blog

Architect in Darwinistische tijden

Business

Wat is de essentie van het vak, zijn we daar niet te ver vanaf geraakt en wie moet het tij keren? Onder leiding van Harm Tilman, hoofdredacteur van De Architect zochten architecten uit verschillende ‘bouwjaren’ tijdens het Architectuurcafé ‘On speaking terms’ fundamentele antwoorden op deze vragen. Aan tafel: Wim Quist (1930), Rudy Uytenhaak (1949), Thijs Asselbergs (1956), Marnix van der Meer (1972), Jurg Hertog (1973) en Oscar Vos (1979). Resultaat: een diepgaande reflectie op het vak van architect, geplaatst in het perspectief van deze tijd.

Architect in Darwinistische tijden

Na het uitbreken van de crisis in 2008 is zo’n zestig tot zeventig procent van de architecten uit het vak verdwenen. Begrippen als ‘Starchitect’ en bureaus als MVRDV hebben langdurig het beeld bepaald. Daar raken we nu, door de nieuwe, veel moeizamere tijdgeest, op een snelle manier ver van verwijderd. Rouwig hoeven we daar wat mij betreft niet over te zijn. Tijdens de avond kwam al snel het verschil in optimisme en pessimisme over de huidige tijd aan de oppervlakte.

 Uytenhaak
Rudy Uytenhaak (Rudy Uytenhaak Architectenbureau)

Schifting in het vak

Rudy Uytenhaak sneed de kwestie van ambachtelijkheid aan en schetste daarbij een somber perspectief. Vanouds kwam een jonge architect terecht in een soort leerling-meestersituatie. Dit betekende onderaan beginnen en eindeloos oefenen in de praktijk. Uytenhaak: ‘Je moet als architect die uren echt kunnen maken, 10.000 uren maar liefst, om ervaring op te doen. Ik beschouw het als een minimumvereiste. Maar in de economie van vandaag red je dat niet.’ Ook Thijs Asselbergs zag de huidige tijd omhuld door een donkere wolk: ‘We hebben te maken met een enorme schifting: slechts tien procent van de bureaus gaat het halen, en alleen als ze een duidelijke signatuur hebben. Rond dertig procent van de architecten gaat bij een aannemer werken. De rest verdwijnt en wordt bakker of slager’.

 Asselberg
Thijs Asselbergs (Architectuurcentrale Thijs Asselbergs)

Optimisme van de jonge generatie

De jongere generatie toonde zich veel optimistischer. Zij zien kansen voor architecten, mits ze andere rollen durven en kunnen nemen. Oscar Vos: ‘Onze generatie staat, noodgedwongen, anders in de maatschappij en in processen. We zijn initiërend, we zoeken contact met grote bureaus, we zoeken naar samenwerking en we gaan in gesprek met de opdrachtgever die vaak een veel meer vragende en afhankelijke rol heeft.’ Opdrachtgevers zijn vooral bezig met het zoeken naar kansen en mogelijkheden om toch projecten van de grond te krijgen. Architect en opdrachtgever hebben daardoor meer dan ooit een gemeenschappelijk belang. Dat vraagt veel meer dan ooit veelzijdigheid van de architect.

 Oscar Vos
Oscar Vos (denieuwegeneratie)

Zoektocht naar onderliggende vraag

Marnix van der Meer sloot daarbij aan: ‘Professionele ontwikkelaars hebben niet meer hun standaard Excel-sheets. Projectmanagers zijn wegbezuinigd. Het is veel meer gezamenlijk kijken naar ‘wat is de vraag, wat is de onderliggende opgave? Jurg Hertog bevestigde dit beeld: ‘Architecten zijn steeds meer zelf ontwikkelaar, fondsenwerver en zijn vaak op een verhalende manier met het vak bezig. Aard en schaal van de projecten zijn wezenlijk anders en architecten staan heel actief in de projecten waar ze mee bezig zijn’.

 Marnix van der Meer
Marnix van der Meer (Zecc Architecten)

Kwaliteit als leidraad Wim Quist beoordeelde het optimisme van de jongere generatie als zeer positief: ‘Ik ben zelf gevormd door de crisis van de jaren dertig en de voortdurende angst voor een faillissement. Spaarzaamheid, hard werken en ondernemerschap waren voor mij essentieel en hebben me sterk gevormd. Het was belangrijk om je zaken goed op orde te hebben. Ik had het angstbeeld dat ik mijn hand zou moeten ophouden en daarmee mijn vrijheid kwijt zou raken. Voor mijn generatie was het vanzelfsprekend dat wat je ontwierp kwaliteit moest hebben. Het werd immers voor langere tijd neergezet! Je voegt als architect iets toe aan de gebouwde omgeving. Dat vereist maatschappelijke verankering. Tegenwoordig noemen ze dat duurzaamheid, maar voor ons was het een vanzelfsprekendheid’.

 Wim Quist
Wim Quist (Quist Wintermans Architekten)

Water door de Rijn

Waar gaat de architectuur zich vernieuwen? Thijs Asselbergs: ‘We zitten volop in een Darwinistisch, zuiverend proces. Er zal nog veel water door de Rijn stromen. De tijd van de grote opdrachtgevers en de krachtige politiek is voorbij. De Gietema’s, Duivesteijns en d’Ancona’s van vroeger zijn vervangen door een veel onduidelijker opdrachtgeversgremium. De corporaties moeten nog worden gesaneerd.’ Tegelijkertijd zegt een crisis op zichzelf niks over de kwaliteit van de architectuur. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd een van de toppen in de architectuur bereikt, met Michel de Klerk, gekenmerkt door veel vakmanschap en de veelgeloofde detaillering. Asselbergs: ‘Dat kon toen, vanwege de ongelofelijk lage lonen, iets wat nu niet meer denkbaar is. Er was goedkope arbeidskracht’.

Hoop uit crisis?

Ik betwijfel echter sterk of we hier optimisme uit kunnen putten. Zijn we niet te ver op de weg geraakt van het ‘snelle cashen’ en de spreekwoordelijke kaasschaaf? Lage lonen kennen we nauwelijks nog in de westerse wereld. En naar alle waarschijnlijkheid komen die ook niet teug. Nederland kent een gedurende vele decennia opgebouwde, zwaarbevochten arbeidsbescherming en hoge lonen. En of een aanwas van particulieren als opdrachtgever in onze tijd een garantie is voor goede architectuur, waag ik te betwijfelen. Heel wat ambachtelijke vaardigheid is verdwenen en onbetaalbaar geworden. De tijden zijn veranderd en oplossingen van toen zijn niet de oplossingen van nu.

Culinaire wereld

Architecten bewegen zich niet altijd op een heldere manier op het maatschappelijk veld. Daardoor komen ze nogal eens buiten spel te staan. De huidige crisis en het ontbreken van geld zijn zeker een factor, maar niet eens de grootste. Het is ook de ontbrekende invloed van de architect in het proces. Veel heil voor de toekomst verwacht ik niet op dit vlak. Vanuit de politiek wordt op dit moment immers alleen op geld gestuurd. ‘Belangrijker is dat we zichtbaarder worden’, aldus Uytenhaak: ‘In de culinaire wereld hebben ze dat veel beter voor elkaar, men zoekt de publiciteit en voert een pleidooi voor kwaliteit in voeding en in restaurants. Daar schieten wij in tekort. Wij moeten telkens weer ons bestaansrecht bewijzen. Het opzoeken van de publiciteit is essentieel, aldus Uytenhaak: ‘Gemeentebestuurders lezen kranten en kunnen zomaar geraakt worden door de architectonische kwaliteit van gebouwen en de impact daarvan op hun stad. Dat moeten we niet onderschatten. Follow the money en zie kansen, neem die ook’.

 Jurg Hertog
Jurg Hertog (Emma architects)

Ontbreken van debat

Asselbergs stak de hand in eigen boezem: ‘We moeten als architectuurwereld meer reflecteren en kritischer voor onszelf en anderen zijn. Er is geen architectuurdebat en dat hebben we aan onszelf te danken, ik verwijt dat mezelf ook. We durven elkaar niet te bekritiseren, we twitteren en ‘liken’ elkaar slechts. Een kritische houding naar onszelf en elkaar betekent dat je jezelf en de ander serieus neemt’. Uytenhaak: ‘Waar ook kansen liggen is in de politiek. Er worden om ons heen beslissingen genomen over de bestaande woningvoorraad. Zo is er de woningbouw die in de periode 1945-1990 is gerealiseerd, voor een periode van vijftig jaar. Wat moet daar mee gebeuren? Daar kunnen grote opgaven uit voortvloeien. We moeten dan ook bij dit soort beslissingen vooraan staan en de politiek souffleren, zodat ze straks niet om ons heen kunnen. We moeten daar alerter in worden en aan de weg timmeren’.

Hoop voor nieuwe generaties

De nieuwe rollen die het hele spectrum van ontwerp tot ontwikkeling beslaan, sluiten volgens mij goed aan op de proactieve houding van veel jonge bureaus. Zij kiezen noodgedwongen voor een meer integrale benadering van het eigen vak. Is dat dan puur de kracht, energie en inventiviteit die iedere jongere generatie per definitie karakteriseert? Ik denk niet dat het dat alleen is. Generaliseren zou dan ook niet terecht zijn. Dé jonge architect bestaat niet en een groot aantal is al weer uit beeld verdwenen, net als veel beroepsgenoten in de hogere leeftijdscategorieën die uitgestroomd zijn. Kortom, het blijft een selectie van bureaus die het, tegen de stroom in, wél redden. Maar ik beschouw het als een mooi en hoopgevend signaal dat er in de huidige omstandigheden wel degelijk bureaus zijn die hun weg zoeken en vinden en daarbij alle inventiviteit aan de dag leggen. Het is het optimisme van de toekomst, waar we niet zonder kunnen, zeker niet in de huidige tijd.

FASade 

Publieke architectuur

Waakzaamheid is geboden. Positief is dat de jonge generatie, zelf opgegroeid in welvaart, bereid is tot aanpakken en tot offers brengen. Tegelijkertijd kunnen we vaststellen dat het publieke veld van architectuur en openbare ruimte voor hen nagenoeg gesloten is. Waar de vorige generatie het architectuurdebat te veel links heeft laten liggen, dient de jongere generatie zich daarin juist te mengen, om zichtbaarder te worden en de kwestie van de publieke architectuur (lees ook: de openbare aanbestedingen) steviger te agenderen. Iets meer gerechtvaardigde collectieve opstandigheid en zichtbaarheid als beroepsgroep in het publiek debat zijn volgens mij niet verkeerd.

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels