blog

Architectuur voor de zorg

Interieur

2012 zit er bijna op. Een jaar waarin ontzettend veel is gebeurd en waarvan niet alles aanleiding geeft tot optimisme. Toch sluiten we het jaar zeker niet in mineurstemming af. Op de valreep verscheen het boek “De toegevoegde waarde van architectuur” van Colette Niemeijer waarmee ze deze maand promoveerde aan de Technische Universiteit Delft. Dit boek bracht ons in een allerbeste stemming, omdat het nieuwe en uitdagende perspectieven schetst voor architectuur.

Architectuur voor de zorg

Architecten worden opgeleid tot, en zijn op hun best in, het vormgeven van unieke gebouwen. Soms verwerven deze bouwwerken de status van icoon. De architecten die dit kunstje het beste flikken, genieten de status van sterarchitecten. Het overgrote deel van onze tijd verblijven we echter in ruimtes die zich aan de wetten van deze icoonarchitectuur onttrekken. Je kunt daarbij denken aan parkeerplaatsen, wachtkamers in ziekenhuizen, verkeerskruisingen, winkelcentra, golfbanen, hotel lobbies, kantoren. Aan het ontwerp hiervan is vaak geen architect te pas gekomen. Het ontwerp lijkt hier vooral het geld te volgen.

 ‘Form follows Finance’ luidt dan ook toepasselijk de titel van een boek dat in 1995 verscheen. In dit boek stelt hoogleraar architectuurgeschiedenis Carol Willis van Columbia University dat de hoogte van wolkenkrabbers in Chicago en New York wordt bepaald door financiële haalbaarheid: Willis toont ondubbelzinnig aan dat bij een dergelijke architectuur economische overwegingen de ontwerpbeslissingen bepalen. Voor wie denkt dat dit in Nederland niet het geval is, zou zich eens moeten verdiepen in de ontwerpgeschiedenis van de B-Tower van Wiel Arets of die van de Markthal van MVRDV, beide in Rotterdam.

Als reactie hierop heeft architectuur de neiging zich terug te trekken op een klein deel van de wereld, een deel overigens dat op dit moment steeds smaller wordt. Ze voert als reden hiervoor aan, dat architecten nu eenmaal niet over de vaardigheden beschikken om dergelijke grote, organisatorische of infrastructurele opgaven aan te pakken. Dit besef gaat terug tot de jaren zeventig toen architecten in Nederland massaal te hoop liepen tegen de “sociologisering” en de “psychologisering” van de architectuur en een terugkeer naar het “zuivere” ontwerp voorstonden.

Als architectuur iets wil betekenen in de wereld van parkeerplaatsen, ziekenhuizen en golfbanen, dan zal ze zich moeten verstevigen met economische, politieke of maatschappelijke kennis. De angst is echter groot dat ze daarvoor haar disciplinaire grenzen moet oprekken, zo niet verloochenen. Dit “gevaar” geeft steevast aanleiding tot de discussie over de kern van de discipline. Deze discussies creëren een firewall tegen al die gebieden en opgaven die geen historische dimensie kennen of die niet tot de kern van de discipline zouden behoren.

Het is daarom buitengewoon verfrissend om ‘De toegevoegde waarde van architectuur’ van Colette Niemeijer te lezen. In dit uitdagende boek laat Niemeijer, in het dagelijkse leven directeur van CEANconsulting, zien hoe architectuur in haar waardescheppende betekenis een belangrijke rol kan spelen bij de innovatie en de verbetering van de ziekenhuiszorg. De komende twintig jaar wordt naar verwachting vijftig miljard euro in zorggebouwen geïnvesteerd. Niemeijer stelt, dat wanneer deze investeringen worden ingezet voor de innovatie in de zorg, de huidige trend van een steeds duurder wordende zorg kan worden doorbroken. De architectonische opgave kan op deze manier waarde creëren in plaats van geld te kosten, zoals de perceptie vaak is.

Niemeijer wil de architectuur dus verruimen en in verbinding brengen met de parameters van bedrijfsprocessen, vastgoed en zorg. Met een dergelijk verbreed architectonisch repertoire komt ze ironische genoeg dichter in de buurt van de kern van de discipline dan in de klassieke architectonische discussies over dit onderwerp. Het is nu of nooit; lang leve de architectuur!

Colette Niemeijer, De toegevoegde waarde van architectuur, voor de zorg in ziekenhuizen, 208 p, hardcover, geïllustreerd, ISBN 9 789059 726970, Eburon, Delft 2012, € 85, –

Reageer op dit artikel