artikel

Johanna van der Werff blikt terug op vijftien jaar FASadE in Amersfoort

Business

Johanna van der Werff nam afgelopen week na 15 jaar afscheid van FASadE, het immer actieve forum voor architectuur en stedebouw in Amersfoort. In bijgaand interview blikt ze terug op deze periode en gaat ze in op de rol van architectuurcentra in stedelijke processen.

door Harm Tilman

Je bent vijftien jaar directeur geweest van FASadE in Amersfoort. Wat beschouw je als de hoogtepunten uit deze tijd?

Onze ‘core business’ zijn de Architectuurcafés, met sprekers uit binnen- en buitenland, waarbij we ons altijd mogen verheugen in zeer grote bezoekersaantallen. Onder mijn leiding hebben er zo’n 105 plaatsgevonden. 

Ik kies er een paar, zoals die over de eetbare stad. Urban farming was toen upcoming en wij organiseerden een Café met medewerking van ‘foodie’ Carolyn Steel die het boek The Hungry city heeft geschreven. We hadden zeker 375 man uit heinde en verre in de zaal en een voorafgaand ‘Streekdiner’ langs de Eem. 

Dan het ‘Architectuurschemercafé’ in de toen nog in aanbouw zijnde Rijksdienst Cultureel Erfgoed, met de Spaans-Catalaanse architect Juan Navarro Baldeweg en aansluitend rondleidingen in het schemerdonker door de ruwbouwfase. Ook een prachtig Architectuurcafé rond ‘Cradle to cradle’ waarbij zeker 400 man aan de voeten lagen van de toen rising star in duurzaamheid Annemarie Rakhorst.

Waar ik trots op ben zijn de meer activistische Architectuurcafés in de serie ‘Spagaat van de crisis’, over het maatschappelijke debacle van de overcapaciteit van m2’s kantoorruimte. We liepen daarmee op de troepen vooruit, want niemand had het daar toen over. En recentelijk hadden we het prachtige Architectuurcafé ‘Who Cares’ met Rijksbouwmeester Floris Alkemade, alle prijswinnaars van de prijsvraag en een prachtig forum met mensen uit zorg en politiek.

Twee ‘specials’ wil ik in dit kader nog noemen. In 2016 organiseerden we de Ontwerpwedstrijd Belgenmonument, bedoeld om ontwerpers, kunstenaars en architecten uit te dagen tot het ontwerpen van een eigentijdse toevoeging op de plek van het Amersfoortse ‘Belgenmonument’ uit de eerste Wereldoorlog. Dit onbekende monument is het grootste van Nederland: een Vlaams geschenk aan Nederland als dank voor de opvang van de Vlaamse vluchtelingen. Doelstelling van onze Ontwerpwedstrijd was om meer betekenis te geven aan de plek door toevoeging van iets nieuws. Bijzonder was dat de wedstrijd ook in Vlaanderen werd uitgezet en daar enorm is opgepakt, immers, daar ligt de kiem van het trauma van deze oorlog. 

In totaal ontvingen we ruim 150 ontwerpen, velen met maquettes, die we tentoonstelden voor het publiek. Een Vlaams-Nederlandse jury met onder meer Eric Luiten en deskundigen op het gebied van herdenken en musea, olv Peter Vandermeersch kwam tot de keuze van een winnaar. Helaas ligt uitvoering bij de gemeente Amersfoort en daar is het tot nu toe blijven liggen.

De andere special die ik wil noemen is de tentoonstelling ‘De Stijl voorbij. Gerrit Rietveld en de jaren vijftig.’ waarvan we afgelopen weekend de finissage hadden. Deze tentoonstelling, gestart in het zogenaamde ‘Stijljaar’ 2017, heeft het Rietvelpaviljoen nationaal en internationaal op de kaart gezet. Een hoogtepunt, ook voor mij, immers, je moet op het hoogtepunt stoppen.

Welke ontwikkeling heeft FASadE in deze periode doorgemaakt? Wat voor instituut laat je achter?

Ik denk dat mijn invloed vooral te merken is aan de verbreding van de scope van het programma. Toen ik het stokje overnam van mijn voorgangster was er een klein programma. Zo nu en dan een Architectuurcafé met architecten die vooral plaatjes van hun gebouwen lieten zien en daarbij hun eigen verhaal vertelden. Daar is niks mis mee, maar indertijd vond ik dat maar monomane navelstaarderij en in die zin ook saai. 

Onder mijn leiding is het programma maatschappelijker geworden en integraler. Dat heeft er ongetwijfeld mee te maken dat ik in mijn leven moeite heb gehad met focussen. Ik zie dingen in een breder perspectief, als geheel en op elkaar van invloed. Alles wat maar enigszins binnen de range van architectuur en stedebouw te trekken viel, was voor ons een potentieel programma, van de relatie tussen ‘Mode en architectuur‘ aan de ene kant van het spectrum tot ‘de Psychologie van de stad’ aan de andere kant.  

Wat ik achterlaat is een mooi en krachtig FASadE, met een groot netwerk en draagvlak. Zowel op bestuurlijk en ambtelijk vlak, als in de vakwereld draagt FASadE bij aan het denken over ruimtelijke en stedelijke ontwikkeling van onze stad en ons land. Talrijke sprekers uit binnen- en buitenland beklimmen bij FASadE het podium en met deze grote diversiteit is gereflecteerd op een brede range van thema’s rond stedebouw, architectuur en landschap.

Kun je iets vertellen over de impact die FASadE op de stad heeft gehad?

FASadE heeft het denken over stad, ruimte, bouwen, leegstand en duurzaamheid gedurende vijftien jaar gevoed en gespiegeld. Met onze Architectuurcafés, films, excursies, tentoonstellingen en andere activiteiten en projecten rond stedebouw, architectuur en landschap hebben we ons steentje bijgedragen aan de bewustwording van levendige en moderne steden en stedelijke ontwikkeling in bredere zin.

Wat is de functie van het lokale Architectuurcentrum in het huidige debat over architectuur en stad?

Ik vind de betekenis van architectuurcentra niet te onderschatten. Zij nemen een unieke positie in binnen het landschap van spelers die gaan over de kwaliteit van architectuur en de inrichting van ons land in bredere zin. Veel partijen zitten er vanuit een economisch, door geld gedreven belang in en draaien vanuit die agenda aan de knoppen. De Architectuurcentra hebben de mogelijkheid en de plicht – dat klinkt stellig, maar ik meen het – om een vinger aan de pols te houden, te spiegelen, goede voorbeelden en alternatieven aan te dragen en, eveneens van belang, de burger bewust te maken van zijn omgeving. 

Een van mijn persoonlijke thema’s is ruimte. Ik vind dat we daar nog steeds op een onzorgvuldige manier mee omgaat. Ook zie ik nog steeds veel achteloosheid en ondeskundigheid met betrekking tot ruimte. We vergeten kennelijk dat alle ingrepen in de ruimte en alle ontwikkelingen in architectuur en stedebouw hun impact op zeer lange termijn hebben en van belang zijn voor vele generaties die nog volgen. Je gaat met alle keuzes die je maakt een bepaalde weg op, waarvan maar moeilijk meer af te wijken is.

Daarbij zijn fouten zelden goed te herstellen, wat te maken heeft met eigendomskwesties, probleemeigenaarschap en verantwoordelijkheidsgevoel hierin. Een ontwikkelaar ruimt zelden de rommel op die hij veroorzaakt en gebieden worden, ook al lagen er verkeerde keuzes aan ten grondslag, zelden teruggegeven aan het landschap. Wat eenmaal bebouwd is blijft bebouwd. Het wordt hooguit getransformeerd.  

Is een lokaal Architectuurcentrum alleen betrokken op de stad waarin het ligt, of meer dan dat?

Veel architectuurcentra hebben een programma met een lokale agenda. Ik heb daar zelf altijd moeite mee gehad. Dat heeft een persoonlijke achtergrond. Ik zie ontwikkelingen graag in een groter perspectief dan begrensd door in mijn optiek willekeurige scheidslijnen. Ik vind ook dat je ontwikkelingen niet los van elkaar kunt zien. Om die reden heb ik altijd naar mooie combinaties gezocht, bijvoorbeeld een lokale aanleiding voor een landelijk ingestoken avond. 

Daarnaast hebben we regelmatig ook landelijke en internationaal spelende thema’s gekozen. Zo organiseerden we in 2014 gedurende een half jaar een programma over Vlaanderen, met alle grote namen in de wereld Vlaamse architectuur en stedebouw; met een Vlaamse filmprogramma; een expo met werk van de Vlaamse architectuurfotograaf Philip Dujardin en een slotdebat met de Vlaams Bouwmeester en de Rijksbouwmeester. Niet zo heel veel publiek overigens, maar dat is voor mij niet maatgevend, al is publiek wel fijn natuurlijk.

Hebben jullie ook aan educatie gedaan en welke uitgangspunten hanteerde je daarbij?

Kinderen en jongeren vinden vaak leuk om over architectuur en stedebouw na te denken. Het begint bij wijze van spreken bij het eigen huis en de eigen straat en het is heel concreet, dit in tegenstelling tot andere kunsten. Vroeg beginnen met bewustwording is belangrijk, met als uitgangspunt ‘het gaat om je eigen speelveld, dus ga er zorgvuldig mee om’. Daar is een wereld te winnen. 

Wij geven met regelmaat workshops voor jongeren, daarnaast rondleidingen en andere activiteiten. We krijgen positieve reacties en een grote bereidheid om zelf met ideeën te komen. Tijdens onze laatste tentoonstelling hadden we ook een educatief programma voor schoolklassen. Daarin werden jongeren ingewijd in het leven van Gerrit Rietveld als architect, maar ook als mens met twijfels en frustraties. Voor kinderen heel aansprekend, ook omdat hij tijdens zijn leven veel heeft meegemaakt, met veel pieken en dalen. Dat spreekt kinderen aan. Hij is echt aanraakbaar een mens, en geen ongenaakbare persoon, zoals bijvoorbeeld Piet Mondriaan.   

Wat ga je doen?

Ik wil mij toeleggen om nog meer schrijven, blijf verbonden vanuit een aantal besturen en raad van toezicht aan het vak en sta daarnaast open voor nieuwe initiatieven.

Lees ook

Reageer op dit artikel