nieuws

Deel 2/3: Structuralisme als reactie – de jaren zestig als oplossing voor hedendaagse problemen

Geen categorie

Het begrip structuralisme is in de architectuur nog altijd omgeven door onduidelijkheden. In het oktobernummer van de Architect, zet architectuur- en kunsthistoricus Herman van Bergeijk het begrip uiteen in een uitgebreid artikel. Hij gaat in op de houding van structuralisten en koppelt deze aan belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Deze week wordt het artikel in drie delen op de website gepubliceerd. Dit is deel twee.

Invloed van de gebruiker

In het begin wordt het ontwerpen van de architecten vooral gedreven door een praktische belangstelling voor het ‘optreden’, voor de wijze waarop het publiek de architectuur begrijpt, gebruikt en verandert. Deze semantische draai, weg van alle cognitief theoretische benaderingen, is veelzeggend. Zij is inherent aan het beroep van de architect die wil bouwen. De tijd van het verrichten van hypothetische studies was voorbij. Na tijden van afbraak moest nu de opbouw centraal staan. Er was weinig ruimte voor negatieve geluiden. Er moest worden opgetreden. En bij dit optreden moest rekening worden gehouden met de komende samenleving en met de mensen die de architectuur zouden gebruiken. Een statische benadering wilde men vermijden. De gebruiker kreeg een plaats toebedeeld, maar deze plaats kon hijzelf invullen. Dit was misschien de grootste inbreng van de Nederlandse structuralisten. Daardoor verschoof de klemtoon van het zijn van een avant-garde naar het vertegenwoordigen van een groep die midden in de samenleving zou staan en een bevestiging van de aanspraken van de maatschappij zou formuleren.

Hun kritiek ging naar de vertegenwoordigers van de ciam, de gene-ratie van architecten die zich voor de oorlog warm had gemaakt voor een moderne wereld. Deze groep was van mening dat de functiescheiding die de ciam had voorgestaan, moest worden voorkomen en dat naar integratie moest worden gestreefd. Hun kritiek reikte echter niet verder. Vanuit dat gezichtspunt keek zij ook naar allerlei andere samenlevingsvormen en interpreteerde die als vormen waarvan geleerd kan worden. Het leren van iets en dus het transformeren van archetypen in nieuwe omgevingen, speelde een rol van betekenis. Daarmee werd een decontextualisatie ingeleid waarbij geen rekening werd gehouden met de sociale, klimatologische of andere factoren die ooit tot dergelijke archetypische vormen hadden geleid. De eigenzinnigheid van de gekozen vorm of structuur was bepalend. Deze vorm was universeel geldig. Sommige architecten gebruikten in plaats van het woord structuur liever de term configuratie, waarmee meer de sociale implicatie van de vorm werd aangegeven.

Spreekbuis van jonge architecten

Toen het structuralisme in de architectuur als categorisch en dwang-matig begrip werd geïntroduceerd en deel werd van de geschiedenis van de -ismen, was het einde in feite bereikt. De noemer dekte de lading slechts gedeeltelijk. Het structuralisme is een onzuiver mengsel van allerlei invloeden en overwegingen en kan moeilijk worden begrepen als een organisch gestructureerde beschouwingswijze. Het is veel meer het opnemen en verwerken van allerlei elementen die uit andere disciplines stammen en die laten zien dat de architectuur synchroon met haar tijd liep. De nadruk lag op een gestructureerd
reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Door het opbouwende karakter van deze handeling te benadrukken, werd gepoogd een tegenwicht te geven aan alle disruptieve en subversieve bewegingen in de maatschappij. Het is dan ook niet vreemd dat de ‘structuralisten’ in de architectuur een nieuwe orde wilden aanbrengen die gericht was op het vergroten van de vrijheid vanuit de structuur zelf. Deze structuur moest orde, ruggengraat en vrijheid geven aan de democratische samenleving.

Zij waren in dat opzicht proactief maar maakten op geen enkele manier deel uit van de provobeweging. Het waren niet de nozems of de anarchisten van hun tijd. Het waren niet de situationisten en ze hadden weinig op met gezagsondermijnende figuren. Ook kunstenaars als Asger Jorn, Lucebert en tot op zekere hoogte Constant Nieuwenhuys konden niet op hun instemming rekenen. Die gingen te ver in hun zoektocht naar een absolute vrijheid en waren te veel bereid om de donkere zijde van het bestaan een plaats in hun werk te geven. Dit leidde tot hoog oplopende ruzies die vooral Van Eyck met graagte aanging, maar waarvoor hij eigenlijk geen plaats had. Hij bloeide echter op in zijn ‘reacties’ op alles wat hem niet zon. Cultuur werd tegenover ideologie en machtsdenken gesteld. De horzel werd een honingbij. De donkere kanten van het bestaan werden genegeerd. In dit spanningsveld kan het structuralisme in de architectuur als kunstzinnige beweging worden gezien, als een reactieve beweging die de spontane uitspattingen van het vrijheidsgevoel wilde inperken. Het nestelde zich in de ruimte tussen droom en werkelijkheid, tussen wetenschap en kunst en schipperde van het ene uiterste naar het andere.

Het tijdschrift Forum werd na 1960 de spreekbuis van de jonge architecten die later tot de structuralisten werden gerekend. Binnen de Forumredactie waren er twee polen die elkaar eerder aanvulden dan versterkten. Aan de ene kant Van Eyck en aan de andere Jacob Bakema. Voor Bakema was de woning een tweede huid die hecht van structuur en functioneel van vorm moest zijn. Voor Van Eyck was de stad juist ‘een enorm interieur: een huis voor alle stedelingen tezamen en elke stedeling afzonderlijk’. De een zag de stad als systeem, de ander als architectuur. Daarmee leek Van Eyck zich te beroepen op een humanistische positie die valt te herleiden tot Leon Battista Alberti en die door Rudolf Wittkower is onderzocht. Maar dat was gedeeltelijk schijn. Alberti formuleerde zijn architectuuropvatting op intellectuele wijze, maar zijn architectuur was allerminst een directe weerspiegeling van deze opvattingen. Tegenstrijdigheden werden door hem dikwijls in een compositie opgenomen en verwerkt, maar altijd op een herkenbare wijze.

Van Eyck had weinig op met Alberti en voelde zich aangetrokken tot Mauro Codussi die hij als een bondgenoot beschouwde, en tot Andreas Palladio van wie hij vooral de gevel van de San Giorgio in Venetië waardeerde. Door middel van deze gevel kon hij laten zien dat zogenaamde ‘ontwerpfouten’ in zijn ogen ‘tekenen van genialiteit’ waren. Het bood Van Eyck weer eens de gelegenheid om op oorlogspad te gaan. Hij was niet geïnteresseerd in de intellectuele dimensie van de architectuur uit het verleden maar in de formele kwaliteiten en het gebruik ervan. Zijn houding ten opzichte van de wetenschap kan als ‘brutaal’ worden betiteld. Hij was geen rebel die de bestaande orde omver wilde stoten. Hij wilde plaats maken voor ‘het grote aantal’. Zijn engagement was met diegenen die een artistieke revolutie wilden voltooien en niet met diegenen die een politieke verandering nastreefden. Zijn oplossingen waren formeel en niet inhoudelijk gemotiveerd. Het begrip van de polis ontging hem, ondanks het feit dat Joseph Rykwert een nummer van Forum aan het onderwerp ‘The idea of a town’ had gewijd. Daarbij werd overigens geen woord besteed aan de moderne stad die niet meer wordt bestuurd vanuit het gezichtspunt van het ‘goede bestuur’, maar vanuit de interesses van de markt en de industrie. In de huidige grote steden is de ruimte dimensie geheel door de tijdsdimensie vervangen.

Actie abonnement de Architect

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels