nieuws

De stedebouwkundige is geen superheld

Geen categorie

Aansluitend op de architectensessie over krimp hield Jeroen de Willigen van bureau De Zwarte Hond een lezing over ‘De toekomst van de stedebouw’. Hij zegt dat stedebouwkundigen zich laten verdringen door architecten, maar gelukkig hebben ze nu weer een voorsprong. In zijn presentatie maakt De Willigen duidelijk wat hij en zijn collega’s in deze tijd kunnen betekenen. Merel Pit doet verslag.

De stedebouwkundige is geen superheld

 

 

Voordat De Willigen ingaat op de toekomst blikt hij eerst terug. Naar 2004, het jaar waarin volgens hem de stedebouw is overleden. Toen werd Mels Crouwel als Rijksbouwmeester aangesteld en in dat college zat geen enkele stedebouwkundige. De hoogconjuctuur was op zijn top en architecten gedroegen zich als popsterren. Architecten konden alles en zochten nieuwe mogelijkheden bij belendende disciplines, terwijl stedenbouwkundigen zich beperkten tot enkel en alleen het eigen vakgebied. Architecten namen het vak van de stedebouwkundigen over. Zo werd stedebouw een abstractie van architectuur en verdween de strategische component uit het vak.

De Willigen illustreert dit onder andere met het ontwerp van landschapsarchitect Adriaan Geuze voor Borneo-Spooren in Amsterdam. Daar is op de typologie van de patiowoning, met andere woorden vanuit de architectuur, een heel stedebouwkundig plan ontwikkeld. Het andere voorbeeld is van architect Sjoerd Soeters die de Haverleij in Den Bosch heeft ontworpen met een landschappelijke typologie.

Kredietcrisis

Maar terwijl de stedebouw in een crisis zat, deed de kredietcrisis zijn entree. Dit leidde helaas tot een extra crisis in de stedebouw, want gebiedsontwikkelaars waren de opdrachtgevers. Ook betekende de crisis voor de PPP-constructies het einde, want daarbij was het uitgangspunt: hoe verdelen we het geld (in plaats van de risico’s zoals bedoeld). En er was geen geld meer. Daarnaast was alles wat met vastgoed te maken had, en dus ook met gebiedsontwikkeling, een louche zaak geworden.

Maar het grootste verlies van de stedebouw is volgens De Willigen toch wel de opheffing van VROM. In plaats van dat er een Ministerie van Ruimte is gekomen, moet het overleg over de ruimtelijke ordening van Nederland plaatsvinden in de bezemkast van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de kantine van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Tijdelijk ontwikkelen

Ondanks dit alles is momenteel in de stedebouw een nieuwe ontwikkeling te zien: “Als een reactie op het mislukken van grote plannen, vluchten we momenteel in tijdelijkheid.” De Willigen ziet deze goedbedoelde ‘bottom up- activiteiten als gaten vullen. Volgens hem lost dat structureel niets op. “Je verschuift alleen tijdelijk het programma”. Hij vindt dan ook dat de tijdelijke bestemming van het Schieblok alleen kan bestaan bij de gratie van het feit dat het wordt gesloopt.

 Jeroen de Willigen ligt het plan voor de markthal in Leipzich toe

Jeroen de Willigen ligt het plan voor de markthal in Leipzich toe

De redding van de stedebouw

Volgens De Willigen kan de discipline zichzelf redden door het combineren van de twee verschillende vormen van stedebouw: grote plannen maken (Make no little plans) en tijdelijkheid. Bij stedebouwopdrachten staat niet 1 enkel oplossing centraal , maar in opgaven worden kansen ontwikkeld voor mogelijke oplossingen op korte en lange termijn. Tijdelijkheid is geen beheer, maar een opmaat voor permanent programma wat hier in het verlengde van ligt. Culturele programma en commerciële programma dienen elkaar een te vullen en te versterken en moeten naast elkaar kunnen bestaan.

In Duitsland is De Zwarte Hond inmiddels met deze manier van werken begonnen. In dit land zijn beide vormen duidelijk aanwezig. Door ze bij elkaar te brengen, ontstaat een ontwikkeling die veel weg heeft van de totstandkoming van de negentiende-eeuwse stad.

Hij illustreert dit met een project in Leipzig, het Wilhelm Leuschner Platz. Daar introduceert het bureau een vorm van tijdelijkheid, een goedkope markthal van kassen, om in het gebied een economie op gang te brengen. Hier kunnen mensen hun eigen groentes verbouwen en verkopen.De kleine, informele economie dient als aanjager voor een permante economische ontwikkelingen op de plek die aanvullende zijn voor het gebied.

Na een tijdje zal er met de betrokkenen worden bekeken wat hier blijvend is te ontwikkelen.

Een ander voorbeeld is Meerstad, een grote wijk in Groningen. De strategie om dit gebied tot ontwikkeling te laten komen, is zo klein mogelijk beginnen zonder een duidelijk eindbeeld te hebben. Langzaamaan, stap je voor stapje, wordt gekeken wat er moet gebeuren, zodat het gebied zich verder kan ontwikkelen.

Collectieve wil

Duidelijk is dat beide voorbeelden pas succesvol zijn wanneer er een vorm van collectiviteit aan te pas komt, met andere woorden: wanneer er draagvlak is. Alleen dan vindt een ontwikkeling plaats. Om het belang hiervan aan te tonen, wordt gerefereerd aan een uitspraak van Ton Schaap: “Een stedebouwkundige geeft vorm aan de collectieve wil”. Volgens De Willigen is het alleen vaak onduidelijk wat deze collectieve wil is en daarbij kun je hem niet opleggen. Om daar achter te komen zijn tijd en onderzoek nodig. En zodra je die kunt benoemen, is het zaak hiervan gebruik te maken.

Een open en flexibele stedebouw

Hiervoor is een open en flexibele stedebouw nodig, die de conjunctuur en de markt veel beter volgt dan wanneer je te maken hebt met een plan waarin alles al vast staat. Dit vergt niet alleen een andere houding van stedebouwkundigen, maar ook van planeconomen, want zij kunnen alleen maar rekenen met een eindbeeld in hun hoofd.

Geen superheld

Op deze manier is de discipline weer terug bij haar oorspronkelijke uitgangspunt: het maken van een openbare ruimte die het stedelijke programma kan dragen. De stedebouwkundige moet op zoek naar de kleinste ingreep die nodig is om een ontwikkeling op gang te brengen, in plaats van te komen met een abstracte gemeenschappelijke deler.

“Het denken in een eindbeeld en in auteurschap is voorbij. De stedebouwkundige is geen super hero en geen charismatisch leider, maar iemand die probeert om niet alle keuzes vooraf en in een keer te nemen. Stap voor stap moeten keuzes worden gemaakt.” Met deze mooie woorden sluit De Willigen zijn waardevolle lezing af.

Verslag: Merel Pit

 

Reageer op dit artikel