De toekomst van hoogbouw? Hemels wonen in ‘humble highrise’

Hoogbouw in Nederland is een lachertje. Goed, we hebben al 220 gebouwen van zeventig meter of hoger en er staan er 180 op de planning. De hoogste, de Zalmhaventoren in Rotterdam, is zelfs 215 meter hoog. Maar daarmee komen we nog niet in de buurt van de top vijftig hoogste gebouwen ter wereld. Was ooit Amerika de koploper als het ging om hoogbouw, nu is dat Azië. Zo staan 21 van de 50 wolkenkrabbers in China.
Beeld: Marcel van der Burg

’s Werelds letterlijke hoogtepunt is op dit moment de toren Burj Khalifa in Dubai van 828 meter hoog. Een knap staaltje technisch vernuft, mede dankzij uitvindingen als lichtgewicht beton en tuned mass dampers. Die dempers zorgen ervoor dat de uitslag van de toren door de wind binnen de perken blijft door een tegengestelde beweging te maken. Want van een continue schommeling van meer dan een meter raakt ons evenwichtsorgaan van slag.

Ik moet het nog zien dat we die dempers in Nederland ooit nodig hebben. In ons laagbouwlandje heerst nogal wat weerstand tegen hoogbouw. Niet alleen veroorzaakt een wolkenkrabber hinderlijke slagschaduw en wind, ook heeft zo’n injectie met mensen in een buurt een enorme inpakt op de aanwezige infrastructuur en voorzieningen: waar laten die allemaal hun auto, fiets en afval?

En als dat nog niet ingewikkeld genoeg is, heeft een goed functionerende toren een publieke plint om te ‘landen’. Dit betekent dat er op het maaiveld niet alleen plek moet zijn voor de entree, de liften, de fietsenstalling, de afvalcontainers en de constructie, maar ook voor publieke functies als een café of een winkel, of liever zelfs een kinderdagverblijf, een school of een bibliotheek. En dat is een hele puzzel in de dicht bebouwde stad waar de kavels klein zijn en de bestemmingsplannen onverbiddelijk.

Toch moeten vooral de grote steden de hoogte in, willen ze voldoen aan de ruimtevraag en tegelijkertijd zo duurzaam mogelijk omgaan met de beschikbare middelen en de grond, de aanwezige infrastructuur en draagvlak creëren voor een divers voorzieningenaanbod. En dat weten ze. Ze hebben door het bouwen van windfuiken, dichte plinten en anonieme entrees leergeld betaald en scherpen continu hun hoogbouwvisies aan.

Little C in Rotterdam. Beeld Ossip
Little C in Rotterdam. Beeld Ossip

Maar hoogbouw hoeft helemaal niet zo hoog. Boven de zeventig meter gelden extra veiligheidseisen, waardoor de bouwkosten snel oplopen en daarbij neemt ook de bouwtijd met elke meter hoger toe. Met enorme torens los je de wooncrisis niet op. Zo duurde het twintig jaar voordat de Zalmhaventoren er stond. Projecten als Little C in Rotterdam laten zien dat je ook met minder hoge torens een relatief hoge dichtheid kunt bereiken. Hoogbouwarchitect en criticus Stefan Al breekt in de podcast Merel en Tracy praten door zelfs een lans voor humble highrise tot zo’n dertig meter hoog.

Ik ben benieuwd hoeveel van die geplande 180 torens er over tien jaar staan te schitteren. Hopelijk hebben de stijgende bouwkosten de torens niet te veel uitgekleed, betaalt het leergeld zich uit, hoeven de Nederlandse steden niet meer jaloers te kijken naar Vancouver en is er een begin van een eigen hoogbouwtraditie. Eentje om serieus te nemen.