blog

Architectuur onder vuur

Business

Architecten zijn per definitie optimisten. De Engelse architect Adam Caruso vertelde ooit dat als je architectuur maakt, je constructief bezig bent en te allen tijde positief probeert te denken en doen. In een tijd zonder optimisme is het echter moeilijk optimistisch te zijn. Hoe onterecht ook, architecten zitten in de verdrukking, zoals afgelopen week verschillende malen bleek.

Architectuur onder vuur

 

Verbaasde reacties

In een nu al geruchtmakend artikel in het Financieel Dagblad van 7 januari beweert Willem Schenk, architect van de Zwarte Hond te Rotterdam en voorzitter van de BNA, dat “de hoogtijdagen voorgoed voorbij [zijn]”. Hij vindt niet dat architecten worden gemarginaliseerd, maar stelt wel dat de beroepsgroep een kleine rol krijgt. Architecten “die nog steeds vinden dat ze het hele proces moeten beheersen” krijgen het lastig. Het is niet meer vanzelfsprekend dat de architect alles doet. Hij zal moeten kiezen en zich verbinden met andere disciplines, aldus Schenk. Deze weinig strijdbare opstelling leidde in kringen van architecten tot verbaasde reacties.

Cliché

Architecten zijn goed in het ingooien van eigen glazen, lijkt het. In de film ‘De drager’ die gisteren in het Nieuwe Instituut (het voormalige NAi) werd getoond, stelt architect John Habraken zelfs dat de rol van de architect niet meer relevant is. Jonathan Teicher, een oud-student van Habraken en nu zijn uitgever, maakt het nog bonter door te beweren dat architecten hun eigen wereld creëren, alleen zwart en wit dragen en praten in een soort geheimtaal. Marianne Loof, BNA bestuurslid en directeur van LEVS Architecten, twitterde wel zo’n beetje klaar te zijn met dat cliché beeld van de architect als egoartiest.

Identiteitscrisis

Maar wanneer ben je een architect? En wat is een ontwerper die zich volgens het Register geen architect mag noemen? Eind vorig jaar werd de Architect van het Jaar 2012 bekend gemaakt. In de categorie Small ging bureau ZUS er met de titel vandoor. Volgens de Rotterdamse architect Alex Jager is dit een discutabel signaal. Beide partners van ZUS staan immers niet ingeschreven in het architectenregister en zijn dus geen architecten.

Dat laatste is natuurlijk waar, maar of je om die reden ZUS de prijs niet moet geven, lijkt mij niet. De bijdrage van dit bureau aan de Nederlandse architectuur is immers groot.

Omgekeerd heeft Jager gelijk, als hij stelt dat “architecten juist in onzekere tijden moeten laten zien waar ze als gekwalificeerde beroepsbeoefenaar voor staan”. Volgens hem gebeurt dat veel te weinig: “Gedreven door economische tegenwind koersen wij architecten stuurloos af op een identiteitscrisis. En juist door niets te doen wordt de architectentitel van binnenuit langzaam om zeep geholpen.”

Noord-Koreaans schouwspel

Wat dit betreft is het veelzeggend dat het door de gemeente Rotterdam in 2009 in het leven geroepen Architectenplatform “om de noodlijdende beroepsgroep te helpen en een dialoog op gang te brengen”, in de ogen van kritische architecten geen genade kan vinden. “Het is een schijnplatform, een Noord-Koreaans schouwspel en een feel good show voor politici”, zo tekende het Algemeen Dagblad afgelopen zaterdag op uit de mond van de architecten Helena Casanova, Ard Buijsen en André Kempe.

Common ground

De vraag is hoe nu verder. Op laatste Biënnale van Venetië stond de zoektocht naar een gemeenschappelijke basis centraal. Volgens curator David Chipperfield ‘doe je architectuur niet voor jezelf’. Breder ingezet kan deze notie dienen om na te denken over wat architecten met elkaar delen en gemeenschappelijk hebben, los van staat en markt.

Lange weg

Zou zo iets ook in Nederland kunnen? Toen Marianne Loof Ard Buijsen benaderde met de vraag” of het gesprek [verder] voeren als sterke brancheorganisatie met een open en transparante structuur – zoals de BNA – een idee zou zijn”, hield deze nadrukkelijk de boot af. Volgens Buijssen is deze organisatie daar niet sterk genoeg voor.

De vraag echter of de BNA wat kan bereiken, hangt volgens Loof af van de solidariteit onder architecten en van de bereidheid van bureaus bewust BNA lid te zijn. Omgekeerd leeft onder architecten de vraag wat de BNA voor hen kan doen. In beide opzichten is nog een lange weg te gaan.

Ruimte voor architectuur

De door Loof gewenste discussie zal er hopelijk toch komen. Want, hé, voor architecten die binnen strenge randvoorwaarden het maximaal haalbare voor hun opdrachtgevers weten te realiseren, blijft altijd ruimte. Bovendien is er werk genoeg: de verbouwing van kantoren tot studentenhuisvesting, de opgaven in de zorg en het onderwijs, de woningvraag. Er is dan ook geen enkele reden te bedenken waarom architecten hierin niet meer of een kleinere rol zouden gaan spelen.

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels