Het hotel is het hotel niet meer - Sociale condensatoren in de stad

Hotels zijn niet langer hotels, maar worden gemaakt aan de hand van ideeën die op de gebieden van werken, wonen en vermaak zijn opgedaan. In plaats van eenduidige gebouwen zijn het in toenemende mate uitbreidingen van de stad. De lobby’s worden behandeld als stedelijke voorzieningen. Twee recent gereedgekomen hotels in Amsterdam werken als sociale condensatoren.
nhow Amsterdam RAI hotel door OMA Beeld Laurian Ghinitoiu

Tekst Harm Tilman

In zijn pas verschenen boek Stedevaart bekent auteur Jan Brokken dat hij het liefst in een hotel zou willen wonen. Waar de meeste reizigers een hotel een noodzakelijk kwaad vinden, ziet Brokken slechts de vele voordelen: ‘Ik geniet van de compactheid van de kamer, het uitzicht en de gemakken die het hotelleven biedt.’ Dat geldt zeker voor het hotel van Philippe Starck waar Brokken op een gegeven dag naar afreist.

Het hotel ligt in Pyla-sur-mer, direct naast de Dune de Pilat die 114 meter boven zeeniveau ligt en daarmee de hoogste van Europa is. Eenmaal binnen, vervolgt Brokken zijn overpeinzingen over de voordelen van het leven in een hotel. ‘Het ideale huis is geen binnen maar een uitzicht. Ik neem plaats aan de tafel op het terras en tuur naar de oceaan in de verte. (…) Mooier, grootser, breder of uitgestrekter kan een uitzicht nauwelijks zijn. Als je hier bent wordt je opgenomen in een immense ruimte.’1

Groei van hotelsector

Toerisme wordt in steeds meer landen als een probleem gezien. Volgens Elizabeth Becker, in het boek Overbooked. The Exploding Business of Travel and Tourism, komt alleen Frankrijk er goed vanaf.2 Dit land denkt volgens Becker, als toeristische bestemming nummer één in de wereld, na over de toekomst van het toerisme. Lokale gemeenschappen moeten het heft in eigen hand nemen.

Massatoerisme kwam op in de negentiende eeuw en kreeg vleugels toen vliegtuigen grote afstanden konden afleggen. Door technologie, internet, gestegen welvaart en meer vliegtuigen naar meer bestemmingen, is het toerisme geëxplodeerd. Op dit moment wordt gesproken van ‘overtoerisme’, het verschijnsel dat te veel toeristen op één plek samentrekken. Ook de aanslag op het milieu in de desbetreffende landen wordt het toerisme aangerekend.

Overtoerisme, zegt Elizabeth Becker, kun je vergelijken met een feestje dat je organiseert voor twaalf mensen, waar uiteindelijk 12.000 mensen komen opdagen. Het leidt ertoe dat de plaatselijke bevolking wordt verdrongen, zoals in delen van Venetië en Barcelona is gebeurd. Op dat moment wordt de stad een hotel en houdt ze op een stad te zijn.

Hotel Boat & Co in de Amsterdamse Houthavens door Kollhoff & Pols architecten. Beeld Luuk Kramer
Hotel Boat & Co in de Amsterdamse Houthavens door Kollhoff & Pols architecten. Beeld Luuk Kramer

Amsterdam

Wordt Amsterdam ook bedreigd door overtoerisme? Daar lijkt het wel op. Amsterdam is één van de belangrijkste toeristische trekpleisters van Europa. In 2015 trok de stad 5.897.000 internationale toeristen. Daarmee kwam ze overigens ruim achter Londen met 18.580.000 en Parijs met 15.023.000 internationale toeristen.

Ondanks pogingen van de gemeente om de groei af te remmen, blijft het aantal toeristen groeien. Deskundigen reppen van een diesel die, eenmaal op gang gekomen, niet meer valt te stoppen.3 Tussen 2015 en 2020 kreeg de stad er 25 procent meer kamers bij en de regio veertig procent. De bezettingsgraad was in 2018 84 procent van 35.000 hotelkamers, wat ongekend hoog is. Ook de gemiddelde kamerprijs is met 167 euro aanzienlijk te noemen.

De miljoenen bezoekers die de stad jaarlijks aandoen, laten Amsterdam bruisen en brengen geld in het laatje, maar zetten de stad ook onder druk. Straten vol met rolkoffers, Airbnb holt de regionale woningmarkt uit, de wallen worden een toeristenreservaat en de voertaal in het centrum is Engels. Volgens de mensen die het kunnen weten, verdubbelt in het komende decennium het aantal overnachtingen naar dertig miljoen.

