nieuws

Herwaardering voor de stedebouw

Geen categorie

Op de Bouwbeurs organiseert de Architect dit jaar op dinsdag, woensdag en donderdag architectensessies. De eerste sessie ging over krimp. Volgens gespreksleider Harm Tilman een wat merkwaardig onderwerp voor op deze beurs, want dit impliceert indirect dat nieuwbouw verleden tijd is. Maar is dat ook zo? Vijf professionals gingen met hem hierover in gesprek, met de problematiek in Limburg als aanleiding. Merel Pit doet verslag.

Herwaardering voor de stedebouw

Niet alleen Nederland heeft te maken met krimp. Na de val van de muur kreeg Oost-Duitsland er mee te maken en ook in de VS, bijvoorbeeld in Detroit, is het een bekend probleem. Tim Prins (p-en-m) legt uit dat de krimp in Limburg zich onderscheidt vanwege het bescheiden niveau ervan. “Tegelijkertijd zijn de steden in het zuiden van ons land ook van een bescheiden schaal, waardoor de effecten van de krimp relatief groot zijn en het zich verspreidt als een ziekte”, aldus Prins.

Medicijn tegen krimp

Tilman vraagt zich vervolgens af: “Als krimp een ziekte is, bestaat er dan een medicijn?” Prins antwoordt hierop dat Limburg moet gaan slopen en niet zoals in de Randstad gaan herbestemmen. Daarvoor is er te veel ruimte. Het is volgens hem van belang om de samenhang van de steden te waarborgen. Daarom moet er alleen nog worden gebouwd in het centrum van steden, anders worden ze uit elkaar getrokken.

Krimp is geen modeverschijnsel

Riek Bakker (Riek Bakker Advies) heeft recent twee visies gemaakt, voor Midden en Noord-Limburg. Volgens haar is de eerste stap het overtuigen van de bestuurslagen dat krimp geen modeverschijnsel is, maar blijvend. Bestuurders in Limburg hebben oogkleppen op. Daarnaast heeft de regio te maken met het feit dat jonge mensen er weg trekken en dat de rest van de bevolking vergrijst. Dit zijn drie grote problemen die serieus moeten worden aangepakt. De erkenning hiervan is de eerste stap naar een oplossing.

Daarna kun je volgens Bakker een strategie uitzetten. Een belangrijk onderdeel hierin is de programmering, waarbij de ondernemers in het gebied leidend zijn. Zij zijn immers werkzaam in de sectoren die van betekenis zijn voor de regio. Overheden moeten op hun beurt deze ondernemers stimuleren en zo een beweging op gang krijgen, in plaats van met afgeronde plannen te komen.

Paradigma wisseling

David Mulder en Max Cohen de Lara (XML) bevestigen dat veel bestuurders nog niet om kunnen gaan met krimp. Hun manier van werken is gebaseerd op groei. De neiging om alle plekken programmatisch op peil te houden is daarom groot, maar gezien de demografische ontwikkeling (de bevolking in heel Nederland neemt af), niet realistisch. Een voorheen kwantitatieve opgave wordt kwalitatief. “Gebieden die achterblijven, moet je niet blijven pushen en verschillen moeten worden geaccommodeerd”, aldus XML. Het bureau kan zich dan ook goed voorstellen dat krimp in een gebied juist een kwaliteit is.

 Rondetafel gesprek 8 februari: Krimp Max Cohen de Lara en David Mulder van XML

Een interessante kanttekening die Mulder en Cohen de Lara hierbij plaatsen, is dat de schaal waarop je een gebied bekijkt van belang is. Zo krimpt de bevolking in heel Nederland, maar groeit Amsterdam. Zo krimpt Heerlen, maar groeit de Euregio waarvan de stad deel uitmaakt.

Groen cement

Om hun stelling kracht bij te zetten, vertellen de architecten over Tallin. Sinds Estland onafhankelijk is geworden, is Tallin enorm gegroeid, terwijl de bevolking is afgenomen. In een prijsvraag vroeg de stad om een nieuwe vismarkt en een plan waar ze meer konden bouwen, want de stad is gefragmenteerd door vele lege plekken. XML dacht de open plekken vol te bouwen met bos en te investeren in kleine specifieke plekken, zoals de vismarkt.

Krimp is geen nieuwe opgave

Wouter Veldhuis (MUST) relativeert de opgewonden toestand in Nederland over krimp. Volgens hem is dit al dertig jaar bezig, maar lang ontkend. Nu ineens is het aan de orde, omdat partijen geld verliezen.

Volgens hem moet er in krimpgebieden worden gekeken wie er belang bij hebben dat er iets gebeurt. Dit houdt in dat er samen met de bewoners moet worden nagedacht over de toekomst. Voorheen kwamen overheden op opgaven voor stedebouwers: er werd iets duurs gepland als een station of een winkelcentrum en daarom heen werd dan een plan gemaakt voor vastgoed om uit de kosten te komen. De discipline stedebouw moet zich weer gaan bezighouden met de ruimte ertussen, dat wat ze hoort te doen.

Veldhuis illustreert dit met het voorbeeld van Sas van Gent waar zijn bureau werd gevraagd te komen helpen, terwijl er geen opgave was. MUST dacht samen met de bewoners na over de toekomst. Dit heeft een structuurvisie opgeleverd, die iedereen heeft ondertekend. Uitgangspunt is het verbeteren van het vastgoed en de openbare ruimte en de zoektocht naar nieuwe gebruikers, zoals een scouting of een volkstuinenvereniging.

Kansen voor krimpgebieden

Tilman vraagt aan de panelleden of er kansen zijn voor krimpgebieden. Volgens Bakker zijn die er zeker, maar dan moet er wel motivatie zijn om met de problematiek aan de slag te gaan. Daarvoor is nuchterheid nodig en zicht op een perspectief, maar bovenal de wil om er iets van te maken.

Veldhuis geeft tevens aan dat die er zijn, maar dan moet er wel worden gekozen. “Je kunt niet alles programmatisch op peil houden”. Hij vindt in dit kader het ziekenhuis dat ligt tussen Sittard en Geleen, en niet in één van beide steden, een duidelijk voorbeeld waarbij niet gekozen is en wat een “onvoorstelbare uitholling van de bestaande stad” tot gevolg heeft. Hier is volgens hem stedebouwkundig niet goed gekeken naar de werkelijkheid. Prins beaamt dit en zegt: “je moet in krimpgebieden heel sensibel zijn met nieuwbouw”.

Waar ligt het werk voor stedebouwkundigen?

Op de vraag of er in krimpgebieden wel ruimte is voor stedebouw, antwoordt Prins dat door krimp de ruimte tussen vastgoed groeit en dat daar een grote opgave ligt. Er zit volgens hem veel potentieel in deze onbestemde ruimte, doordat het creativiteit stimuleert.

“Maar van wie krijg je dan opdrachten? Waar vind je je klant?”, vraagt Tilman het panel. Bakker reageert nuchter dat klanten vinden van alle tijden is. “Wanneer de markt en de gemeente niet mee willen werken dan moet je naar de mensen toe. Zoek naar hun vraag.”

Veldhuis relativeert de huidige malaise in de bouw, door te stellen dat over veertig jaar alles weer anders is en dat er dan weer een rijke generatie zal zijn en werk genoeg. Zo is de Amsterdamse binnenstad op een gegeven moment ook gekrompen. Eerst woonden er drie gezinnen in een grachtenpand en nu een stel tweeverdieners. “Iedereen denkt maar in speculatie en in nieuwbouw. Daar moet een streep door.”

Voor Limburg heeft Veldhuis ook een oplossing: de regio moet investeren in een openbaar vervoerverbinding met Aken en niet in een aansluiting op het snelwegennetwerk naar de Randstad. De Euregio heeft volgens hem de toekomst. Prins vindt dit iets te kort door de bocht, aangezien de financiële stromen nog steeds uit Nederland komen. Ook Bakker vindt dat Veldhuis Limburg te gemakkelijk afsnijdt.

Wat moet Limburg nu doen?

Tilman neemt de stelling van Veldhuis over dat over veertig jaar Nederland er heel anders uitziet. “Maar wat moet Limburg dan nu doen om die veertig jaar te overbruggen?”, vraagt hij. XML is voor keuze. “Versterken wat je hebt en daarbij letten op de identiteit.” Prins denkt ook dat de oplossing zit in het ontwikkelen van het bestaande in plaats van “betongieten, zoals we gewend zijn.”

Bakker is het echter niet eens met het gericht ontwikkelen en versterken van delen van Limburg. Volgens haar moet er niet alleen een plan komen voor de steden, maar ook voor het platteland. “De regio moet in zijn totaliteit worden aangepakt. En de regio moet iemand aanstellen die het wordt gegund de leiding te nemen.”

Tilman vat haar bijdrage aan het gesprek kort samen: “Riek Bakker pleit voor de herwaardering van de stedebouw”. Een mooi einde van een enerverend gesprek.

Verslag: Merel Pit

Reageer op dit artikel