blog

Blog – Wel een omgevingsvergunning maar toch moeten slopen. Hoe zit dat?

Business

In maart 2014 verleent de gemeente Groningen een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een garage. Tegen deze omgevingsvergunning is geen bezwaar gemaakt zodat de vergunning onherroepelijk is. De bouw start in mei 2014. Omwonenden starten vervolgens een procedure tegen de ontwikkelaar, met als vordering sloop van de bouw. Bij vonnis van 5 oktober 2016 wijst de rechtbank de vordering toe, ondanks de onherroepelijke omgevingsvergunning. Hoe kan dat?

Blog – Wel een omgevingsvergunning maar toch moeten slopen. Hoe zit dat?

Wat was er gebouwd? Niet gebruikelijk maar in dit geval wel handig: in het vonnis was een foto van de bouw opgenomen.  Het is een 11 meter hoge blinde muur. Zes omwonenden hebben tegen deze bouw geageerd, stellende dat een dergelijke muur voor hen onrechtmatige hinder oplevert.

Hinder?
Artikel 5:37 BW bepaalt dat een eigenaar van een erf geen onrechtmatige hinder aan omwonenden mag toebrengen, door onder meer het onthouden van licht en lucht of door het veroorzaken van overlast. De rechter is tijdens de procedure, vergezeld van partijen, ter plaatse gaan kijken. De rechter heeft geoordeeld:

“6.11 Naar het oordeel van de rechtbank levert de omvangrijke opbouw door de onthouding van licht en uitzicht, gelet op de aard, ernst en de duur daarvan, voor [eiser 1] en [eiser 2] een zeer aanzienlijke stoornis in het genot van hun eigendom op. Hiertoe wordt overwogen dat uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, als ook uit de overgelegde foto’s (zie rechtsoverweging 2.10.) en de bezichtiging van de situatie ter plaatse, gebleken is dat de hoeveelheid zon- en daglicht in de woning van [eiser 1] en [eiser 2] en hun uitzicht op de achter de bebouwing gelegen binnentuinen in belangrijke mate wordt beperkt.”

Al met al voldoende aanleiding voor de rechtbank om de ontwikkelaar te veroordelen tot sloop van de bouw. Normaal gesproken wordt een dergelijk vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het meteen gelding heeft, ongeacht de vraag of één van de partijen nog in hoger beroep gaat. In dit geval heeft de rechtbank de uitvoerbaarheid bij voorraad aan het vonnis onthouden: het vonnis heeft pas werking als het Hof er over heeft geoordeeld.

Maar die omgevingsvergunning dan?
Op Twitter heeft het vonnis stof doen opwaaien, zeker onder architecten. “Ja maar de omgevingsvergunning dan?” In 1972 heeft de Hoge Raad al geoordeeld, dat een vergunning de vergunninghouder niet vrijwaart voor aansprakelijkheid. Dat is dus niet nieuw. Wat daarbij vooral van belang is, is dat de aanvraag omgevingsvergunning precies binnen het bestemmingsplan viel. Zoals bekend zal zijn, toetst het College aan het bestemmingsplan, de bouwverordening, het bouwbesluit en de redelijke eisen van welstand. Als een vergunningaanvraag daar aan voldoet, mag het College de vergunning niet weigeren. De belangen van derden, zoals omwonenden, zijn binnen de vergunningverlening niet meegenomen. Zou een afwijkingsprocedure (artikel 2.12 Wabo) zijn doorlopen, dan zouden de belangen van derden wel zijn meegenomen en dat had een vordering op grond van hinder mogelijk minder kans gemaakt.

Moraal van het verhaal: ook al heb je een omgevingsvergunning, het staat de rechter nog steeds vrij om te beoordelen of het pand toch onrechtmatige hinder meebrengt.

Had dit voorkomen kunnen worden?
Als gezegd: op Twitter is dit vonnis flink bediscussieerd. Daar werd de suggestie gedaan, dat de ontwikkelaar de omwonenden mogelijk beter had moeten informeren. Misschien het plan nog wat had moeten aanpassen. Als omwonenden het gevoel hebben dat zij inspraak hebben, is de acceptatie van een dergelijk plan vaak groter. En kan de kans op juridisch gedoe wordt verkleind.

De vindplaats van het vonnis op 5 oktober 2016 kun je terugvinden op rechtspraak.nl onder noemer: ECLI:NL:RBNNE:2016:4439

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels