Animal Architecture
Animal Architecture - Santiago Calatrava
Animal architecture bekt een stuk beter dan ‘dierenarchitectuur’. Als je het over dierenarchitectuur hebt, denkt men ook snel aan ‘architectuur van dieren’ en niet aan architectuur in natuurlijke vormen en beide zou ik willen toelichten. Immers in beide zitten uiterste interessante aspecten.
Evolutie en architectuur
De architectuur van dieren is uiteraard puur en alleen ontstaan uit evolutionaire selectiedruk. De ene richting die de evolutie in sloeg gaf een grotere overlevingskans dan een andere. De evolutie is dan ook geen boom, in de zin van een stam die zich vertakt, wat immers suggereert dat de evolutie steeds verder uitgroeit. Het is eerder dat de evolutie alle kanten uitgaat. Iedere mutatie in een genenreeks had óf geen effect, óf een dodelijk effect, óf een betere overlevingskans-effect, afhankelijk van de continu veranderende omgeving.
De selectiedruk kon ook zorgen voor extremen, vaak door co-evolutie. Daar zijn prachtige voorbeelden van: een orchidee, met een 30 cm diepe bloem. Darwin zelf trok al de conclusie dat er dan ook een insect moest zijn met een tong van 30 cm lang. En na Darwins dood werd er inderdaad een mot gevonden met een tong van 30 cm. Of een gifkikkertje in de Amazone die een hoeveelheid gif in zich heeft dat 25 mensen kan doden. Waarom zou hij in godsnaam zo giftig moeten zijn? Er bleek een slang te zijn die tegen het gif kon dat 24 mensen kan doden, dus de gifkikkertjes met net wat meer gif bleven leven en die eeuwenlange evolutionaire strijdt maakt dat het kikkertje steeds giftiger wordt en de slang er steeds beter tegen kan.
Als we dan kijken naar de gevolgen van deze wedlopen voor de architectuur
komen we bij prachtige bouwkundige hoogstandjes. Zoals het nest van de
prieelvogel. De mannetjes vogel moet steeds mooiere nesten maakte om de
vrouwtjes te verleiden.
De
meest functionele, de meest efficiënte en de meest economische manier geeft de
beste overlevingskansen. Rudimentaire onderdelen verdwijnen door de
selectiedruk. Kostbare energie en grondstoffen worden niet verspild. Kijk dat is
interessant, als duurzaam ecologisch architect zijn dat interessante aspecten.
Onnodige onderdelen die verdwijnen? Functionele architectuur? Daar kunnen we wat
van leren! Zoals van de
bij!
Deze
hebben vele bouwkundige voordelen. Zo is een bijenraat, de zeshoek, met zo min
mogelijk materiaal gemaakt. Alle cellen delen immers al hun wanden en vloeren.
De cellen hebben geen ‘dode’ hoeken. De raten geven grote stabiliteit door hun
opbouw, zodat ze winddruk, maar ook een klap van een beer beter kunnen overleven
(de minder stevige nesten sneuvelden immers eerder in de evolutie:
selectiedruk).
Kijk maar eens naar het schetsmatige constructieverloop in een raat. De krachten die daar op komen worden bij ieder knooppunt in tweeën gedeeld en zo is er een ideale krachtenverloop. In Japan wordt er mee geëxperimenteerd om aardbeving bestendige gebouwen te ontwikkelen.
Maar ook in techniek hebben we goede ingenieurs onder de dieren: termieten.
Hun heuvels hebben een ingenieus ventilatiesysteem, zodat het in de heuvel een
constante temperatuur heerst met een variabele van maximaal 3 graden, of het
buiten nu 40 graden of 10 graden. In Zimbabwe is een kantoorgebouw van Mike
Pearce waarin deze techniek in is
verwerkt.
Oh ja, en mocht je je het afvragen: de reden waarom de heuvels zo plat zijn, is omdat ze zo georiënteerd zijn dat ze zo min mogelijk zon vangen. Handig!
Prachtige voorbeelden van animal architecture waarbij je je als architect kan laten inspireren door natuurlijke vormen. Of, nog beter, door de techniek achter de vorm en deze toepassen in hedendaagse gebouwen (zie ook een eerdere blog: Biobased architectuur)
Zoomorfische architectuur
De andere kant van animal architecture is het gebruik van zoomorfische vormen in onze architectuur. Denk aan de wereldberoemde eend in Long Island. Gebouwd door een eendenboer, Martin Maurer, in 1931 als winkel om zijn eenden en eendeneieren te verkopen. Over de eend is veel te doen geweest: is het nu architectuur, of niet? Robert Venturi verdedigde het gebouw door te stellen dat het gebouw een uitstekende combinatie is tussen functionaliteit en symboliek. Hij introduceerde ook de term ‘duck architecture’. Die term wordt gebruikt om een gebouw aan te duiden waarin de architectuur ondergeschikt is aan de symbolische vorm.
Frappant
is dat vrijwel alle dieren die in de zoomorfische architectuur toegepast worden
terug te brengen zijn tot vogels, insecten en vissen. Blijkbaar hebben deze
dieren de meest aantrekkelijke vorm: mooi rond en soepel als een vis. Of hebben
ze ledematen die handig constructief toepasbaar zijn: poten van een spin, of
vleugels van een vogel.
Te beginnen met de plastische architectuur, waarbij je, door het gebrek aan
ook maar een enkele rechte lijn, direct de link legt met natuurlijke vormen.
Eugene Tsui is
een heldere vertegenwoordiger daarin. Zijn Fish house in Berkeley, California,
geeft je inderdaad meteen het idee dat je naar een soort vis kijkt. Hoe fraai
dergelijke gebouwen ook mogen zijn, ze lijken ongeordend en willekeurig in
opbouw.
De
modernere variant in deze plastische vormen zijn de blobs. Niet doelbewust met
een bepaald dier in het achterhoofd ontworpen, maar 9 van de 10 keer krijgen ze
wel direct een dierlijke naam. De walvis van Erick van Egeraat op het
hoofdkantoor van ING in Budapest:
Vervolgens de insect-achtige
gebouwen:
Het spinachtige gebouw van Renzo Piano: de Padre Pio Pilgrimage Church in
Foggia, Italië.
De prachtige insectenvleugels van het Zayed National Museum op het Saadiyat
Island in Abu Dhabi van Foster + Partners:
Zouden de heren niet stiekem gekeken hebben naar de constructieve opbouw van de insecten?
Als afsluiting natuurlijk Santiago Calatrava. Door studies naar botstructuren
en opbouw van vleugels maakt hij prachtige sculpturale gebouwen. Gevoelsmatig
klopt het, het is ritmisch, vloeiend en bewegelijk.
Prachtige verstilde natuur!

