nieuws

Deel 3/4: Het Wat en Waarom van de Beroepservaringsperiode

Architectuur

Sinds begin dit jaar is de Beroepservaringsperiode in werking getreden. Naar aanleiding hiervan schreven Alijd van Doorn en Guus Enning een uitgebreid artikel over deze grote wijziging. Het artikel in het eindejaarsnummer van de Architect geeft een inzicht in het ontstaan van de Wet op de Architectentitel en de introductie van de BEP. Deze week publiceren we het stuk in vier delen, waarvan dit het derde deel is.

Deel 3/4: Het Wat en Waarom van de Beroepservaringsperiode

Van dreigende afschaffing tot versterking van de wat
Het tienjarig bestaan van het Architectenregister in 1998 krijgt een minder feestelijk karakter als Johan Remkes, de toenmalige vvd-staatssecretaris van vrom, in zijn speech voorstelt om de wet af te schaffen. Het is een periode van deregulering, en na de makelaarsbranche wil Remkes ook het architectenberoep liberaliseren.

In de periode die hierop volgt, is het gelukt om de dreigende afschaffing van de Wet op de Architectentitel om te buigen in een versterking ervan. De introductie van de bep is hiervan ongetwijfeld de meest in het oog springende maatregel. De belangrijkste politieke argumenten tegen de afschaffing zijn dat de beroepsgroep niet goed is georganiseerd, en dat afschaffing van de wet de positie van onze architecten in Europa zou verzwakken. Voor voormalig Rijksbouwmeester Jo Coenen en het Atelier Rijksbouwmeester echter was het dichten van de kloof tussen de opleidingen en de beroepspraktijk het belangrijkste speerpunt. De beroepsgroep wilde dat beroepservaring een belangrijke voorwaarde zou zijn voor de inschrijving in het register.

Als je een tijdlijn zou maken, wordt zichtbaar dat iedere Bouwmeester vanaf de invoering van de wat op zijn eigen manier heeft getracht om de gewenste praktijkervaring op de agenda te houden. In 1992 is door de tu Delft, de tu Eindhoven, de bna en de bnsp de Praktijkopleiding Architectuur en Stedenbouw pas opgericht, met steun van toenmalig Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt. Ten tijde van het Bouwmeesterschap van Jo Coenen wordt de opleiding weer opgeheven, omdat deze te academisch zou zijn geworden en te weinig zou aansluiten op de toenmalige beroepspraktijk. Toenmalig bna-voorzitter Jan Brouwer vroeg Jo Coenen in zijn rol van Rijksbouwmeester het initiatief te nemen voor een praktijkgerichte opvolger. Het resultaat is de eerste ronde van ‘Het Experiment’ in 2003. Mels Crouwel, die in 2005 Rijksbouwmeester wordt, zorgt voor de verzelfstandiging van Het Experiment in de Stichting Beroepservaring Jonge Architecten en Stedebouwkundigen, waarvan Jo Coenen de eerste voorzitter is.

De vakinhoudelijke ervaringen met Het Experiment zijn steeds strategisch ingezet om politiek draagvlak te creëren voor een aanscherping van de wat. In Sybilla Dekker, de opvolger van Johan Remkes, vinden Jo Coenen en het Atelier Rijksbouwmeester een goede partner. In 2004 schrijft zij in een brief aan de Tweede Kamer niet alleen dat de wat blijft bestaan, maar ook dat ze een krachtiger kwaliteitsinstrument gaat worden. Mels Crouwel organiseert in 2006 een rondetafelconferentie met de opleidingen en de beroepsorganisaties in Sociëteit De Witte in Den Haag en stippelt op basis hiervan de herziening van de wat uit. Centraal daarin staan de introductie van de bep en het voorstel voor de bij- en nascholing voor de vier disciplines. Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol werkt deze hoofdlijnen verder uit en slaagt er in 2009 en 2010 in om minister Cramer succesvol te begeleiden bij het door het parlement loodsen van het wetsvoorstel. In 2010 wordt het gedachtegoed achter Het Experiment, waaraan inmiddels niet meer alleen bouwkundig architecten maar ook jonge stedebouwkundigen en landschapsarchitecten deelnemen, geformaliseerd en als Beroepservaringsperiode in het wijzigingsvoorstel van de wat opgenomen.

Als de Tweede Kamer in 2010 dit voorstel behandelt, noemt minister Jacqueline Cramer in haar inleiding drie argumenten waarom het wetsvoorstel en de bep zo belangrijk zijn. Ten eerste is het architectenvak volgens haar in de afgelopen decennia veel complexer geworden. Het bouwproces vereist meer en bredere kennis en vaardigheden van de ontwerper. Kennis die in de beroepspraktijk zelf moet worden opgedaan. Ten tweede verwijst ze naar de noodzaak om uit te lijnen met de verplichte beroepservaring in de ons omringende landen, teneinde onze concurrentiepositie te behouden en versterken. Ten slotte wijst ze op de zogenoemde verwetenschappelijking van het universitaire architectuuronderwijs sinds de invoering van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek in 1995.

Actie abonnement de Architect

Wat vind jij van de invoering van de BEP?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels