artikel

Bouwen om te wónen – Coöperatief bouwen in Nederland anno 2018

Architectuur

Bouwen om te wónen – Coöperatief bouwen in Nederland anno 2018
Ruimtelijkheid door het delen van collectieve voorzieningen. Entreehal met bibliotheek Genossenschaft Kalkbreite in Zürich. Andere collectieve ruimten zijn een wassalon, kantoorwerkplekken en een pension met elf kamers.

Voor professionele partijen en gemeenten zijn economische factoren dominant bij het ontwikkelen en bouwen van woningen. Ook voor particulieren is het bezitten en vervolgens verkopen van woningen pure winst, als je tenminste op het juiste paard hebt gewed. Fijn voor de enkeling, maar de maatschappelijke gevolgen zijn niet mals. Coöperaties bieden een alternatief voor deze wedloop met het geld, nu ook in Nederland.

Auteur Andrea Prins

In de crisis van de afgelopen tien jaar was het opmerkelijk stil rondom het thema woningbouw. Kleinschalige initiatieven kregen kansen, met de opkomst van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap, zelfbouw en kluswoningen. Anno 2018 staat de woningbouw weer volop in de belangstelling, aangejaagd door de toenemende populariteit van het wonen in de stad. De superlatieven stapelen zich op. Meer, groter, sneller, nog méér. Creëren we nu de échte crisis door kwaliteit te verwaarlozen en betaalbaarheid en sociale duurzaamheid in te ruilen voor korte-termijn winst? Gelukkig heeft een crisis een dubbele betekenis: niet alleen “ernstige stoornis” maar ook “beslissende ommekeer” (1). Wooncoöperaties kunnen met hun innovatieve concepten bijdragen aan zo’n kentering. Ze onttrekken woningen aan speculatie, functioneren via participatie van hun leden en experimenteren met het wonen zelf.

Kalkbreite_Plattegrond_2-septembernummer 2018 Andrea Prins

De gelijkwaardig afgewerkte woningen maken een latere woningruil mogelijk. Genossenschaft Kalkbreite

In 1984 woonde ik als studente in Berlijn samen met vrienden. Ieder van ons had een eigen werk-slaap-kamer, vaak met een hoogslaper, en de rest van de woning gebruikten we samen: het toilet, de keuken en de ruime gang. Wie wel eens in een Berlijnse Altbauwohnung is geweest, weet waarover ik het heb. De gang was voldoende breed om aan de ene zijde een wandrek van houtplanken te bouwen. Dat werd onze kledingkast. Door de plafondhoogte van 4.20 meter konden zelden gebruikte spullen hoog worden opgeborgen. In de keuken werd gegeten, gedronken en gediscussieerd. Een badkamer was er niet. Zeker in vergelijking met de huidige woonstandaards was het spartaans te noemen. Maar doordat we de gang op een inventieve manier deelden, maakte een kleinere privékamer niet zo veel uit. Door collectief ruimtegebruik was het wonen goedkoper en voelde het toch ruim aan.

Begin maart van dit jaar kwamen ruim honderd geïnteresseerden in Rotterdam naar de eerste informatiebijeenkomst van de Stichting Het Hollands Woongenootschap. Bouwen om te wónen, niet om winst te maken, is de visie van de initiatiefnemers. Dat vraagt om een andere projectontwikkeling, een andere exploitatie én om ander gebruik. Iedereen moet dus om-denken, en niet een beetje ook. Deze visie blijkt vooral mensen tussen de 25 en 35 jaar aan te spreken, plus een paar 45-plussers. De leeftijdsopbouw van het publiek is niet toevallig: het Genootschap richt zich op families met kinderen die betaalbare, comfortabele en binnenstedelijke woonruimte zoeken. Door het delen van niet-dagelijks nodige voorzieningen als wasruimten, logeerkamers en fietsbergingen worden de woningen zelf kleiner en dus goedkoper. Hoe de collectiviteit er concreet uit ziet, beslissen de leden in een latere fase met elkaar.

Wagnsart in Munchen

In WagnisART in München door Bogevischs buero architekten & stadtplaner zijn de woningen tussen 35 en 400 m2 groot. De 58 clusterappartementen beslaan meer dan 30% van het woonoppervlakte. Ook zijn een aantal meer-generatiewoningen in het project opgenomen.

Burgers verenigt u

Coöperaties zijn in Nederland een minder bekend verschijnsel. Een korte speurtocht leert dat een ‘Genossenschaft’, een vereniging van personen met gedeelde belangen, al in de middeleeuwen voorkomt. Rond 1860 krijgt het begrip in Duitsland een socialistische bijsmaak: voor de politicus Ferdinand Lasalle zijn coöperaties één vehikel om de belangen van arbeiders door te zetten. De naoorlogse Wohnungsbaugenossenschaften hebben een sociale agenda: ze voorzien in betaalbare woningen. In Nederland zijn wooncoöperaties historisch gezien initiatieven van gegoede burgers voor eigen belang. Dit in tegenstelling tot wooncorporaties welke ontstonden als burgerlijk initiatief tegen de schijnende woonsituatie van ánderen.

Corporaties ontwikkelen zich na de invoering van de Woningwet in 1901 tot krachtige en kundige woningbouwers voor brede bevolkingslagen. Door dit succesverhaal is de coöperatieve zelforganisatie bijna geheel naar de achtergrond gedrongen. Een uitzondering vormt de Amsterdamsche Coöperatieve Woningvereeniging ”Samenwerking” die sinds 1908 actief is. Nu corporaties weer herinnerd worden aan hun sociale opgave – het bouwen voor mensen met smalle beurzen – en gemeenten blijven woekeren met hun grondbezit, is de situatie opnieuw gewijzigd. De wooncoöperatie als participatieve, non-profit organisatievorm wint aan populariteit. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat Nederlandse wooncoöperaties opkomen zodra zowel de overheid als de markt niet meer voorzien in de woonbehoeften van zelfbewuste middengroepen.

Rechtvaardige verdeling van de woonruimte

De huidige wooncoöperaties volgen Zwitserse, Oostenrijkse en Duitse voorbeelden. De particuliere financiële bijdrage bestaat uit een inleg waarmee je lid wordt, het kopen van aandelen na ratio van het woonoppervlak en een periodieke huur. Coöperaties bieden wonen tussen koop en huur in. Om speculatie te voorkomen, wordt in de statuten uitsluitend zelfbewoning toegestaan. Woningen en grond mogen niet worden verkocht. Als je wilt verhuizen, koopt de coöperatie de aandelen terug. Op verdere economische aspecten zoals bijvoorbeeld financiering via maatschappelijk betrokken ondernemingen ga ik hier niet in, net zomin als op de moeilijkheden waarop coöperaties stuiten om binnenstedelijke bouwgrond te verwerven.

De bezetting van het bestuur van Het Hollands Woongenootschap is met onder andere een jurist en een vakman in beleggingen professioneel te noemen, en de regie is strak. Bij het verdelen van de woningen wordt de formule “aantal kamers = bewoners + 1” gehanteerd. Als na verloop van tijd de verhouding bewoners / aantal kamers niet meer klopt, wordt je gevraagd mee te werken aan verhuizing binnen de coöperatie. Om gelijkwaardigheid van de woningen te garanderen, worden alle woningen compleet afgewerkt opgeleverd. Soortgelijke beginselen zijn alles behalve ongebruikelijk in huidige Genossenschaften, al zijn ze daar het resultaat van langdurige participatieprocessen. Dit tijd- en energieverlies is het bestuur van Het Woongenootschap voor. De beginselen hebben een helder doel: een rechtvaardige verdeling van de woningen. Ze kunnen wel worden gewijzigd, maar alleen in een ledenvergadering met hoge opkomst én met een grote meerderheid (2).

Solidair samenleven

Anders dan Stichting Het Hollands Woongenootschap richt architect Anke Zeinstra (Van der Waals/Zeinstra Architecten) zich op ouderen. Ze is als adviseur betrokken bij drie pilotprojecten in Amsterdam. Uitgangspunt is coöperatief bouwen en wonen waarbij ouderen het heft in handen nemen én verschillende inkomensgroepen samenleven. Om sociale huurwoningen te kunnen realiseren, wordt in het project Villa des Roses samengewerkt met een corporatie. De gemeenschappelijk gebruikte ruimten zijn voor alle inkomensgroepen toegankelijk. De vraag naar een solidaire woonvorm waarbij ouderen niet vereenzamen komt vanuit de buurt zelf, aldus Zeinstra (3).

In Leuven is door de Leuvense architectuurvereniging Stad en Architectuur op basis van een eerdere expositie in het architectuurmuseum van de TU München de tentoonstelling ‘Bouwen aan samenwonen’ ingericht. Deze expositie laat collectieve woonprojecten in Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland en België zien (4). Meerdere coöperaties zijn hierin vertegenwoordigd. In het Wohnprojekt Wien is een solidariteitsfonds opgericht zodat mensen zonder eigen aandelen mee kunnen doen. Leden van L’Echappée in Brussel geven onderhandse leningen aan diegenen die niet over voldoende kapitaal beschikken. Ook Kraftwerk 1 Hardturm in Zürich heeft een solidariteitsfonds waardoor de huur voor geringe inkomens lager is. Zou dit ook in Nederland lukken?

Experimenteren met het wonen zelf …

“Je thema is ‘Bouwen om te wónen (niet om winst te maken)’”, mailt de hoofdredacteur van dit tijdschrift na het lezen van de eerste versie van dit essay, “maar uiteindelijk gaat het toch weer hoofdzakelijk over economie, zij het op een andere manier.” Hij heeft gelijk. Ik ben volledig meegegaan met de tijdsgeest, realiseer ik me. In het Duits bestaat hiervoor het mooie woord ‘Verinnerlichung’. Alsof rechtvaardigheid en solidariteit alleen in termen van vierkante meters en euro’s kunnen worden beschreven. Terug dus naar het uitgangspunt en de vraag hoe in huidige Wohnungsbaugenossenschaften wordt gewoond.

Ik kijk naar drie Genossenschaften. Alle projecten liggen op slechts enkele kilometers afstand van de oude stadscentra in recentelijk geherstructureerde gebieden. Hunziker Areal ligt ten noorden van Zürich, WagnisART in München op circa 500 meter afstand van de uitgestrekte parkzone Englischer Garten en Woonprojekt Wien nabij de Donau.

Deze Genossenschaften nemen het feit serieus dat een groeiend aantal mensen niet meer in een kerngezin leeft, maar alleen, als stel of in een eenoudergezin. Ook erkennen ze dat een andere kamerconfiguratie dan de gebruikelijke (woonkamer – grotere slaapkamer – één of meer kleine slaapkamers – keuken – badkamer) beter aansluit bij huidige leefstijlen. Bij het project Hunziker Areal in Zürich zijn minimale studio’s met badkamer maar zonder keuken gerealiseerd. Het aanrecht staat in de ene woon-werk-slaapruimte; de woning is geschikt voor alleenstaanden of stellen die bewust klein willen wonen.

Vele gezinswoningen binnen het Hunziker Areal hebben gelijkwaardige slaapkamers, waardoor het automatisme ‘mooie grote slaapkamer is ouderslaapkamer’ wegvalt. Daardoor zijn ze voor zowel eenouder- als voor kerngezinnen interessant: je kunt kiezen wie waar gaat slapen, spelen of werken. Het project heeft aparte kamers voor (nagenoeg) volwassen kinderen of oudere familieleden, mensen die zelfstandig willen wonen maar dat toch in gezinsverband willen doen: een variabele vorm van meer-generatie-wonen. Hunziker Areal biedt op deze manier ruimte voor experimentele en beproefde vormen van (gezins)wonen. De diverse woonvormen zijn een weerspiegeling van de huidige pluriforme maatschappelijke realiteit.

In WagnisART te München wordt ánders samengewoond dan in familieverband. Zogenoemde clusterwoningen maken 30% van het totale woonoppervlak uit. Deze woningen bestaan uit meerdere een- of tweekamerappartementen met elk een badkamer en kitchenette. De appartementen liggen aan een gezamenlijke ruimte: een grote keuken met eetkamer en een royale woon-leef-ruimte. Bewoners hebben de keuze tussen privé- en gezamenlijk wonen. Met deze woonvorm reageert WagnisART op isolement en vereenzaming als gevolg van maatschappelijke veranderingen.

Het Hunziker Areal kent nog grotere woongemeenschappen. Een typologie binnen dit project telt zeven verschillende, grote appartementen voor singles, stellen en gezinnen rond diverse gemeenschappelijke ruimten, alles achter één voordeur. Een appartement in een clusterwoningen of woongemeenschap is ook interessant voor iets oudere mensen, zeker als na vertrek van de kinderen hun eigen leefwereld eenzijdiger gaat worden.

essay septembernummer

In Wohnprojekt Wien door einszueins Architektur zijn verschillende generaties, talen, culturen en beroepen samen onder één dak gebracht. De gemeenschappelijke ruimten, waaronder de keuken, de multifunctionele zaal, werkplaatsen, muziekkamer, sauna, bibliotheek, daktuin en gastenverblijf zijn over het gehele project verspreid.

… en met een andere maatschappijvisie

Wat betekenen waarden als liberté, égalité, fraternité in een Europa waarin vrijheid gelijk lijkt te staan met ongebreidelde winst en groeiende ongelijkheid? Wat betekenen broederschap en solidariteit? Of, zoals journalist Bas Mesters formuleert: “Wie is ‘wij’?” In zijn artikelserie in De Groene Amsterdammer onderzoekt hij de hernieuwde behoefte van Europeanen aan gezamenlijkheid en het nemen van verantwoording voor een grotere groep dan de nauwste familie- of vriendenkring. Deel drie van zijn serie gaat over Berlijn(5). Mesters is gefascineerd door de Möckernkiez Genossenschaft. Deze groep mensen besloot tien jaar geleden om niet langer toe te kijken hoe investeerders met de stad omsprongen maar om in actie te komen. Ze begon sociale idealen om te zetten in concrete bouwprojecten. Dit past volgens Mesters naadloos in de denkwereld van het ‘Convivalistische manifest’. In deze tekst formuleren Franse denkers in 2013 een visie op een ander maatschappijmodel waarin “geven in plaats van het neoliberale nemen de motor is”.

Het verlangen naar een gemeenschap en de wil om de verantwoording voor een groter geheel te dragen, staan centraal bij alle Genossenschaften. Concreet betekent dit dat ze een keur aan gemeenschappelijke en sociale ruimten binnen hun projecten realiseren: gezamenlijke keukens, een muziekkamer, sauna en bibliotheek, daktuinen en gastenverblijven (Woonprojekt Wien) en sociaalpedagogisch beheerde woongroepen (Hunziker Areal). Ecologisch bouwen hebben ze alle hoog in het vaandel staan. Ze stimuleren doelbewust interacties met de wijk. Niet-commerciële vergaderruimten en zalen (Hunziker Areal en Woonprojekt Wien) en commerciële functies zoals eetcafé, kantoren, werkplaatsen en studio’s (Woonprojekt Wien) zijn vooral voor de omliggende buurt bestemd.

Genossenschaften bouwen om ánders te wonen: pluriformer en solidair. Ook gaan ze uit van financiële solidariteit. Tijdens de informatieavond van Het Hollands Woongenootschap komen veel vragen uit de zaal over de belastingaftrek, het rendement in vergelijking met een koopwoning en de indicering van de inleg. Het is toch weer iedereen voor zich. Duidelijk is dat de essentie van het idee ‘coöperatie’ – gezamenlijke verantwoording – nog niet overal is doorgedrongen. Dat is ook de teneur van de antwoorden die het bestuur geeft. Coöperaties als initiatief van middengroepen zijn een stap in de goede richting. Maar er valt nog veel uit te leggen.

Noten

1.Sijs, N. van der (samensteller), Etymologiebank, 2010, op: http://etymologiebank.nl/, lemma “crisis”.

2.Toelichting door bestuurslid Arie Lengkeek per mail d.d. 16 juni 2018.

3. Toelichting door Anke Zeinstra per telefoon d.d.13 juni 2018.

4.Stad en Architectuur, Leuven, tentoonstelling Bouwen aan samenwonen, zie: https://www.stadenarchitectuur.be/#/nl/artikel/1/473; en document “Projectfiches” over de tentoongestelde projecten, ontvangen per mail d.d. 14 mei 2018

5.Mesters, B., Wij zijn verder dan de stad. De broederschapsrevolutie of: wie is wij?, deel 3 Berlijn. In: De Groene Amsterdammer, 15 januari 2018, blz. 28 ev.

 

Verder lezen

Amsterdamsche Coöperatieve Woningvereeniging ”Samenwerking”

– Bau- und Wohngenossenschaft Kraftwerk 1 Hardturm, Zürich

– Het Rotterdams Woongenootschap

L’Echappée Bruxelles

– Hunziker Areal, Zürich

– Möckernkiez Genossenschaft, Berlijn

– Van der Waals/Zeintra Architeketen, zie samenvatting van de onderzoeksvraag en informatie over Villa des Roses

– WagnisART, München

– Wohnprojekt Wien

Een deel van deze tekst is gebaseerd op lopend onderzoek naar woonconventies. Dit onderzoek met de werktitel ‘Gezellig Alleen’ is mede mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds.

Dit artikel is verschenen in de Architect, september 2018

Reageer op dit artikel