nieuws

Wiek verdwenen – een in memoriam door Rypke Sierksma

Geen categorie

Schuimende morgen
en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
den opalen dag.

      Marsman

Wiek verdwenen – een in memoriam door Rypke Sierksma

 

In besloten kring liet de architect Wiek Röling op woensdag 20 juli 2011 deze wereld achter zich – voor de aanwezigen een vriend, een collega of een bevriende collega. Al die anderen, tegen wie hij zijn vaak ongelijke strijd voerde, waren niet uitgenodigd. We waren entre nous. Dat is ook het midden waarin zo’n man hoort te verdwijnen.

Stadsarchitect van Haarlem, verzinner van ecologisch en pedagogisch slimme scholen, schepper van enkele parels der Nederlandse Moderniteit – met Wiek verdwijnt een groot architect met een klein oeuvre. Voor hem geldt op een geheel eigen wijze het adagium less is more.

Op 15 juni 2001 vertrok hij als hoogleraar uit Delft. Veel van ontwerpen kwam er daarna niet van. In de juridische wereld zou men hem een ‘eenpitter’ noemen, iemand wiens bureau samenviel met hemzelf. Per project trok hij medewerkers aan die hem daarvoor het meest geschikt leken. In onze corporatieve wereld wordt zo’n constructie niet meer gewaardeerd, zo bleven opdrachten vaak uit. Dit zegt iets over deze wereld, weinig of niets over de architect Röling.

Wij vonden elkaar in de gedeelde liefde voor taal en architectuur en in een afkeer van onze werkplek, de Faculteit der Bouwkunde waar te veel klunzen de scepter zwaaiden. We hadden soortgelijke, geleerde vaders in Groningen en dat hebben we geweten. Bijna zaten we samen in het bestuur van de Studenten Vakbeweging, om uiteenlopende redenen bracht geen van ons tweeën het tot dit verheven ambt. Terwijl in frivool Amsterdam Luud Schimmelpenninck Wieks huwelijk inzegende, speelde ik in duf Leiden voor Provo. Decennia lang hadden we elkaar tijdens demonstraties, in comités en – waarom niet? – in onze woonstede Haarlem kunnen ontmoeten, nota bene al die jaren verre buren in dezelfde straat. Het moest duren tot de faculteit der Bouwkunde ons samenbracht.

Het leven is kort, de kunst lang. Moeder Natuur, de Dritte im Bunde, heeft echter de langste adem. We weten hoe Entropie, de eigenlijke godheid in dit heelal, haar slopend werk verricht, gelukkig zó traag dat de mens toch van een eeuwigheid mag dromen. Wiek Röling probeerde deze drie – leven, natuur en kunst – steeds bij elkaar te houden. Elk met hun eigen zelfstandigheid, maar toch verbonden met de anderen, in het besef dat een duurzaam leven omgeven door duurzame kunst de ademtocht der natuur kan verlengen. Als contexten van elkaar, zoals in zijn ronde school te Almere waarmee hij niet alleen kinderen verzamelde, maar ook hun energie en hun plezier – theaters van pret, maar voor zijn doen, onmiskenbaar besloten en afgeschermd.

Een leven lang keerde hij zich tegen de onbetamelijkheid van zorgeloze architectuur, die hijzelf ‘verloederd’ noemde. Zijn muziekpaviljoen in de Haarlemmer Hout, open als een bevriende hand, vormt van dat verval een contrapunt.

Wiek postuum vieren kan slechts door dat ene gebouw uit zijn oeuvre te lichten, eerder een bouwsel waarin hijzelf oplicht – het paviljoen dat in 1986 in de Sonsbeekse vijver dreef. Intussen verloedert ook dit als uitstalkast voor auto’s, een nieuwe stichting wil het herstellen.*

Het paviljoen te Sonsbeek – een openluchtgalerie – was van een ongeziene pracht.

 Roling 

Geen binnen, evenmin een buiten, is het van een volstrekte, horizontale transparantie. Een ijlwitte ring, waarin Wiek als juweel een smaragden natuur heeft gevat. Een rechthoek, die virtueel tot kubus wordt. Hoe gewichtig ook, de er uitgestalde kunst balanceerde op licht. Het bouwsel had de ijlheid van een Giacometti, de vluchtigheid van Bacons aan hun existentie ontsnappende gelaten. Een fáta morgana die verdampt. De oerpolen van het leven werden weerbarstig gerasterd, in dit paviljoen paarden ze en kunst werd geboren.

Was Van Eycks paviljoen in Sonsbeek een oefening in het openen van perspectieven – op het gebouwtje zelf, op de er tentoongestelde kunst; streefde Rietveld in het zijne naar de continuïteit van binnen en buiten; Wieks paviljoen was van een omvademende pracht, niettemin zichzelf in al z’n Cartesiaanse mathesis universalis wegcijferend. Het chiaroscuro van de bosrand vlamde binnen de contouren van dit koele grid.

En in mij klinken regels op van de schilderdichter Hussem:

Schrijvende torren –
de wolken in het water lezen spiegelschrift.

*Bijdragen voor het herstel van het paviljoen:
Derden rekening van notarissen MulderClercx te Haarlem
Nr.84.24.46.125 ABN AMRO
Onder vermelding van Stichting Beeldenpaviljoen Wiek Röling.
Foto Sonsbeek: Pieter Boersma

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels