nieuws

Infrastructuur als voorwaarde voor levendig Delft

Geen categorie

In Delft wordt de spoorzone grondig getransformeerd naar een masterplan van Joan Busquets. Hij heeft de knooppunten van openbaar vervoer ingezet om centraal gelegen stadsdelen te transformeren tot nieuwe vestigingsmilieus met hoge dichtheden. De verschillende verkeersvormen worden opnieuw georganiseerd volgens de strategie van ‘verknopen en ontdubbelen’.

Infrastructuur als voorwaarde voor levendig Delft

Volgens Busquets vormt een station tegenwoordig niet langer een eindpunt of halte in het stedelijke netwerk, zoals dat het geval was in de late negentiende eeuw. Grote artefacten zoals spoorinfrastructuur kunnen actief worden ingezet om emblematische delen van de stad te transformeren tot een kosmopolitane plek met een hoge dichtheid.

Verknopen en ontdubbelen

Bij stations is de uitdaging volgens Busquets vooral om de verschillende verbindingen die er samenkomen opnieuw te organiseren en het stedelijke maaiveld plaatselijk te vermenigvuldigen in onderling verbonden lagen. Beide strategieën van verknopen en ontdubbelen past Busquets ook toe op het masterplan voor Delft.

stationsgebouw en stadskantoor

Het nieuwe ondergrondse station zal de 20.000 reizigers die dagelijks in Delft in- en uitstappen, ontvangen op 340 meter lange perrons. Benthem Crouwel ontwierp deze ondergrondse stationshal met een typisch boogplafond. Daarop komen het stationsgebouw en het nieuwe stadskantoor, die beide zijn ontworpen door Mecanoo.

compacte oplossing voor gemotoriseerd verkeer

In de rest van het masterplan vormt het verzoenen van de zware weginfrastructuur van het gemotoriseerde verkeer met de kwetsbare weggebruiker de belangrijkste uitdaging. In Delft heeft hij herhaaldelijk de verkeerskundigen aangemaand een compactere oplossing te zoeken voor het autoverkeer, ten voordele van de permeabiliteit van de ruimte voor voetgangers en fietsers.

Meer informatie over en beeldmateriaal van de Spoorzone zijn te vinden in een uitgebreid artikel in de Architect, nr 11, 2011.

Reageer op dit artikel