nieuws

Beyond de Broedplaats, beleidsperspectief

Architectuur

Creatieve broedplaatsen nemen een steeds belangrijkere plaats in binnen de economie. Nadat in 2002 de creatieve klasse door Richard Florida als belangrijkste economische motor van de 21e eeuw is bestempeld, stimuleren veel gemeenten de ontwikkeling van broedplaatsen. Tegenwoordig vind je ze op veel plekken en in diverse soorten en maten. Eerder deze week verscheen hier een verslag over broedplaatsen vanuit het perspectief van de initiator. Welke rol speelt beleid in de broedplaats van de toekomst?

Door Willem Wopereis

Waarom vinden gemeenten broedplaatsen belangrijk? Naast een belangrijke economische factor, gaan ze leegstand tegen en versterken ze de leefbaarheid en identiteit van een buurt. Vooral in woonwijken kunnen ze de monotonie doorbreken. Door de deuren open te zetten en activiteiten te organiseren, nemen ze soms de rol van het buurtcentrum over.

Subsidietijdperk is voorbij

Zoals duidelijk werd tijdens de debatavond in architectuurcentrum Stroom in Den Haag worden broedplaatsen tegenwoordig op eigen initiatief door de creatieve klasse ontwikkeld. Maar wat is nog de rol van de gemeente? “Het subsidietijdperk is voorbij”, bevestigt stedebouwkundige Nicola Kornig van de gemeente Den Haag, “de mindset is nu anders”. De gemeente zal vooral een ondersteunende rol moeten spelen.

Volgens Stef Katwijk van OCW kunnen broedplaatsen meerdere beleidsdoelstelling combineren. Gemeenten moeten het belang van broedplaatsen veel beter gaan verwoorden om daadwerkelijk investeerders te trekken. Daarnaast is het belangrijk dat ze regie voeren om binnen hun netwerken vraag en aanbod bij elkaar te krijgen. Naar wat voor ruimtes is er vraag en wat staat er allemaal leeg?

In Den Haag staat ongeveer 1 miljoen vierkante meter leeg. Een groot deel hiervan is rijks- of gemeentelijk vastgoed. In het Value-Lab, een onderzoeksproject naar herbestemming, wordt momenteel door Braaksma & Roos Architecten en The Cloud Collective een nieuwe strategie voor deze leegstand ontwikkeld. Broedplaatsen zouden hierin een belangrijke rol kunnen spelen.

In Amsterdam wordt flink geïnvesteerd in broedplaatsen. Wat vooral opvalt is dat er eigenlijk niet één type is, maar dat er verschillende soorten ontstaan. In broedplaats NDSM-loods (een voormalige scheepsbouwloods) zijn casco’s door huurders zelf afgebouwd, waardoor een diversiteit aan ateliers is ontstaan. In A-lab, een broedplaats achter de Overhoekstoren, is een oud pand van Shell gevuld met hippe bedrijven (zoals De Correspondent) die moeten passen binnen het profiel: “we welcome: start-ups, futurists, tech developers, animators, game designers, interactive designers, film makers, writers, creatives, do-ers, makers and thinkers with a personal voice and a unique creative vision”.

 
Broedplaats A-lab, Amsterdam Noord

Ketensamenwerking

Voor het toekomstige beleid in Amsterdam is door Stipo een strategie ontwikkeld die een stap verder gaat. Het adviesrapport ‘De Ketenbroedplaats’ redeneert vanuit de waardeketen: het doel is de juiste personen onder een dak te krijgen die samen tot een eindproduct kunnen komen. Steeds meer creatieve beroepen opereren binnen kleinschalige organisaties. De netwerken tussen de organisaties worden steeds belangrijker. Voor kleine architectenbureaus is het bijvoorbeeld lastig een grote opdracht in het buitenland te krijgen. Maar als je de juiste professionals binnen een broedplaats bij elkaar zet, kunnen ze die opdrachten wellicht wel binnenslepen. 

Er ontstaat rumoer in de zaal als Hans Karssenberg van Stipo zegt dat dus op kwaliteit moet worden geselecteerd. Zijn argument is duidelijk: de hele creatieve wereld is gebaseerd op selectie. Van opleidingen tot galeries; het gaat om kwaliteit. Om tot ketensamenwerking binnen een broedplaats te komen, moet dus ook op kwaliteit worden geselecteerd. Er ontstaan zo gespecificeerde broedplaatsen die meer waarde hebben dan de som van de losse ondernemers. Het A-lab is hier een voorbeeld van. 

De broedplaats wordt zo vanuit een economisch perspectief ontwikkeld. Wellicht dat dit ook is dat de rumoer veroorzaakt. Voor de creatieve industrie is de economische waarde niet het enige doel. Zoals de wetenschap lijdt onder publicatiedruk, kunnen creatieve bedrijven lijden onder prestatiedruk. De projecten hebben vaak ook een doel op zichzelf dat losstaat van economisch belang. Natuurlijk willen gemeenten iets uit hun investeringen halen. Echter is het belang van de broedplaats ook voor gemeenten veel breder dan enkel economisch.

 Where good ideas come from

Kruisbestuiving

Voor broedplaatsen is kruisbestuiving van essentieel belang. Zo is het in veel broedplaatsen verboden een eigen kantine te hebben, zodat de lunch vanzelf een moment van contact wordt. Maar het is de vraag of kruisbestuiving altijd gebaat is bij ketensamenwerking. In zijn boek ‘Where good ideas come from’ onderstreept Steven Johnson het belang van serendipiteit: het vinden van iets onverwachts bruikbaar terwijl je opzoek bent naar iets anders. Voor een architect kan een lunch met een game-designer wellicht net zo goed tot nieuwe ideeën leiden als een lunch met een interieurontwerper.

De toekomst van de broedplaats zal waarschijnlijk niet een kant opgaan. Waar sommige broedplaatsen zich zullen specialiseren binnen een specifieke tak van de creatieve industrie, zullen anderen juist hun voordeel uit veelzijdigheid weten te halen. Het is goed om de ontwikkelingen enigszins te sturen, maar de invulling moet vooral vanuit de creatieve klasse zelf komen. Te strikte regels komen de creativiteit en diversiteit niet ten goede. Aan gemeentes de taak om het belang van de broedplaats breed uit te dragen. Want dit belang is veel breder dan enkel economisch.

Beyond de Broedplaats, initiatorspectief

Hans Karssenberg schreef over de geschiedenis en de toekomst van het broedplaatsenbeleid in Amsterdam. Klik hier voor het artikel.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels