nieuws

Deel 1/3: Structuralisme als reactie – de jaren zestig als oplossing voor hedendaagse problemen

Geen categorie

Het begrip structuralisme is in de architectuur nog altijd omgeven door onduidelijkheden. In het oktobernummer van de architect, zet architectuur- en kunsthistoricus Herman van Bergeijk zet het begrip uiteen in een uitgebreid artikel. Hij gaat in op de houding van structuralisten en koppelt deze aan belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Deze week wordt het artikel in drie delen op productie.dearchitect.nl gepubliceerd. Dit is deel één.

Hoewel er veel over is geschreven, is het begrip structuralisme in de architectuur nog altijd omgeven door onduidelijkheden. We kunnen ons afvragen of de overheveling van dit begrip uit de linguïstische en andere wetenschappen wel als gelukkig kan gelden.Was het een aanpassing aan de tijd waarbij de architectuur liet zien dat ze op de hoogte was van wat er op andere vlakken gebeurde? Moest op wetenschappelijke wijze betekenis worden gegeven aan iets wat dreigde geen intrinsieke, dat wil zeggen geen eigen betekenis meer te hebben, maar slechts een drager van betekenissen kon zijn? Was het een teken van bewuste armoede in tijden van relatieve welvaart? En waarom volharden in het gebruik van een begrip dat in eerste instantie een doel heeft, maar dat bij nader bezien slechts moeilijkheden verhult? 

‘Pas wanneer de orde de orde niet meer verstoort, en het gezag het gezag niet meer ondermijnt, zal onze Nederlandse huishouding leefbaar zijn in het jaar 2000’, schreef Harry Mulisch in 1966. Hij keerde zich tegen de heersende regentenmentaliteit in Nederland en tegen de leiding van een kleine groep die van bovenaf zijn regels oplegde. Zijn boek was een verslag van wat in de jaren 1965 en 1966 gebeurde. Een jeugd in ribfluwelen en denim kleding ondermijnde het establishment dat in geheel andere pakken gekleed ging. De roep om vrijheid verstilde echter en het gezag van de orde werd langzaam weer hersteld. Meerdere maatschappelijke ontwikkelingen droegen daar hun steentje aan bij.

Invloed van ‘de Stijl’

Over het algemeen wordt het Nederlandse structuralisme in de architectuur neergezet als een bijzondere bijdrage aan het internationale architectuurdebat in de jaren zestig en zeventig. De Nederlandse helden zijn tot in den treure met publicaties en films gefêteerd en nog steeds worden de jaren zestig gezien als een vat vol oplossingen voor de hedendaagse problemen. Daarmee gaan we natuurlijk voorbij aan de onderliggende redenen die tot dit opmerkelijke succes en de teloorgang ervan hebben geleid. In feite was het structuralisme in de architectuur een soort van ‘rappel à l’ordre’, waarmee bewust is geprobeerd een potentieel chaotische situatie te ontregelen en te kanaliseren. Geen oproer, niet een terugkeer naar een expressionistische, experimentele uitingsmanier werd voor-gestaan, maar er werd teruggegrepen op een andere traditie die overzichtelijkheid en algehele universele geldigheid vertegenwoordigt.

In dat opzicht was de invloed van de kunstenaars van ‘de Stijl’ bijna vanzelfsprekend. Ook zij hadden zich gepositioneerd als een totale oplossing voor de chaos waarin de samenleving dreigde weg te zakken. De problemen van nu zijn echter niet die van toen. Bovendien volgde op het denken van de jaren zestig dat van de jaren zeventig! Hoewel er ongetwijfeld sprake was van een generatieconflict dat door de oorlog aan scherpte had gewonnen, zijn er ook andere motieven en redenen aan te geven waardoor het structuurdenken in de architectuur tot zo’n grote bloei kon komen. Het opdelen van de stad in woon-, werk- verkeers- en recreatiegebieden was onder vuur komen te liggen. Samenlevingen kenden een andere samenhang die na de oorlog door velen werd onderzocht.

Daarbij dient meteen te worden opgemerkt dat dit fenomeen in de architectuur weinig te maken had met het structuralisme in de sociale wetenschappen, ook al vond het de nodige ondersteuning in deze disciplines. Er was echter eerder sprake van een oppervlakkige gelijkenis dan van het overnemen van de theorieën van de linguïstische structuralisten, die dan zouden leiden tot een toepassing in en verrijking van de architectuur.

Aldo van Eyck

Dit betekent niet dat de boeken van Claude Levi-Strauss en anderen over ‘primitieve’ samenlevingen en over taal niet werden gelezen door de Nederlandse architecten. Vooral Franse intellectuelen die weinig idealisme toonden, maar een goed oog hadden voor de rest van de wereld, kregen veel aandacht. We moeten niet vergeten dat na het Duitse oorlogsdebacle de artistieke aandacht sterk was verschoven naar wat in Frankrijk gebeurde. Structuralisten, situationisten en existentialisten liepen elkaar daar in de weg.

Iemand als Aldo van Eyck was een van de uitzonderingen. Hij had oog voor wat in Frankrijk ontstond, maar zijn wortels lagen vooral in het vooroorlogse architectuur- en kunstgebeuren. Bovendien was hij te veel een kunstenaarsnatuur en geen wetenschapper. Hij kende slechts de meerkleurigheid van de regenboog en zocht naar een esthetica van het aantal en naar een configuratieve architectuur. Althans zo omschreef hij het in zijn niet van dichterlijkheid ontdane teksten. Van Eyck wilde niet met de hand maar met ‘het hart ontwerpen’. De donkere zijde van het leven ontging hem, ook al kan niet worden ontkend dat hij daarmee in aanraking is gekomen. De oorlog liet zijn sporen na, maar na deze verwoesting van waarden klonk al spoedig alleen het optimistische geluid van een nieuwe maatschappij. Aan het einde van de jaren vijftig werd dat overstemd door diegenen die zich keerden tegen de vadergeneratie en die deze deels verantwoordelijk maakte voor wat was gebeurd.

De situatie was complex en onoverzichtelijk en elk land profileerde zich op een andere en vaak tegenstrijdige manier. Dat gold zeker ook voor Nederland, waar de verzuiling langzaam overging in een waaier van opvattingen en zienswijzen. Oude en nieuwe waarden kwamen tegenover elkaar te staan. Structuur was een veel gebruikte term om aan te duiden waarnaar moest worden gezocht. Cor van Eesteren probeerde dat duidelijk te maken in zijn colleges over Nederlandse steden aan de Technische Hoogeschool te Delft. Van Eyck probeerde in zijn ontwerp voor het stadhuis van Deventer aan te sluiten op wat hij beschouwde als de ‘verfijnde structuur’ van de stad. Het huis moest een kleine stad zijn en de stad een groot huis.

De spanning tussen taal, teken en betekenis wordt door de architecten die naar een structuur zochten, niet verder opgevoerd of onderzocht. Hun houding was niet kritisch, maar poëtisch of dogmatisch. Ook de gestalttheorie die in de jaren twintig was ontwikkeld en die in het Bauhaus een toepassing vond, deed zijn invloed gelden. Dit is nooit toegegeven. Deze theorie bergt in zich de mogelijkheid tot groei en gaat niet uit van een afgerond beeld dat geen verdere verandering meer toestaat. De gestaltheoretische elementen of referenties ondermijnen de starre structuralistische kijk en gaan uiteindelijk hand in hand. De vormwil van de structuur wordt verzacht en de uiterlijke verschijningsvorm krijgt meer aandacht.

De totale indruk is van belang voor het idee dat de waarnemer van een vorm heeft en hoe hij deze wil gebruiken. Hertzberger die aanvankelijk misschien wel het sterkst flirt met structuralistische be-grippen en ook de termen van De Saussure gebruikt, gaat later steeds meer aandacht besteden aan de openheid van zijn architectonische structuren en de wijze waarop de aaneenschakeling van de afzonderlijke delen tot stand komt. De articulatie wordt subtieler. Hij breekt de vorm open en gaat zich richten op de articulatie van het tussen-gebied. Anderen spreken meer in vage bewoordingen over openheid en zien daar, in het kielzog van Sullivan en Wright, de uiting van een democratische architectuur en samenleving in. De absolute held en het belangrijkste referentiepunt is echter Le Corbusier.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels