blog

‘Aanbesteden mag vrolijker worden‘ De voor-en achterkant van architectuur #1. Een gesprek met architect Ninke Happel.

Business

Ninke Happel van het architectenbureau Happel Cornelisse Verhoeven ontvangt me in het Rotterdamse Scheepsmakerkwartier. Het tienkoppige bureau is nog niet zo lang geleden naar deze locatie verhuisd, wat goed te zien is. Op het bureau heerst een rustige, ongedwongen sfeer. De modellen van verschillende projecten in uiteenlopende stadia springen direct in het oog.

Het is de eerste keer dat we elkaar ontmoeten en Ninke geeft zelf richting aan ons gesprek. Ze zegt “Je kan in Nederland als architect slechts hopen dat je tijdens een aanbesteding je opdrachtgever of de gebruikers ook daadwerkelijk ontmoet. Tegen hen kun je tenminste zeggen: ‘ik kan doen wat jij vraagt’.“

België als voorbeeld van transparantie

Floris Cornelisse en Ninke Happel begonnen hun bureau in 2007, na het winnen van de Europan 8 competitie voor de locatie Enschede. Partner Paul Verhoeven sloot zich in 2010 aan en sinds 2013 heet het bureau HCVA. Op dit moment werkt het hoofdzakelijk aan publieke opdrachten en is het bij het verkrijgen van zijn opdrachten voor het overgrote deel afhankelijk van Europese aanbestedingen. Het is geen geheim dat de manier waarop de aanbestedingspraktijk in Nederland is geregeld al jaren een heet hangijzer is. Volgens Happel kunnen we veel leren van onze zuiderburen.

“We hebben na 2007 ingezet op de open oproepen van de Vlaams Bouwmeester. Hierbij staat die kwaliteit centraal. Dus geen nadruk op omzet of referentie-eisen. Wat hadden wij nou voor gebouwd werk? Niks… we hadden enkel wat prijsvragen gewonnen. En we hadden ook helemaal geen omzet. En toch werden we door Marcel Smets uitgenodigd, in korte tijd hadden we vier langlopende projecten waarmee we een basis konden leggen voor ons bureau.”

“Ze pretenderen in België niet dat architectuur te objectiveren is, maar wel dat je kunt streven naar een zo objectief mogelijk beoordelingssysteem. En dat laatste doen ze door de open oproep zo transparant mogelijk te maken.“

Ambacht en verantwoordelijkheid

“In België heb je voor elke bouwaanvraag een architect nodig. Zonder architect kun je geen bouwplaats voeren. Het is niet zo dat je macht hebt, maar het onderlinge samenspel is veel interessanter. Het begint met verantwoordelijkheid, in Nederland is de aannemer ook verantwoordelijk voor de uitvoering. Waarom? Omdat de architect op een gegeven moment heeft geaccepteerd dat hij dat niet meer hoefde of wilde zijn.”

Voor Happel draait alles om het nemen en het krijgen van verantwoordelijkheid.

“Zo lang je tekent, bepaal je wat wordt gebouwd. Wij hebben veel geleerd van onze projecten in België. Als hoofdopdrachtnemer van alle adviseurs ben je de spin in het web. We hebben gemerkt dat wij het heel erg leuk vinden om voor alle aspecten van de bouw verantwoordelijkheid te dragen.”

Collectief antwoord

In België ben je als architect tien jaar aansprakelijk voor je werk en voor de materialen die je kiest. De aannemer heeft wel signaalplicht.

“Die aansprakelijkheid werkt twee kanten op, je gaat er heel serieus mee om, je gaat niet een slecht detail voorstellen. Maar het zorgt er ook voor dat je heel serieus wordt genomen door je opdrachtgever. Want die denkt ook, die gaan ook niet over een nacht ijs, die hebben er goed over nagedacht. In België hebben de architecten zich verenigt in het AR-CO (architecten-collectief). Dit is een verzekering voor en door architecten, die altijd verzekert. Dit betekent dat je als architect weet wat je doet en ook dat je daar serieus mee omgaat.

De kracht van deze collectiviteit dreigen we volgens Happel binnen de Nederlandse architectengemeenschap te verliezen of zijn we misschien al kwijtgeraakt. Volgens Happel zou ze echter deel moeten uitmaken van iedere opdracht die een architect ontwerpt en uitvoert.

“We ontwerpen als collectief en vervolgens wordt dat ontwerp in het atelier verder uitgewerkt. We vinden het leuk om die ontwerpen te maken en die verhalen goed en strak te krijgen. Als bij ons iets naar buiten gaat is het al drie keer bekeken en bediscussieerd. En het komt niet zo vaak voor dat we ergens komen en dat wordt gezegd ‘ nou dat vinden eigenlijk helemaal niks ‘ Als dat gebeurt kun je uitleggen waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt.”

 

Het idee

In de manier waarop het bureau zich presenteert voeren verstilde tekeningen en foto’s van maquettes de boventoon. Aan een van de wanden in de bespreekruimte van het bureau hangt een grote foto van een maquette in rode klei op rode aarde. Ik vraag me af of HCVA bewust ontwerpen zo abstract uitbeeldt. Het lijkt immers in contrast te zijn met de open, transparante manier waarop HCVA omgaat met zijn opdrachtgevers.

“Als een project ‘staat‘ maken we altijd een maquette die de essentie van materiaal en vorm weergeeft. Wij merken dat onze opdrachtgevers dat prettig vinden. Dat rode huis uit klei is door mijn vader gemaakt. In klei zit namelijk veel spanning en wij wisten niet hoe wij dit in klei konden maken. Het is de eerste abstracte maquette die we zo hebben gemaakt. De kleur rood overheerst omdat het ‘huis ’, een streekbezoekerscentrum in een ijzerrijk gebied ligt. Deze foto ging mee tijdens de presentatie en de opdrachtgever was zó enthousiast dat hij direct 1.000 huisjes bestelde.”

“Voor ons is de vraag altijd; of je het goede idee kunt vinden waarmee je een koevoet tussen de deur te krijgen en het plan een drager kunt geven tot aan de realisatie toe. Ik kan zeggen dat de plannen die we hebben gemaakt ook allemaal zijn uitgevoerd volgens ons eerste idee. Als een idee goed is, dan vindt iedereen dat want anders is het geen goed idee. Als we dat goede idee niet kunnen vinden, weten we eigenlijk al dat we het project niet zullen binnenhalen. ”

Het bureau omschrijft zijn architectuur als ‘bescheiden en eigen‘, bescheiden in voorkomen en eigen aan de plek. Wat opvalt is dat vaak met minimale ingrepen ruimte wordt gevonden om de opdracht letterlijk en figuurlijk open te breken. Ondanks het bescheiden en minimale karakter is ornamentiek en versiering zichtbaar in de manier waarop materialen zijn verwerkt.

“We zoeken vaak advies hoe je bijvoorbeeld kunt metselen en dan blijkt dat in Nederland nog veel vakmanschap aanwezig is.”

Wat is nu de voor-en de achterkant?

Bij Happel lijken de voor- en achterkant van de architectuur door elkaar heen lopen. Het plezier wordt ook gevonden in het antwoord dat je als architect formuleert of de insteek die je bepaalt. Toch blijkt er na lang doorvragen wel degelijk een achterkant te zijn. “Over de achterkant wordt weinig gesproken. Als een achtertuin die niet altijd wordt aangeharkt. Voor mij is dat het Nederlandse aanbestedingsbeleid Dat kan veel transparanter zijn. Veel vrolijker ook, want nu is het toch vooral een vervelende jaloeziewereld. “

“Een aanbestedende dienst kan zelf vorm geven aan de manier waarop de wet wordt toegepast. In Nederland wordt objectiviteit geveinsd. Je kunt architectuur echter niet objectief beoordelen, je hebt er ook een gevoel bij als het goed is. Maar je kunt het wel zo objectief mogelijk maken door een fijnmazig beoordelingssysteem toe te passen en wisselende selectiecommissies aan te stellen. Ik adviseer publieke opdrachtgeversom architecten, ontwerpers en mensen die verstand hebben van ruimte in een selectiecommissie te zetten. Kies de mensen die deze klus het beste kunnen klaren en laat dat niet door de managers doen die over geld en planning gaan. Want over geld en planning kun je gewoon een afspraak maken.”

“Ik vind dat opdrachtgevers zichzelf te kort doen als ze procesmanagers de ruimtelijk adviseurs laten kiezen. En dat bedoel ik met verrassen, een goede architect kan je echt verrassen.”

Happel steekt haar hand ook in eigen boezem. Volgens haar leeft binnen de architectengemeenschap de idee-fixe dat kritische vragen of in beroep gaan over een Europese aanbesteding automatisch leidt tot uitsluiting.

“Als je aan de voorkant geen vragen stelt kun je aan de achterkant geen bezwaar meer maken. Mensen zijn bang geworden om feitelijk en rechtvaardig te zijn. Wat is er eigenlijk mis met er iemand op te wijzen dat een selectie niet objectief is? Dat het misschien zus en zo kan, niks toch? Het is alleen maar superfijn, als je als architectencollectief meedenkt.”

Ze vindt dat architecten niet moeten klagen. Ze merkt dat in de Nederlandse architectuur een bodem ontstaat om inhoudelijk bij te dragen aan wat zij ‘het collectief sturen op kwaliteit ‘ noemt. “Ik zou daar best met een aantal knappe koppen over willen spreken, maar je hebt een haakje nodig.”

In dit eerste gesprek over de voor-en achterkant van architectuur heeft Ninke Happel de toon gezet. De voorkant; het plezier in het verrassen, het vinden van het goede idee en het nemen van verantwoordelijkheid voor een opdracht gaan hand in hand met de praktijk van alledag die verre van rooskleurig is maar waarin architecten en opdrachtgevers aan zet zijn om dit te verbeteren.

Op mijn vraag wie in deze serie mijn volgende gesprekspartner zal worden, stelt ze advocaat Fabian Horsting voor: “Hij adviseert architecten en geeft workshops waarin je leert om te gaan met de juridische kant van aanbestedingen. Ik zie dat als de achterkant, maar het zou mooi zijn als dit de voorkant wordt.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels