Platform voor vakkennis en inspiratie

Interieurs op drift

John Harris

John Harris

Voor de Britse architectuurhistoricus John Harris is de handel en wandel van historische interieurs een levenslange fascinatie. In de Theo Lunsingh Scheurleerlezing toonde hij aan hoezeer stijlkamers op drift zijn. Doordat oude elementen toevallig bij elkaar worden geplaatst, blijven zij bewaard. Meubels en interieurdelen worden na sloop vaak van elkaar gescheiden, om vervolgens terecht te komen in een nieuwe context. Harris vreest dat moderne interieurs een minder goed lot beschoren is.

De Britse architectuurhistoricus John Harris toonde in de Theo Lunsingh Scheurleerlezing aan hoe interieurdelen en meubels de wereld over reizen en lukraak bij elkaar worden geplaatst in stijlkamers of 'period rooms'. Harris putte voor de lezing ruimschoots uit zijn onderzoek naar het ontstaan en de geschiedenis van stijlkamers, dat hij documenteerde in het boek ‘Moving Rooms, the trade in architectural salvages’.

Hij verslaat hierin hoe lambriseringen, schoorsteenmantels, vloeren, deuren en kozijnen, sanitair of zelfs complete kamers uit hun oorspronkelijke architectonische context zijn weggenomen. Soms duiken deze op in een nieuwe omgeving waarin ze tot hun recht komen, maar vaker zijn ze verhandeld om in een totaal andere context of cultuur te worden opgenomen. Sloop ligt hier dicht bij redding: zo krijgen interieurdelen een nieuw leven.

Verzameldrift

Een belangrijke reden hiervoor is de verzameldrift van rijke Amerikaanse industriëlen, die in de eerste helft van de 20e eeuw complete Europese landhuizen verscheepten en herbouwden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Was het aangekochte interieur niet ‘klassiek’ genoeg, dan werden er meubels en accessoires bij gezocht die wel de gewenste sfeer opriepen.

Zodoende is vrijwel geen enkele stijlkamer authentiek, ook niet die in musea zijn tentoongesteld. “Bits and pieces thrown together”, aldus Harris. Hij concludeert dat de meeste ‘period rooms’ uit samengeraapte delen bestaan en er vaak nepplafonds en vloeren bij zijn gemaakt, omdat originele onderdelen simpelweg ontbreken. “Ook musea hadden de neiging stijlkamers mooier te maken dan ze in werkelijkheid waren, bovendien was het onderscheid tussen de verschillende stijlperiodes vroeger niet zo duidelijk. Vaak werd er alleen een beeld bewaard om het volk te laten zien hoe het vroeger was.”

Ondergeschoven kindje

 Musea zoals het Centraal Museum in Utrecht, het Stedelijk en het Rijksmuseum in Amsterdam kwamen volgens Harris vaak op dezelfde manier als particulieren aan de stijlkamers: via antiek- en kunsthandelaren. “Deze stelden vaak een collectie of stijlkamer samen en verkochten deze aan musea. Die handelaren deden vaak maar wat: waar de delen vandaan kwamen wist niemand, de herkomst of ouderdom werd nauwelijks onderzocht en stond nergens geregistreerd."

"Ook de musea staken daar geen tijd of geld in, aangezien hun expertise lag bij beeldende kunst en niet bij vormgeving. Meestal kochten ze interieuronderdelen aan als decorstukken voor exposities. In het Victoria & Albert Museum in Londen waren bewerkte wanden en meubels een voorbeeld van ambacht en vakmanschap, bedoeld als lessen voor moderne ambachtslieden. Pas in de jaren vijftig en zestig werd ook interieurvormgeving een interessant discipline voor musea.”

Taak voor musea

“Een authentieke stijlkamer is een onhaalbaar ideaal, een utopie”, bromt Harris. Op de vraag of musea daarom geen stijlkamers meer moeten tonen, twijfelt hij. “Je kunt het vergelijken met de afgietsels van antieke Griekse beelden. Daar zijn we blij mee, omdat we het echte werk niet meer kunnen zien. Maar musea zouden wel de authenticiteit van de stijlkamers kunnen verbeteren door hun objectarchieven uit te breiden, te verbeteren en open te stellen.”

De interieuronderdelen die bij musea in de depots liggen, zijn veelal niet gedocumenteerd. Als musea bestaande en aangeboden interieurdelen en meubels nauwkeurig categoriseren en archiveren, kan er volgens Harris een chronologisch archief worden aangelegd: “waardoor je een goed beeld krijgt van de verandering van smaak.” De historicus pleit daarnaast voor het online zetten van deze archieven, zodat een collectief interieurdepot ontstaat. “Zo kunnen musea zien wat collega’s hebben en interieurdelen uitwisselen, zodat stijlkamers worden aangevuld waar nodig.”

Bovendien is het volgens Harris beter authentieke interieurfragmenten op zichzelf te laten zien, in plaats van ze aan te vullen met nepplafonds en meubels. “Het verhaal wat zo’n taartpunt uit een kamer vertelt is vele malen spannender en educatiever dan een fantasieinterieur.”

Behouden waard?

Niet alleen het historische interieur heeft Harris’ aandacht: zo vraagt hij zich af wat er overblijft als we straks moderne gebouwen van iconen als Richard Rogers of Norman Foster gaan slopen. Zijn er bij de antieke bouwmaterialenhandel van de toekomst straks liften, wandcontactdozen, cv-ketels en roltrappen te vinden? Hoe bepaal je eigenlijk wat de moeite van het behouden waard is? Harris geeft het voorbeeld van een interieur van de Britse architect John Fowler, dat hij moest beoordelen voor een monumentencommissie. “Er zat een oerlelijk kanariegeel trappenhuis in. Maar uit onderzoek blijkt dat de inspiratiebron daarvoor een bezoek aan een Chinees paviljoen met soortgelijke kleuren was. Dan is dat toch interessant en het behouden waard?”

Harris meent dat interieurs als op zichzelf staande werken moeten worden beschouwd: “Het probleem is dat interieurs niet als entiteit worden gezien binnen het bestuderen van een gebouw. Moderne interieurs lopen het grootste risico om vergeten te worden, omdat ze zo snel veranderen, iedere tien tot vijf jaar.”

Bewustzijn verhogen

Kan regulering de sloop van waardevolle interieurs voorkomen? “In veel Britse county’s is het al verplicht interieurs te registreren die worden verkocht op veilingen, maar toch gebeurt het vaak niet. In mijn optiek is het nodig het bewustzijn rondom interieurs te verhogen. Betere regelgeving is niet de oplossing. Als niemand zich bewust is van de verhalen die interieurs kunnen vertellen en die het waard zijn behouden te worden, heeft dat geen enkele zin.”

De architectuurhistoricus verzucht: “Het probleem is simpelweg dat oude interieurs niet meer voldoen aan de huidige eisen van comfort. Het hotel in Denemarken dat is ingericht door Arne Jacobsen is volledig aan de moderne tijd aangepast. Er is nog een kamer met de oude inrichting van Jacobsen bewaard gebleven, maar daar kun je niet meer logeren. De kamer is te klein, het meubilair voldoet niet meer, het is een showroom geworden. Maar goed, Jacobsens visie is bewaard voor de toekomst. Documenteren is vaak het enige wat je nog kunt doen.”