blog

Blog – Detail 22: De auto en het gebouw

Architectuur

Door Marjolein van Eig – Geen enkele opvoeding is perfect en ook de onze vertoont flinke gaten. Je moet later als je groot bent, toch ergens over kunnen mopperen. Eén van de gebreken waar we onze kinderen mee opzadelen, is mijn totale desinteresse voor auto’s. De appel valt niet ver van de boom, want mijn ouders hadden er ook niets mee. Wij reden in een knaloranje Lada (de enige auto die kinderen kunnen tekenen) en mijn vader met zijn grote baard zat achter het stuur.

Blog – Detail 22: De auto en het gebouw

Dat klinkt überhip, maar dat was het dertig jaar geleden echt niet. Niemand had in de tijd een baard en de Lada was gewoon de goedkoopste auto. Als het warm was, namen we de ongemakkelijke combinatie van blote benen en skyleren banken voor lief. Zo ook de jaarlijkse zoektocht naar een Lada-garage, als we halverwege een berg met een kapotte uitlaat stonden. Het hoorde er gewoon bij. Ik vond het vooral een vriendelijke auto, want ik zag in alle autovoorkanten een gezicht en dat van de Lada was echt heel lief dankzij die ronde koplampen onder een rechte motokap.

We keken elkaar dan ook verbaasd aan, toen we deze vakantie vanaf de achterbank opeens het volgende gemompel hoorden: “Sjezus, een Mercedes Jeep, dat doe je toch niet”. Ik keek eerst naar mijn negenjarige dochter en vervolgens naar de auto en moest toen constateren dat ze geen ongelijk had. Vervolgens bleek ze ook nog meningen te hebben over het nieuwste model BMW. En verbaasd te zijn als een auto voorbijreed waarvan ze het merk niet kende.

Ik denk dat het ‘normaal’ is, deze belangstelling voor auto’s. Vaak ook wordt een auto erbij gehaald, wanneer het om een gebouw gaat. De techniek van de auto, het slimme productieproces, de trends. Als voorbeeld van hoe het beter kan. De auto is goed, het gebouw is hopeloos ouderwets, wordt dan gezegd. “Als huizen industrieel gebouwd zouden worden, in massaproductie zoals het chassis van de auto, dan ontstaat een schoonheid die verrassend precies zou zijn”, schreef de Franse architect Le Corbusier in zijn boek Vers une architecture uit 1923. Nu bijna honderd jaar later weten we nog steeds niet of het waar is, want het is tot op heden niemand gelukt. De grote Corbu ontwierp zelf een auto, een leuk ding, maar die is op zijn beurt nooit gebouwd.

Want een huis is geen auto. Veel mensen die status ontlenen aan de snelste en nieuwste auto, pronken ook graag met hun nieuwste notaris-woning met zes nepschoorstenen langs de Amstel, met een betegelde tuin en automatische rolhekken aan het einde van een centraal toegangspad. We verwachten van een gebouw helemaal niet dezelfde prestaties als van een auto. Een woning kan niet in massaproductie genomen worden. Vraag het maar aan aannemers met hun conceptwoningen: geen enkele woning is gelijk aan het product dat in het bim-model staat. Zij heeft een andere beukmaat, dieptemaat, ander gootdetail, entree op de kop, een verdieping erop, een erker, een garage, een andere steen, een hogere borstwering, een keuken aan de achterkant. Het wordt altijd wat anders en je zit je altijd weer suf te tekenen. En last but not least, de conceptwoning staat mijlenver af van de precieze schoonheid die Le Corbusier voorspelde.

Dus kunnen we er eindelijk eens mee ophouden, met die vergelijking tussen huizen en auto’s? Want we willen een auto van plastic en staal, met rubber banden, die lekker stabiel en snel over het asfalt zoeft en waarvan de deuren met het juiste geluid sluiten. En die staat bij voorkeur in een buurt met woningen die geborgenheid bieden, een uitnodigende entree hebben, uitgerust zijn met een voortuin of een stoep, een stevige gevel bezitten van steen, beton of desnoods stucwerk en kozijnen hebben van hout, plastic of staal, of wat voor materiaal we ook fijn vinden. In deze huizen van onze eigen voorkeur kunnen we dan onze kinderen opvoeden, met alle gebreken van dien.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels