blog

De vinger op de zere plek

Business

Wat is de samenhang tussen de misstanden in het aanbestedingscircuit en de gretigheid waarmee architecten zich storten op visies, prijsvragen en studies? Deze samenhang is veel groter dan we ooit zullen willen inzien…

De vinger op de zere plek

 

 

 

In de vorige blogs van Harm Tilman wordt op rake wijze ingegaan op de huidige misstanden in de aanbestedingscultuur rond architectenopdrachten. Onwaarschijnlijke omzet- en ervaringseisen zijn één kant van zijn verhaal. De andere is dat de investeringen die de beroepsgroep bij het verwerven van de opdracht doet, in geen verhouding staan tot de waarde en de haalbare winst van de opdracht.

Twee negentig per uur

In het laatste rapport van Architectuur Lokaal wordt berekend dat gemiddelde opdracht in een Europese aanbesteding een honorarium kent van € 350.000,-. Hiervoor wordt gemiddeld aan de eerste ronde € 8.500 (stel 106 uur à € 80,- de tarieven zijn vaak nog lager in de branche) besteed door veertig bureaus, totaal € 340.000. Stel, vijf bureaus in de tweede ronde besteden nog eens € 30.000 (stel 375 uur) per bureau = € 150.000. De totale investering bedraagt ca € 500.000. Hier wordt dus totaal 4240+1875= ruim 6000 uur door de branche aan de selectie besteed.

Het winnende bureau heeft bij aanvang van de opdracht al minimaal € 38.500,- geïnvesteerd. Uitgaande van een winstpercentage van 5% zou de omvang van het  honorarium van de opdrachtomzet dus minimaal € 760.000,- moeten bedragen om kostendekkend te kunnen worden uitgevoerd. De uiteindelijke opdracht kent in dit voorbeeld echter een honorarium van slechts € 350.000. De maximaal te verwachten winst is slechts € 17.500, afgezet tegen de al geïnvesteerde € 38.500.  Een door het bureau nooit terug te verdienen investering dus!  Door de branche als geheel  is in totaal 6000 uur gewerkt zodat een opdrachtgever een architect kon selecteren en een bureau mogelijk €17.500,- kan verdienen: branchebreed is er gewerkt voor  €17.500,- : 6000 uur. Dus voor € 2,90 per uur.

Daarop volgt nog dat in de selectie tijdens de laatste ronde ook op het honorarium in concurrentie wordt geselecteerd. De winnaar heeft vaak met een veel te laag honorarium ingeschreven (50% kostprijs is nu gebruikelijk), wat dus ook bij de uiteindelijke opdracht weer tot verlies leidt. Een vicieuze cirkel met de bodem als uitkomst.

Pijnlijke zelfanalyse

Hoe komt het dat de branche als geheel zich zo gulzig en vol overgave in dit circus stort? Ook hier ontkomen we niet aan een kritische zelfanalyse. Wij kijken daartoe naar een ander ritueel in onze branche: dat van prijsvragen, ideeëncompetities en eigen studies. Hoewel Europese aanbestedingen sterk worden bekritiseerd, worden prijsvragen, ideeëncompetities en eigen studies wel degelijk gewaardeerd. Zij bevestigen namelijk de status van een architect als ideeëngenerator en als maatschappelijk betrokken inspirator. Zeker op dit moment wordt bij gebrek aan echte opdrachten door vrijwel alle bureaus (met inzet van talloze onbetaalde stagiaires) volop meegedraaid in de mallemolen van studies, onderzoeken en initiatieven. De resultaten worden vervolgens blijmoedig van de daken geschreeuwd!

Dat ideeën als product waarde hebben is duidelijk, ze zijn immers de voedingbodem van allerlei essentiële ontwikkelingen, zowel materieel als immaterieel. Toch geven we met onze werkwijze het signaal af, dat ons eigen product, bestaande uit ideeën, ontwerp en diensten, geen waarde heeft. Het is immers via prijsvragen en selecties gratis te verkrijgen en beschikbaar voor iedereen die deze waarde kan of wil verzilveren. De achtergrond van deze werkwijze is te vinden in de oude culturele regels waarmee architecten worden opgeleid aan universiteiten. Daar leren ze dat ideeën collectief eigendom zijn. Deze worden in eigen kring inhoudelijk competitief tegen elkaar gebruikt en beschikbaar gesteld zonder enige claim op de waarde die ze vertegenwoordigen. Dit model was effectief zolang de materiële waarde van deze kosteloze ideeën werd beschermd in een redelijk zachte beroepspraktijk, waarin weliswaar niet het idee sec werd betaald, maar de uitwerking tot product redelijk werd vergoed. Op deze manier kon een evenwicht ontstaan tussen investering en opbrengst, zowel materieel als immaterieel.

In de huidige tijd waarin concurrentie en marktwerking leiden tot een harde beroepspraktijk, werkt dit culturele model niet meer. In de commerciële wereld wordt een product  op eigen risico ontwikkeld, maar uiteindelijk niet gratis weggegeven. Van een product dat waarde creëert, dienen niet alleen de productiekosten, maar ook de ontwikkelkosten en het genomen risico te worden terugverdiend.

Best of both worlds

De architectuurbranche moet een keuze maken tussen deze twee werelden. Ze mag en kan ze niet vermengen. Ze mag bijvoorbeeld niet op eigen risico producten ontwikkelen (bv in prijsvragen) en deze gratis weggeven, wanneer deze investering vervolgens in een commerciële en zwaar concurrerende markt niet is terug te verdienen (zie het eerder besproken rekenmodel).

Waar het aan schort is dat wij als branche onvoldoende in staat zijn om onze toegevoegde waarde volgens de ene of de andere weg inzichtelijk te maken en te verzilveren. Daar zit wat ons betreft de crux. De branche hoopt en verwacht nog steeds dat de culturele- en de vertrouwenswaarde van onze bijdrage weer bovenaan komen te staan en overeenkomstig zullen worden gewaardeerd. De vraag is echter of dit terugkomt en of we onszelf niet op een andere manier moeten uitvinden. We dienen (in het belang van de culturele en maatschappelijke opgave) ons bestaansrecht te versterken door in het centrum van de keten terecht te komen in plaats steeds verder weg te worden gedrukt naar de periferie.

Maar daarover in onze volgende blog …

Marianne Loof

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels