blog

Blog – Van wie is de straat? In 1972 en 2016; zoek de verschillen…

Architectuur

door Jan van Vlerken – De straat, vorm van samenleven. De titel van een veel besproken -en goed bezochte- tentoonstelling in het Eindhovense van Abbemuseum in 1972. Het is ook de titel die meteen suggereert dat een straat meer is dan alleen maar een manier om van A naar B te komen.

Blog – Van wie is de straat? In 1972 en 2016; zoek de verschillen…
Credit line: Archieven Van Abbemuseum, Eindhoven. Foto: Van den Bichelaer

Drie van de betrokkenen bij de tentoonstelling uit 1972 blikken in een gesprek met conservator Willem Jan Renders terug op het succes van toen en vooruit naar de toekomst. Dit alles in het kader van de huidige tentoonstelling Van wie is de straat in het Van Abbe Museum. Het valt op dat de thematiek van de  straat tussen ‘72 en ‘17  niet veel is veranderd. En dus rijst de vraag: hoe gaat het nu met de straat?

Geruststellend is in ieder geval dat de straat er altijd is en altijd dankbaar onderwerp is van discussie en analyse; nu en toen. Stedenbouw, architectuur en politiek vinden elkaar in de straat, zowel als concurrenten en teamleden. De tentoonstelling ‘de straat, vorm van samenleven’ in 1972 liet op een voor die tijd ongekende manier zien wat de geschiedenis van de straat is en welke brede maatschappelijke tendensen zichtbaar zijn in het gebruik en ontwerp van de publieke ruimte.

Dit alles was te danken aan toenmalige museumdirecteur Jean Leering(1934-2005). Jaap Bremer werkte in die tijd samen met Leering en vertelt dat deze het museum als een verlengstuk van de publieke ruimte zag. Het museum moest niet zozeer een plek zijn om alleen maar te kijken maar vooral ook om te ervaren, geprikkeld te worden en uitgedaagd te worden. Het moest een plek zijn om de discussie op te roepen en aan te gaan. Jan van Toorn, vormgever van de tentoonstelling, voegt met veel plezier toe dat Leering ook snel naam maakte in de kunstwereld met de late feestjes die hij in het museum organiseerde.

Affiche De straat (afbeelding: van Abbemuseum Eindhoven) Affiche De straat (afbeelding: van Abbemuseum Eindhoven)

Tjeerd Deelsma, toenmalig hoofdredacteur van het structuralistenblad Forum, was als schrijver ook betrokken bij de tentoonstelling. Hij vertelt in welke zeitgeist we de tentoonstelling moeten zien. Het waren de jaren kort na de manifestaties van 1968 in Parijs en de massale anti Vietnam Oorlog protesten. In deze nieuwe, meer open, publieke ontwikkelingen vindt Leering een creatieve voedingsbodem voor zijn ideeën. De straat werd door hem en zijn medestanders gezien als ‘product van de collectieve creativiteit’, een plek die zowel beperkt als faciliteert. Deelsma schetst een sfeer van verandering die plaatsvond in Nederland. De stijve jaren ‘50 waren voorbij, de Provo beweging kwam op gang, de jeugd kon de muziek luisteren die ze wilden en een breed publiek kreeg de stukje bij beetje de mogelijkheid om zeggenschap te nemen over hun eigen leefomgeving.

Jean Leering juichte deze ontwikkelingen toe. Hij was van mening dat de straat de grens was geworden tussen mensen. De strakke kaders van de moderniteit hadden de ruimte op een dusdanige manier gedisciplineerd dat er geen spanning en vrijheid in het openbare leven waren te ontdekken. En de openbare ruimte is volgens Leering nou juist een bepalende factor voor hoe een samenleving er uit ziet. Een manier van denken die natuurlijk goed aansloot bij het gedachtegoed van Forum, opgericht door de structuralisten van Team X. De publieke ruimte zag hij als een röntgenfoto van de maatschappij. Zijn doelstelling met de tentoonstelling was de ‘röntgenfoto’ te laten ervaren door het publiek. Het moest duidelijk worden voor de toeschouwer dat het wel degelijk mogelijk was (en is!) om zelf invloed uit te oefenen op de publieke ruimte.

Een herinnering aan de tentoonstelling van 1972 (foto: Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven) Een herinnering aan de tentoonstelling van 1972 (foto: Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven)

Volgens een andere betrokkene bij de tentoonstelling, vormgever Jan van Toorn, was dat geen makkelijke klus. De bezoekers moeten de sferen van de verschillende getoonde culturen kunnen ervaren zonder veel te lezen. En dan was er nog de drang van de makers om zo veel mogelijk van het verzamelde materiaal te tonen. Dit kwam vooral doordat er met een groot team een half jaar was gewerkt aan het documenteren van, en schrijven over, de publieke ruimte in allerlei verschillende culturen en tijdperken.

Bijzonder aan de werkwijze van de groep was, zeker voor die tijd, dat het maken van het kunstwerk werd benaderd als een het samenstellen van een krant of het maken van een TV-programma. Er waren redactievergaderingen en er werd gezamenlijk besloten welke thema’s er werden opgenomen.

Toch vond van Toorn de latere versies van de tentoonstelling in het buitenland beter. Doordat het transport beperkingen oplegde was het nodig om te schaven aan de inhoud. Die werd kleiner maar gerichter. Ook de kritiek was anders in het buitenland. Werd er in Nederland -ondanks het succes- met een schuin oog naar de tentoonstelling gekeken omdat het niet uitgesproken ‘mooi’ en ‘kunstzinnig’ was, zo werd ze in Duitsland en Zweden veel meer aangezien voor wat het was; een beschouwing van de maatschappij vanuit een stedenbouwkundig en architectonisch perspectief.

De Nederlandse kritiek is toch goed te begrijpen. Afgaande op de foto’s van de tentoonstelling was de tentoonstelling niet kunstzinnig of esthetisch uitdagend. Het ging vooral om de inhoud. Daarmee is ook meteen het grote verschil met de huidige tentoonstelling ‘Van wie is de straat’ gevonden.

'Do you hear the people sing' (foto: Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven) ‘Do you hear the people sing’ (foto: Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven)

Nog steeds is de straat en de publieke ruimte een dankbaar onderwerp voor analyse door architecten, stedenbouwers en kunstenaars. Maar nu speelt vormentaal wel degelijk een rol, kijk bijvoorbeeld naar het kunstwerk Do you hear the people sing van Crimson Architectural Historians. Het bijeenbrengen van verschillende bekende politieke manifestaties in een-en-dezelfde tekenstijl is krachtig middel om te laten zien dat politiek zich overal ter wereld op straat afspeelt.

En dan is er ZUS; het Rotterdamse architectenbureau en architectuurcriticus in één, die voor de huidige tentoonstelling een staalkaart van 101 belangrijke of bekende publieke ruimtes uit de geschiedenis maakte. De ‘stalen’ zijn allemaal getekend in een door ons architecten zo geliefde axionometrische stijl met enkel zwarte lijnen en witte en zwarte vlakken. Ook hier geldt dat de keuze om van één strakke tekenstijl uit te gaan de toeschouwer verbanden tussen de voorbeelden makkelijk laat zien. Het wordt plotseling heel logisch dat de Toren van Babel, het plan van Haussmann in Parijs en de Kaas van Koolhaas in Rotterdam allemaal een rol spelen in de geschiedenis van de openbare ruimte.

101 straten van ZUS op de huidige tentoonstelling (foto Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven) 101 straten van ZUS op de huidige tentoonstelling (foto Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven)

Zoals wel vaker kijken we niet lineair terug in de tijd. Hoe dichterbij, hoe meer voorbeelden van unieke en bijzondere publieke ruimtes. Verder terug in de tijd zitten er vaak eeuwen tussen de verschillende stalen. Opvallend is wel dat juist dit laatste decennium zich kenmerkt door een opkomst van een grote verscheidenheid aan publieke ruimtes. De voorbeelden lijken aan te tonen dat er steeds vaker wordt geëxperimenteerd met hybride openbare ruimte.

De titel van het boek luidt dan wel ‘101 straten, de implosie van het publieke domein, de grote verscheidenheid aan openbare ruimte in de huidige stad toont juist aan dat het publieke domein springlevend is. Nog steeds, of misschien wel steeds vaker, is het publieke domein onderhevig aan veranderingen die zoeken naar nieuwe manieren om de sociale en politieke ruimte te vormen. De implosie van het publieke domein kan op die manier ook uitgelegd worden als een implosie van veelzijdigheid in het gebruik. Waar van oudsher -grofweg- het centrale dorpsplein het toneel was van allerhande verschillende gebeurtenissen zijn er nu talloze verschillende publieke ruimtes die toegespitst zijn op de wensen en behoeften van een plek.

De tentoonstelling 'Van wie is de straat?'(foto: Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven) De tentoonstelling ‘Van wie is de straat?'(foto: Peter Cox, van Abbemuseum Eindhoven)

Dat laatste zou een antwoord kunnen zijn op de kritiek die de drie makers van de tentoonstelling uit 1972 uitten op de huidige publieke ruimte. Tjeerd Deelstra is bijvoorbeeld van mening dat de opkomst van de digitale technologie (oh, daar heb je ‘m weer … !) de publieke ruimte nog verder heeft geanonimiseerd. De smartphone zorgt er voor dat de oorspronkelijke strijd tegen de anonimisering door het modernisme, waarin Deelstra en Leering zij aan zij stonden met Team X, Jane Jacobs en later Jan Gehl en The Prince of Wales nog maar weinig effect heeft gesorteerd. De publieke ruimte wordt al maar anoniemer en het publieke debat speelt zich steeds vaker af op het internet. Het internet is een plek die volgens Deelstra geen plek is maar juist het tegenovergestelde; het is een excuus je nog verder aan het publieke domein te onttrekken.

Ja, het is inderdaad zo dat de publieke ruimte soms anoniem voelt door het vele smartphonegebruik. Het is echter ook zo dat we juist door die smartphones op meer verschillende soorten plekken komen. Niet langer trekken we naar het centrale dorpsplein om te kijken of er wat te beleven valt. Daarentegen gebruiken we Google maps, Strava, Marktplaats, Facebook, Twitter, Airbnb en zelfs Tinder om te bepalen waar we heen gaan en met wie we dat doen.

Credit line: Archieven Van Abbemuseum, Eindhoven. Foto: Van den Bichelaer Credit line: Archieven Van Abbemuseum, Eindhoven. Foto: Van den Bichelaer

Een andere opmerking die we als kritiek op de huidige straat mogen zien kwam van Jan van Toorn. Als bevlogen maker van de tentoonstelling in 1972 viel het hem op dat in die tijd de straat veel meer een afspiegeling was van de maatschappij omdat sociale en economische rollen -verkoper, bouwvakker, zakenman, student, hippie- veel duidelijker zichtbaar waren. Nu lijkt de straat wel een eenheidsworst aan mensen aldus van Toorn.

Deelstra en van Toorn zijn dus alles behalve enthousiast over hoe het publieke leven zich heeft ontwikkeld. Ze vragen zich af waar de jeugd blijft met grote manifestaties en happenings. Ik nodig ze bij dezen van harte uit om een keer koningsdag te vieren in Amsterdam of de Dutch Design Week in Eindhoven te bezoeken. Massale evenementen waarvan de publieke ruimte tijdelijk volledig in de greep is. De institutionalisering van zulke evenementen toont wat mij betreft aan dat de makers van De straat, vorm van samenleven uit 1972 best meer credits opeisen voor de rol die ze hebben gespeelt in de emancipatie van de publieke ruimte. De vanzelfsprekendheid waarmee we vandaag de dag de stad (tijdelijk) overnemen is te danken aan de strijd die toen gevoerd is.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels