artikel

“Een opdrachtgever krijgt van ons waar hij om vraagt maar niet wat hij verwacht”

Architectuur

Interview met Willem Jan Neutelings en Michiel Riedijk – Voor Neutelings Riedijk Architecten is het belangrijk dat een nieuw project de directe vraag van de opdrachtgever overstijgt en een maatschappelijke meerwaarde meebrengt. Daarbij is altijd sprake van een verbinding met de omgeving; met een gebouw verbeter je de stad ook, als het goed is. Zo is voor een kantoor voor de Vlaamse overheid een publieke passage ontworpen die je kunt beschouwen als een verlengstuk van de stad. Het bureau schreef onlangs een boek over het ornament. Hoe kun je tegenwoordig met materialen, patronen en elementen expressie geven aan gebouwen?

Tekst Harm Tilman
Beeld Dik Nicolai

Een vraag die mij de laatste tijd bezighoudt, is waar we het over hebben als we het over architectuur hebben. Waarin onderscheidt de architectonische praktijk zich volgens jullie van andere praktijken in de bouw?
Architectuur gaat over wat een architect doet: het maken van gebouwen waar mensen wat aan hebben. Voor ons betekent dit dat we het programma van de opdrachtgever vertalen in een ruimtelijk stelsel dat een meerwaarde heeft. Voor ons is het belangrijk dat het project de directe vraag overstijgt en een maatschappelijke meerwaarde brengt. We zeggen altijd dat een opdrachtgever van ons krijgt waar hij om vraagt maar niet wat hij verwacht.

Ik weet het nodige van duurzaamheid, geld, transparant werken en al die andere zaken waarover architecten het tegenwoordig hebben, maar voor mij is dat een standaard onderdeel van het vak. Een dokter kan zeggen dat hij goed kan hechten, maar ik ga ervanuit dat hij of zij meer doet dan dat.

Hoe werkt dat bij een gebouw?
Voor ons is het gebouw ‘the proof of the pudding’. Een gebouw staat in en maakt samen met andere gebouwen de stad. Daarom is ook de verbinding met de stad belangrijk. Op het niveau van een gebouw kun je een stad verbeteren en richting geven.

Als je het over gebouwen hebt, gaat het over dingen die op hun plek staan en daar blijven staan. Het gaat niet over dingen die rondvliegen of op je iPhone staan. Gebouwen voldoen aan wetmatigheden en een daarvan is de zwaartekracht.

We putten uit het instrumentarium van 5.000 jaar architectuur. In ons jongste boek behandelen we het ornament. We proberen de vraag te beantwoorden hoe je door middel van materialen, patronen en elementen gebouwen een expressie kunt geven. We zoeken een hedendaagse expressie en vragen ons af hoe een gebouw kan spreken, iets kan uitstralen of mensen aan zich kan binden.

Interview Neutelings_Riedijk Beeld Dik Nicolai

Beeld: Dik Nicolai

Waarom een boek over ornament en identiteit?
Mensen hebben een liquide identiteit. Ze weten niet goed meer wie ze zijn en bezitten uiteenlopende identiteiten. Ze gaan op zoek naar een nieuwe en vinden die bijvoorbeeld terug in verschillende vormen van nationalisme.

Wij vinden echter dat als je al ergens je identiteit aan ontleent, dit dan aan het gebouw is. Aan het gebouw waar je bent, kun je een lokale identiteit ontlenen. Als je vrienden komen, laat je ze de Euromast zien of de kathedraal van Antwerpen. Iedereen heeft per definitie een lokale verbondenheid met gebouwen. De Eiffeltoren is het ankerpunt voor Parijs, maar toen hij werd gebouwd, was er breed verzet tegen de komst ervan. Dit laat zien dat je een nieuwe identiteit kunt creëren.

Ook Rozet is hiervan een interessant voorbeeld. In dit complex zijn tal van instellingen samengegaan. Op basis van het door ons gewenste ritme en patroon heeft een kunstenaar een wiskundig ornament in beton gemaakt. Dankzij deze rozet hadden de vijf directeuren plotseling iets samen. Omdat het niet van een ander was, hoefden ze zich ook niet in te schrijven in de geschiedenis van die ander. Het ornament is op deze manier een motor geworden voor de identiteit van de instelling.

de Rozet-Interview Neutelings Riedijk

De Rozet door Neutelings Riedijk Architecten

Is die dan voor alle gebouwen verschillend?
We hebben geen huisstijl en maken niet zoals Richard Meier altijd een witte doos. We leggen een stad niet onze identiteit op, maar we proberen iedere stad een nieuwe identiteit te geven door middel van een publiek gebouw. De uitwerking is daarbij van groot belang.

Aan de ene kant heeft dit te maken met de publieke ruimte. Rozet heeft een grote trap gekregen en de publieke ruimte loopt door in het gebouw. Aan de andere kant zijn de ornamentiek en het materiaalgebruik van belang.

Als je een witte muur maakt, is de essentie daarvan dat de muur zegt: ik ben er niet. Als je een glazen gebouw maakt, doet het glas alle moeite er niet te zijn. Als je zoals in het MAS een muur maakt met grote rode brokken, dan zegt de muur: ik ben hier. Deze muur bezit een karakter en mensen zitten na binnenkomst aan deze muur. Datzelfde geldt ook voor het golvende glas: dat verloopt afhankelijk van licht en schaduw van ondoorzichtig naar groen en heeft daarmee karakter.

Pas als je een materiaal, patroon of afwerking met een eigen karakter hebt, kan een gebruiker die relatie leggen. Als mens ben je daartoe in staat, omdat het gebouw via zijn materialen spreekt en expressie heeft. De bezoekersaantallen en de ontvangst hebben zeker te maken met de mate waarin mensen een gesprek kunnen aangaan met een gebouw.

Dit gaat grotendeels via het materiaalgebruik. Als we in Deventer precies hetzelfde ruimtelijke stelsel hadden gemaakt, maar met een groot transparant glazen vlak, dan zou je nooit de kracht krijgen die het nu bezit dankzij de eikenhouten kaders en de vingerafdrukken.

Als je een witte muur maakt, is de essentie daarvan dat de muur zegt: ik ben er niet.

Hebben jullie het boek gemaakt met het oog op je potentiële opdrachtgevers?
We beschouwen het als zelfonderzoek. In ons vorige boek onderzochten we aan de hand van zestien thema’s als massa, huid en volume hoe je architectuur maakt. In ons laatste boek organiseren we onze productie aan de hand van de expressie die we in een huid hebben aangebracht. We zijn gefascineerd door het effect dat dit heeft en de mogelijkheden die het biedt.

Het boek is een combinatie van beeld en beschrijving en ziet bewust af van theorievorming. We hebben geen enkel jaartal toegevoegd, omdat we ook een gebouw van tien of twintig jaar geleden belangrijk vinden. We wilden geen chronologie aanhouden, omdat we een bloedhekel hebben aan het hijgerige van het nieuwe.

De ordening is niet chronologisch, maar jullie gebouwen weerspiegelen toch ook het verstrijken van de tijd?
Dat vind ik niet. Het ornament voor Veenman Drukkers hebben we twintig jaar geleden gemaakt. De gevel hebben we een uitdrukking gegeven door middel van de belettering van Karel Martens. Ons ontwerp voor het Concertgebouw van Brugge is uit dezelfde tijd. Dit is een vroeg voorbeeld van ons streven om in en met het materiaal ornament te maken. Voor mij zit daar een grote continuïteit in. Het is een denkwereld waarin sprake is van voortschrijdend inzicht en ervaring. We proberen nu met Iris van Herpen hetzelfde in Naturalis in Leiden met een door haar ontworpen betonelement.

Aan de andere kant werk je op een bepaald moment in de tijd en werk je met wat je wordt aangereikt. Het verhaal is het verhaal van Deventer en niet dat van Arnhem en dit versterkt de lokale verankering. Maar dingen versmelten in de tijd. Over vijftig jaar weet niemand meer of dit gebouw uit 2018 of uit 1998 was. Het maakproces wordt integraal onderdeel van de ontstaansgeschiedenis van een gebouw.

Heb je ornamenten die meer valide zijn dan andere?
In de negentiende eeuw was een ornament onderdeel van een taal of een gewoonte. Toen was het ornament leesbaar voor zowel architect als publiek. Een Dorische kolom was bijvoorbeeld mannelijk en kon je toepassen op gerechtsgebouwen, terwijl de Korinthische zuilen zich juist leenden voor theaters.

Begin vorige eeuw stelde Loos dat je geen ornament mocht gebruiken omdat het niet beschaafd was. Ornamenten waren niet geschikt voor beschaafde mensen als architecten. De taal is daardoor uitgedoofd en kun je niet meer hernemen. We onderzoeken hoe je betekenis kunt geven, dat is een dans op een slap koord. Sommige ornamenten werken direct, zoals in Stadhuis Deventer en MAS Antwerpen, andere zijn moeilijker uit te leggen, zoals Rozet.

Stadhuiskwartier Deventer Neutelings Riedijk Architecten

Stadhuiskwartier Deventer

De kunst is om de directheid van het begrip te bereiken, maar tegelijkertijd niet flauw te worden, want anders worden het tegeltjeswijsheden. Dat is moeilijk omdat er geen universele taal meer voor bestaat. Dit los van het feit dat de beeldtaal is geëxplodeerd en je het ene na het andere beeld krijgt te zien.

Heel veel van onze patronen houden verband met het probleem hoe je een voeg maakt. We proberen met onze noordelijke inborst het ornament altijd een functionele rol te geven. Bij een ornament maken we lagen die soms akelig dicht de kitsch benaderen, maar die een diepte geven die je als architect alleen nooit kunt bereiken. Daarom werken we samen met kunstenaars en zien we het belang van sponsoracties die bovendien de binding van de bevolking aan het gebouw bevorderen.

Het kantoor als type

Het kantoor is een lastig te personaliseren type lijkt me.
Het huisvesten van ambtenaren is een lastig vraagstuk. Impliciet uitgangspunt van veel opdrachten die we krijgen, is dat het ruimtelijk stelsel de productiviteit beïnvloedt. De modes volgen hier elkaar snel op. Anderzijds laat een overheid het bouwen steeds vaker over aan de markt. Daardoor wordt het moeilijker een passend ruimtelijk stelsel te ontwikkelen. Dat geldt evenzeer voor de ruimtelijke expressie.

Toch hebben jullie in het gebouw voor de Vlaamse overheid in Brussel een poging gewaagd.
Om het gebouw aan de stad vast te knopen, hebben we een publieke passage ontworpen die je kunt beschouwen als een verlengstuk van de stad. Aan deze passage liggen alle collectieve functies, afgewisseld met tuinen waar je kunt zitten en je ontspannen. Werkomgeving en stad lopen zo in elkaar over.

Hoe hebben jullie aan het interieur gewerkt?
We hebben de werkplekken ondergebracht op zes grote horizontale kantoorvloeren. Deze vloeren kun je flexibel inrichten. Ze zijn zo gemaakt dat je de nieuwste manieren van werken een plek kunt geven.

Interview Neutelings_Riedijk_Dik Nicolai

Beeld: Dik Nicolai

Welke expressie heb je het gebouw gegeven?
De buitengevels en de gevels van de binnenstraat zijn bekleed met baksteen in een speciaal patroon. Dit patroon bestaat uit drie bakstenen die afwisselend verticaal en horizontaal zijn neergelegd. Dit patroon heeft een effect op de middenschaal en geeft het gebouw een levendige uitdrukking.

De ramen zijn omlijst met witte betonnen kaders die uitsteken en het tektonische karakter van de gevels versterken. In de stijlen van deze betonnen kaders heeft de Brusselse kunstenaar Henri Jacobs zijn ‘écritures souples’ ingegoten.

Naast deze trapleuningen heeft Jacobs ook zijn handtekening achtergelaten in de trappen aan de binnenstraat. Verder wijs ik graag op de plafondringen van Sofie Nys, Pieter Vermeersch en Aglaia Konrad, alsmede het gedicht in gevelcassetten van Charlotte Van den Broeck. Al deze ornamenten verlenen aan het gebouw zijn identiteit als werkplek voor Vlaamse ambtenaren.

Ornament en identiteit

De kritiek op je boek is dat het louter visueel is ingesteld.
We hebben er flink mee zitten tobben. In de jaren negentig begonnen architecten boeken te maken waarin ze alle voortbrengselen van hun bureau onderbrachten. Zo’n kijkje in de keuken vinden we niet meer van deze tijd. Een andere wijsheid is dat je in een architectuurboek tekeningen moet afdrukken. Maar zodra je dat doet, wordt het niet meer gekocht door leken. Die lezen immers geen tekeningen maar zien alleen het gebouw.

Ons boek gaat over expressie die je niet in een plattegrond ziet. We kijken naar gebouwen zoals de gebruikers naar gebouwen kijken. Het boek is dus bewust glossy en gericht op acquisitie. Alle interne architectonische documenten hebben we weggelaten, evenals zaken als vierkante meters, jaartallen en adviseurs. Die heb je niet nodig om van architectuur te kunnen genieten.

Jullie hebben twaalf motieven gekozen. Hoe is deze selectie tot stand gekomen?
De keuze van twaalf motieven komt voort uit een combinatie van rationele en irrationele overwegingen. We zochten naar een structuur om de ornamenten te kunnen presenteren. We ontdekten dat we iets op hebben met letters, reliëf, grids, naden enzovoort en op basis daarvan hebben we ze gegroepeerd.

Het boek kent dus een vakmatige ondertoon. In onze structuur zitten gaten maar daar kun je aan werken. We hebben gezocht naar een organisatie die handig is voor het vak. We hebben dit nu gedaan met ons eigen werk, maar je kunt het verbreden tot alle ornamenten van de laatste twintig jaar. In mijn lezingen begin ik met het vroege werk van Herzog & de Meuron die als eerste bladeren als ornament gebruikten op het ontwerp van de Ricola-fabriek in Mulhouse.

Neutelings_Riedijk_Dik Nicolai_1

Beeld: Dik Nicolai

Komt de gebouwvorm voort uit het ornament of volgt hij er juist op?
Het ornament komt als laatste. Onze gebouwen worden naakt geboren, de ornamentiek wordt later toegevoegd. De vorm van een gebouw zoeken we in de massa. Michelangelo zei dat de vorm al in het marmer zat, je moest hem er alleen zien uit te bikken. Dat geldt ook voor onze gebouwen.

De volumetrie vormt de hoofdvorm, maar vertegenwoordigt tevens een ruimtelijke organisatie. Voor de ontwikkeling van de ornamenten, vaak samen met kunstenaars, nemen we de tijd. Dat heeft te maken met het materiaal waarin ze worden gegoten. We testen om te zien of het werkt, vaak tot op het laatste moment.

Tegenwoordig wordt met renders het beeld sterk naar voren gehaald. Deze werkwijze speelt ons parten, want bij prijsvragen is het heel moeilijk om al in een paar weken tot de juiste keuzen te komen. Het punt is dat het vaak alleen pas werkt als je het ziet. Je kunt wel zeggen dat je een gebouw met vingerafdrukken gaat maken, maar je bent pas overtuigd als je het hebt gezien.

In de huidige beeldcultuur is het moeilijk om dit nog te bereiken. Via renders valt het bijna niet over te brengen. je moet het kunnen zien, je hebt mock-ups nodig. De plaat voor bijvoorbeeld Beeld en Geluid kun je met een render niet uitleggen, daar moet je bij staan als die wordt gegoten.

Wat moet veranderen in opdrachtverlening?
De nadruk op beeld is veel te groot geworden. Om te beginnen zou je architecten op intelligentie moeten selecteren, op de manier waarop ze omgaan met het programma en daarvan iets maken.

We wonnen Naturalis omdat we het nieuwe gebouw naast het oude zetten en van het laatste een kantoor hebben gemaakt, terwijl het museum in de nieuwbouw wordt gevestigd. Dat kan ik in één zin uitleggen. Daarvan kan de opdrachtgever zeggen: dat doe ik wel of niet. Met een render test je op geen enkele manier de intelligentie van een architect.

We moeten terugkeren tot een systeem waarin opdrachtgevers op zoek gaan naar architecten die iets kunnen oplossen. Nu mag je alleen inschrijven voor een museum als je er daar de laatste vijf jaar een paar van hebt gebouwd. Omgekeerd won Ector Hoogstad de prijsvraag voor ons Minnaert-gebouw omdat hij veel universiteitsgebouwen maakt en wij toevallig niet.

Wat zijn binnen dergelijke condities nog de mogelijkheden tot betekenisverlening?
We denken toch dat deze groot zijn. Het idee van expressie, het idee dat je door een onderdeel van het gebouw kunt spreken, verdedigen we sterk. We proberen gebouwen te maken die iets uitdrukken.

Waarin verschilt jullie werk van dat van Sjoerd Soeters in Zaandam?
Ik heb voor zijn werk altijd een zekere sympathie gehad. Soeters heeft zich sterk verzet tegen de heersende mores. Hij zoekt de grenzen op van wat wel en niet kan. Maar ik vind wel dat hij zijn zoektocht naar expressiemogelijkheden op een onhandige manier doet en dat hij vaak veel te letterlijk is. In Brussel zijn de commerciële architecten het ook gaan doen en zie je bankgebouwen in tempelstijl. Het probleem daarvan is dat het een pastiche is. Ook Zaandam is een pastiche van een Zaans huisje. Soeters heeft het niet verteerd en doet er weinig tot niets mee.

Wij maken gebruik van dezelfde mechanismen maar proberen daar een hedendaagse draai aan te geven. Onze kolom is niet een Grieks meisje maar bijvoorbeeld een letter. Wij hebben geen Deventer koek gestapeld, vanaf nu staat een vingerafdruk voor Deventer. We creëren een nieuwe identiteit en recyclen niet de oude.

De ornamenten die we zelf maken, zijn op zijn best een voorbode van wat komen gaat. We zoeken altijd een kunstenaar die er iets prachtigs van kan maken. Daarom willen we het proces kunnen doorlopen en daar goed de tijd voor nemen. Alleen zo kom je verder en kun je iets bereiken wat diepgang heeft.

Meer resultaten van Neutelings Riedijk Architecten

 

Reageer op dit artikel