“Mijn onderzoek biedt vrouwelijke architecten voorbeelden uit het verleden”

Een beroepskeuzegidsje uit 1928 schetst een weinig rooskleurig beeld van de vooruitzichten voor de vrouwelijke architect: ‘Bij eigen vestiging niet gunstig en plaatsingskans op een architectenbureau niet groot.’ Toch kon architectuurhistoricus Erica Smeets Klokgieters een proefschrift maken over 21 vrouwen die in Nederland tussen 1917 en 1945 hun architectentitel verwierven.

Tekst Catja Edens

De laatste jaren is belangstelling voor de vrouwelijke architecten toegenomen. Denk aan initiatieven als Wiki Women Design van het VAi, Collecting Otherwise in Het Nieuwe Instituut en de publicatie Mevr. de Architect. Al jaren eerder begon Erica Smeets Klokgieters met haar onderzoek naar vrouwelijke architecten in de geschiedenis. Nu is het af en op 21 januari verdedigde ze haar proefschrift Hulde aan onze kranige architecte! De opkomst van de eerste vrouwelijke architecten van Nederland.

Van mijn eigen studie architectuurgeschiedenis herinner ik me dat er heel weinig vrouwelijke architecten voorbijkwamen in de colleges. Hoe was dat bij jou?
“Hetzelfde. Alleen Margaret Staal-Kropholler werd genoemd en dat was het wel wat Nederland betreft. Er was zelfs geen aandacht voor kopstukken als Jakoba Mulder, bekend van het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam (AUP), of Koos Pot-Keegstra die samen met haar echtgenoot de Bijlmerbajes ontwierp. Het leek soms wel of er niet meer vrouwelijke architecten waren geweest. Dat maakte mij nieuwsgierig en leidde uiteindelijk dus tot dit promotieonderzoek naar de eerste generatie vrouwelijke architecten in Nederland.”

‘Eerder dan in Duitsland of Groot-Brittannië werd de opleiding tot architect hier opengesteld voor vrouwen’

Is er een verband tussen de belangstelling voor vrouwelijke architecten en de toegenomen belangstelling voor de geschiedenis in het algemeen?
“De geschiedenis en het heden zijn met elkaar verbonden. De helft van het aantal Nederlandse architectuurstudenten is tegenwoordig vrouw, maar van de praktiserende architecten is dat maar 29 procent. Dat is opvallend en door naar de geschiedenis te kijken, kunnen we misschien beter begrijpen hoe dat zit.

“Als historicus vind ik het vooral belangrijk om te kijken door de bril van de tijd waarin deze 21 vrouwen leefden. Wat was de maatschappelijke context, welke opvattingen heersten er, welke mogelijkheden waren er voor vrouwen en hoe werden zij bejegend? In de eerste helft van de twintigste eeuw werd van vrouwen verwacht dat zij zich richtten op huishouden en kinderen, terwijl mannen een loopbaan buitenshuis hadden.

“Toch waren er wel vrouwen die werkten – in beroepen die traditioneel geschikt werden geacht voor vrouwen maar bijvoorbeeld ook als architect. Dat was niet altijd gemakkelijk. Ook werd van vrouwelijke architecten verwacht dat zij zich specialiseerden in ‘vrouwelijke typologieën’ zoals woonhuizen, interieurs en scholen, hoewel er natuurlijk interessante uitzonderingen waren.”

Wat waren voor jou de grote verrassingen in je onderzoek?
“Ik denk dan vooral aan de drie architecten die ik in mijn proefschrift heb uitgelicht: Grada Wolffensperger, Wil Jansen en Riné Boerée. Wolffensperger was in 1917 de allereerste vrouw in Nederland die de titel van architect behaalde. Daarmee kwam ze behoorlijk in de belangstelling te staan. Na haar studie was ze enkele jaren werkzaam als adjunct-architect bij de Dienst Openbare Werken in Haarlem. Hier verdiende zij een goed salaris en bovendien – bijzonder voor die tijd – hetzelfde als haar mannelijke collega’s. Toch verliet zij in 1924 het professionele veld, mogelijk mede door de moeilijke omstandigheden in de crisisjaren. Zij moest het veld ruimen voor een mannelijke collega met dezelfde opleiding die tegelijk met haar was aangesteld.

“Voor Wil Jansen lag dat heel anders. Haar carrière als zelfstandig architect omspande maar liefst vijf decennia, van 1933 tot 1973). Ze was afkomstig uit een welvarende destilleerdersfamilie uit Schiedam waar ze als meisje de ruimte kreeg om zich te ontwikkelen. Na haar afstuderen begon zij haar eigen succesvolle architectenpraktijk. Het is bekend dat zij regelmatig opdrachten kreeg van haar broers. Ook werd vanuit het familiebedrijf voor haar bemiddeld om opdrachten binnen te halen. Jansen heeft vooral woningen op haar naam en realiseerde in 1958 de beroemde RVS-flat voor ongetrouwde vrouwen in Rotterdam.

“De derde architect is Riné Boerée. Zij specialiseerde zich in de toepassing van beton en ontwierp verschillende constructies voor de Dienst der Genie. Niet alleen wist zij zich staande te houden in de mannenwereld van de architectuur, ook in de hiërarchische en masculiene wereld van het leger kreeg zij via haar vader, een hoge militair, opdrachten. Zowel Jansen als Boerée kregen opdrachten via connecties. Dat zie je bij meer vrouwelijke architecten uit deze vroege periode.”

Gold het niet evengoed voor mannelijke architecten dat connecties belangrijk waren om een carrière op te bouwen?
“Ja, dat is zeker waar. Ook mannelijke architecten verwierven opdrachten via relaties en kwamen bijvoorbeeld op voorspraak van een hoogleraar ergens binnen. Men was alleen veel minder gewend aan vrouwelijke architecten. Dat was een specifiek obstakel voor vrouwen waar familierelaties goed bij konden helpen.

“Overigens was het qua opleidingskansen in Nederland nog niet zo slecht gesteld. Nog eerder dan bijvoorbeeld in Duitsland of Groot-Brittannië werd de opleiding tot architect hier opengesteld voor vrouwen. In het jaar dat Riné Boerée aan de Technische Hogeschool Delft begon, schreven zich naast haar nog vijf vrouwen in, naast acht mannen.

‘Als historicus vind ik het belangrijk om te kijken door de bril van de tijd waarin deze 21 vrouwen leefden’

Hoe belangrijk is het dat wij deze eerste vrouwelijke architecten leren kennen?
“Dat is ongelooflijk belangrijk. Mijn onderzoek laat zien dat vrouwen meer hebben bijgedragen aan de Nederlandse architectuur dan je op basis van vakliteratuur en archieven zou verwachten. Toch is over hen meestal nauwelijks documentatie te vinden. Dat betekende dat ik voor mijn onderzoek ook andere wegen moest bewandelen.

“Soms kwam ik familieleden op het spoor die mij met verhalen en documentatie verder konden helpen, maar spijtig genoeg zijn er ook hele archieven verloren gegaan. Mijn onderzoek vult de Nederlandse architectuurgeschiedenis aan en biedt vrouwelijke architecten van vandaag voorbeelden uit het verleden.”

Jouw proefschrift geeft deze vrouwelijke architecten een plek in de architectuurgeschiedenis mede dankzij veel speurwerk buiten de gebruikelijke kanalen zoals de Rijkscollectie voor Nederlandse Architectuur en Stedenbouw. Is dit een begin?
“Mijn onderzoek vult een hiaat in de Nederlandse architectuurgeschiedenis, maar er ligt nog veel kennis over vrouwelijke architecten verborgen. Zo ben ik naar aanleiding van mijn promotie bijvoorbeeld benaderd door de kleindochter van Guus Gratama, een niet-afgestudeerde vrouwelijke architect van de vroegste generatie in Nederland. Het materiaal en de verhalen van deze groep vrouwen voegen weer nieuwe elementen toe aan de geschiedschrijving.”