Jakarta hotel, Amsterdam - SeARCH
Jakarta hotel, Amsterdam  door SeARCH. Beeld SeARCH

Regionale spreiding

Hoe kan Amsterdam een gastvrije en open stad blijven en tegelijkertijd zijn identiteit behouden? Om de onvrede onder de bevolking te beperken, voert Amsterdam een ‘Stad in balans beleid’. Er worden geen hotelvergunningen meer afgegeven, de toeristenbelasting is verhoogd en er zijn wijkquota voor bed & breakfasts ingesteld. Heel gastvrij is het allemaal niet. Daarnaast probeert men de toeristen te spreiden over de regio.

Vriend en vijand zijn het er echter over eens dat het huidige spreidingsbeleid niet werkt. Toerismecriticus Stephen Hodes meent dat je zo alleen maar meer ruimte creëert voor nog meer toerisme. Ook het voorstel van planoloog Zef Hemel om aan de Zuidas een tweede toeristisch centrum te ontwikkelen, acht hij om dezelfde reden weinig kansrijk.4

Enige oplossing is volgens hem een echte hotelstop. Het stadsbestuur zou niet alleen geen nieuwe vergunningen meer moeten afgeven, maar ook de al verleende vergunningen moeten intrekken en afkopen. Daarnaast moet het volgens hem in de regio zijn afgelopen met het bouwen van hotels. Naast de 8.000 kamers in Amsterdam, komen er daar de komende jaren nog eens 14.000 bij.

Uit alle discussie is niet duidelijk waar nu precies de kritische grens ligt. Wat verder opvalt, is dat toerisme alleen wordt gezien als bedreiging, een kant die er zeker is, maar dat niet wordt ingegaan op de kansen die het biedt. Waar Rodes de binnenstad ten onder ziet gaan aan consumptie en commercie, ziet Hemel bijvoorbeeld een nieuw soort ondernemerschap ontstaan. Ook lijken zijn voorstellen om toeristen te verleiden buiten het overvolle centrum te komen, kansrijker dan Hodes het doet voorkomen.

Veel zinniger dan de toeristenstroom te willen indammen, lijkt het mij nieuwe modellen te ontwikkelen. Voor een deel kan dat zijn gelegen in het ontwikkelen van nieuwe onverwachte attracties, naast het gebruikelijke aanbod. Anders dan een hotelstop lijkt het veel interessanter hotels te ontwikkelen tot nieuwe culturele instituties waarin publieke ruimten en private domeinen elkaar ontmoeten en afwisselen, waar toekomstgericht denken wordt gekoppeld aan ambachtelijkheid en waar de gasten mengen met de lokale bewoners en de ondernemers.

Hybridisering van hotels

Begin dit jaar maakte de EHM Group bekend dat ze de koepelgevangenis in Arnhem gaat ombouwen tot onderkomen voor studenten en toeristen. In de onderste vijftig cellen komen studentenkamers, nog geen twaalf vierkante meter groot. De studenten kunnen gebruikmaken van het restaurant, fitness en andere voorzieningen die op de koepelvloer worden gerealiseerd. Op de drie verdiepingen daarboven komen 150 hotelkamers.5

Volgens Bas Tolmeijer van de EHM Group beginnen toeristen langzaam genoeg te krijgen van de standaardhotels. De nadruk verschuift naar bijzondere panden op toplocaties waar gasten een authentieke ervaring wordt geboden. Het gaat om de openbare ruimte, zegt Tolmeijer. Dat is de trend die nu tot de vier- en vijfsterren hotels doordringt. Omgekeerd zie je ook restaurants waar mensen kunnen slapen en mergelgrotten die gasten met een lift kunnen bereiken.

Hotels zijn dus al lang geen hotels meer. Hotels vormen in toenemende mate een testruimte voor ideeën die afkomstig zijn uit de sferen van werkomgeving, wonen en vermaak. Hybridisering begint een thema te worden. Zoals Guidi Hartray van Marvel Architects zegt, gaat het daarbij om ruimten die mensen verbinden, maar ook om ruimten waarin mensen worden aangemoedigd zich met elkaar te verbinden.

Hotels worden een verlengstuk van de stad. Inzet zijn ruimten die niet louter functioneel meer zijn. De lobby van een hotel wordt een stedelijke voorziening. De stedelingen bezoeken deze lobby’s, niet alleen om in te checken, maar ook om andere mensen te ontmoeten en zich te vermaken. Hotels worden steeds meer als sociale condensatoren, aldus Hans Schaepman van Brooklyn Park Bridge.

Architectuur van de stad

Hotels zijn geen ‘aliens’ meer in een vreemd weefsel, maar zoeken steeds nadrukkelijker een plek in de stad op. Ze worden op navenante wijze geprogrammeerd. Dat leidt tot het ontwerp van ruimten waarin de verschillende gebruikers elkaar kunnen ontmoeten. Naast bars en restaurants, kun je denken aan tentoonstellingsruimten, culturele festivals, zwembaden en tuinen. Ook lijkt het zinvol hotels te ontwerpen met de lokale context als referentie, bijvoorbeeld als het gaat om de detaillering en materialisering van de gebouwen en de stedelijke ruimte waarop het hotel is gericht.

Hotel Boat & Co is daarvan een goed voorbeeld. De H-vorige plattegrond strekt letterlijk twee armen naar de bezoekers uit. Daartussen bevindt zicht alles wat het hotel de stad heeft te bieden, waaronder een bar, een restaurant, fitness, sauna en een tuin. Het hoge glazen atrium aan de andere kant werkt als woonkamer van de wijk. Hier kunnen toeristen en bewoners elkaar ontmoeten.

Ook ruimtelijk sluit het hotel aan op de stad. Het gebouw is opgenomen in de blokkenstructuur van de Houthavens, waarin ook de woningen komen. Met zijn spitsbogen en erkers, alsmede zijn bekroningen met licht gebogen zinken dak, onderscheidt het hotel zich duidelijk van de omringende woonbebouwing. Door de hoge sokkel en het teruglopende dak komt het gebouw zelfs kleiner over dan het in werkelijkheid is.

Baken in de periferie

Ander voorbeeld is het nhow Amsterdam RAI hotel van OMA. Doordat hoogbouw in de binnenstad verboden is, concentreert alle hoogbouw zich aan de Zuidas. Het hotel van OMA sluit zich hierbij aan: het is negentig meter hoog en telt 650 kamers. De generieke gevels zijn gemaakt van glas en driehoekige aluminium profielen. Opmerkelijk is de wervelende stapeling van drie driezijdige volumen die het gebouw vanuit heel Amsterdam zichtbaar maken.

Het gebouw past goed in de reeks torens van OMA, die niet rechtop staan maar de zwaartekracht tarten met uitkragingen en stapelingen van volumen. Dat geldt voor tal van niet-uitgevoerde ontwerpen uit de vorige eeuw, zoals het ontwerp voor de Boompjes in Rotterdam, maar ook voor de gebouwen die OMA ontwierp in Beijing, Shenzhen en Rotterdam. Het nhow-model is in deze reeks een duidelijke stap voorwaarts.

Tussen de drie volumen bevinden zich de dakterrassen van het hotel, gekoppeld aan publiek toegankelijke voorzieningen, zoals het restaurant, de fitness en de conferentieruimten. Vanaf deze semipublieke plateaus hebben bewoners en bezoekers adembenemende uitzichten over de regio. Het hotel is daarmee niet alleen een welkome uitbreiding van de RAI, maar het creëert ook een nieuwe horizon en bezorgt door de ordening die het aanbrengt op de Zuidas, de RAI een nieuwe, prominente plaats in het stedelijk landschap.

Noten
[1] Jan Brokken, Stedevaart, Amsterdam 2020, p. 393-403.
[2] Elizabeth Becker, Overbooked: The Exploding Business of Travel and Tourism, New York 2013.
[3] Sybilla Claus, ‘De toeristentrein naar Amsterdam dendert door en door’, in Trouw, 10 januari 2020.
[4] Thijs Niemantsverdriet, ‘Amsterdam wordt een partystad. Na het weekend kun je de boel opdweilen’, twistgesprek tussen Zef Hemel en Stephen Hodes, in NRC Handelsblad, 13 februari 2020.
[5] Zie FD, 21 januari 2020.

omslag maart 2020_klein

de Architect maart 2020

Dit artikel is verschenen in het maartnummer van 2020. Wil je het maartnummer lezen en de komende edities? Neem dan een kwartaal of jaarabonnement op het magazine.>>(je kunt ook alle digitale monografieën bekijken en alle artikelen lezen)

Wil je de artikelen op de website lezen ? Neem dan een online abonnement >> (je kunt ook alle digitale monografieën bekijken)

Lees ook:

nhow Amsterdam RAI hotel door OMA. Beeld Laurian Ghinitoiu