressieve tolerantie. Toen niemand van OMA hield, waren we tot het uiterste gedreven de projecten tot onder de stoeptegels vandaan te trekken. Toen ik na achttien jaar bij OMA vertrok, was dat misschien vooral omdat ik het gevoel had dat de projecten te gemakkelijk binnenkwamen. Je ziet dan een gemakzucht binnensluipen. Je hebt succes dat een kritiekloze vorm van nieuw succes oproept; uiteindelijk is dat een ‘kiss of death’.

Ik verwacht veel van de mensen die nu een moeilijk bestaan leiden en die vandaaruit tot nieuwe ontwikkelingen gedwongen worden. Maar ook van mensen die andere domeinen binnen het werkveld weten te trekken zoals Nanne de Ru, van wie ik hoge verwachtingen heb. Niet meer wachten tot de telefoon gaat, maar zelf ontwikkelen. Interessant is dat hij kansen herkent en weet te benutten die de klassieke ontwikkelaarswereld niet ziet. Dat ondernemende zouden meer architecten zich eigen moeten maken, omdat daarmee het verlammende juk van onderdanigheid afgeworpen kan worden. Ik ben kortom benieuwd naar architecten die creativiteit in marktmechanismen weten te brengen en daar vanuit andere doelstellingen het heft in handen nemen.

Uiteindelijk is de oogst van de crisis misschien een sterkere beroepsgroep, maar zeker is dat nog allerminst. De kans is immers groot dat de grote bomen van de steeds groter wordende bureaus te weinig licht doorlaten voor nog een tweede laag met een rijke biodiversiteit.

In de jaren negentig had je een interessant debat over wat we in en buiten de stad gingen doen. Zou je zo’n debat nu ook weer niet moeten houden?

De grote vragen van deze tijd gaan over de verduurzaming van de voedselproductie en de energieopwekking. Dat zijn typische plattelandsvragen die we in de steden niet kunnen oplossen. Het platteland is aan zet. Ik vermoed dat daar een groter zelfbewustzijn van het platteland uit zal ontstaan.

Ook in de vergrijzing speelt het platteland een pioniersrol. Al die ouderen op het platteland kun je, denk ik, ook lezen als een duidelijke indicatie dat wijsheid inderdaad met de jaren komt. Prachtig hoe in Nederland stad en land naast elkaar bestaan en complementair zijn als je het over de kwaliteit van leven hebt. Tegelijkertijd is ook de voedselproductie op het platteland een essentieel onderdeel van onze cultuur. Het feit dat wij als eerste generatie beschikken over voedsel dat altijd beschikbaar, betaalbaar en veilig is, wordt als vanzelfsprekend aangenomen, maar is dat allerminst.

Floris Alkemade Rijksbouwmeester september magazine de Architect 2018. Beeld: Dik Nicolai

Beeld: Dik Nicolai

Wat me ook interesseert is de vraag hoe het energievraagstuk de woningbouw gaat beïnvloeden.

Nieuwbouwwoningen kun je vrij eenvoudig energieneutraal maken. Met iets meer moeite lukt dat ook bij de bestaande woningvoorraad. Iedere drie jaar halveert de prijs van energie die wordt geleverd door zonnepanelen. Ook de windmolenparken op zee ontwikkelen zich goed. Ons advies is dat je eerst moet beginnen met de beschikbare daken en daar regie op moet voeren. Wat je moet voorkomen, is dat je nu vanuit een gevoel van urgentie de gemakkelijkste weg kiest en goede landbouwgrond vol gaat leggen met zonnepanelen. Dat is desastreus voor ons landschap en onze landbouw.

Gaat de woningbouw veranderen in een gasloze toekomst?

Nieuwbouwwoningen gaan inderdaad nu snel van het gas af, maar ik verwacht ook ideologische veranderingen vanuit maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het feit dat we naar veertig procent eenpersoonshuishoudens toegroeien. Dat zal leiden tot typologische veranderingen omdat mensen niet alleen steeds anoniemer willen leven, maar in deze context het ook aantrekkelijk gaan vinden om allerlei zaken te gaan delen, zoals gezamenlijke eetruimten of gedeelde voorzieningen als zwembaden maar ook zaken als het gezamenlijk inkopen van zorg.

In ‘Home Away from Home’ hebben we nagedacht over lichtere en flexibelere vormen van woningbouw. Je ziet dit voor een deel terug in de ‘tiny houses’, maar er zijn ook veel stedelijkere varianten voor te ontwikkelen. Ik ben er absoluut voor dat de differentiatie van woningen veel groter en rijker wordt. We hebben in Nederland nog steeds veel leegstand die allerlei mogelijkheden biedt voor transformaties in eigen beheer. Met ‘Baugruppen’ kun je daar een eind komen. Heel veel mensen kunnen wonen in dergelijke omgevingen waarbij de zeggenschap over de aard van je eigen woning veel groter wordt. Juist in onze tijd heeft het iets moois om aan je eigen woning te bouwen. Met meer vrijheid kunnen we de stad enorm verrijken.

Dit artikel verschijnt in de septembereditie van de Architect

Reageer op dit artikel