blog

Blog – Als een stad geen boom is, wat dan wel?

Architectuur

Een stad is geen boom, betoogde de Amerikaanse architect Christopher Alexander in zijn beroemde gelijknamige essay uit 1966. Met deze uitspraak nam hij stelling tegenover de manier waarop in zijn tijd moderne architecten en stedebouwers de stad benaderden. Volgens hem waren zij niet in staat de stad op haar waarde te schatten. Een natuurlijke stad heeft de organisatie van een netwerk, aldus Alexander. Organiseer je een stad op kunstmatige wijze, dan krijg je een boomstructuur.

Blog – Als een stad geen boom is, wat dan wel?

Om dit abstracte verhaal te verduidelijken, beschreef Alexander een straathoek in Berkeley. Wanneer mensen voor een verkeerslicht staan, dwalen hun blikken af en zien ze het krantenrek van de plaatselijke drugstore. Ze lezen de koppen, in sommige gevallen stappen ze uit en kopen ze een krant, ze krabben aan hun kin, en wanneer het licht op groen springt gaan ze weer verder.

“From the designer’s point of view, the physically unchanging part of this system is of special interest. The news rack, the traffic light, and the sidewalk between them, related as they are, form the fixed part of the system. It is the unchanging receptacle in which the changing parts of the system – people, newspapers, money, and electrical impulses – can work together.”

Rotterdamse kruispunten

Ik moest aan dit verhaal denken toen ik afgelopen week op weg was naar de campus van Erasmus voor de opening van het nieuwe studentenpaviljoen, een ontwerp van Nanne de Ru en Willem Hein Schenk. Met mijn op CS gehuurde fiets reed ik over Weena, Pompenburg, Goudsesingel en Oostzeedijk en voorbij Woudestijn waar Excelsior voetbalt naar mijn plek van bestemming. Ik deed er langer over dan ik had verwacht. In Rotterdam blijk je lang stil te staan voor verkeerslichten, veel langer dan in andere steden. Oostplein oversteken kostte me bijvoorbeeld vier minuten en eenenvijftig seconden.

Maar anders dan op die straathoek in Berkeley, is het wachten op groen licht op Oostplein voor fietsers geen onverdeeld genoegen. Overal waar je kijkt ligt asfalt. Soms begint op het immense kruispunt in de verte geheel onverwacht een sliertje auto’s te rijden. Op dat moment waait wat stof op, daarna is het weer ijzingwekkend stil. Om onverklaarbare redenen mag het verkeer de nodige tellen later uit die zelfde richting nogmaals doorrijden.

Wat mij het meest verbaasde is de enorme blijmoedigheid waarop alle andere weggebruikers dit ondergaan. Ik herinnerde me dat een Rotterdamse vriend in grote woede ontstak toen ik nota bene samen met hem in de auto tergend lang voor het stoplicht van een kruispunt op Zuid stond en hem op dit merkwaardige fenomeen wees. Hij ontkende het gewoon, volgens hem was daar geen sprake van. Praat met Rotterdammers over het verkeer in hun stad en je krijgt de indruk met door de verkeersdienst gehersenspoelde Noordkoreanen te maken te hebben.

Etiquette

Veel waarschijnlijker is echter dat ik de etiquette van Rotterdam niet ken. Dat woord heb ik niet zelf verzonnen, maar wordt gebruikt door architect Harmen van der Wal die onderzoek doet naar de manier waarop ontwerpers werken aan de openbare ruimte. Van de Wal vindt dat de route van ingang tot voordeur in appartementen gebouwen eerder lijkt te zijn ingericht door de brandweer dan door een architect. Dit kan volgens hem veel beter. Daarom onderzoekt hij op dit moment de gerenoveerde gebouwen van de Poptahof te Delft en de verschillende vormen van openbaarheid die daarin voorkomen.

In de meeste gevallen is sprake van een geleidelijke overgang van openbaar naar privé. Deze wordt semi-privaat genoemd, maar Van der Wal stuitte in zijn onderzoek op liefst acht verschillende ontsluitingstypen. In iedere ruimte gebeurt wat anders. Mensen passen hun gedrag aan hun omgeving aan. Zo voer je een ander gesprek bij de open haard en dan op straat of in de lift. Zo is Van der Wal op het spoor gekomen van de etiquette die iedere plek kenmerkt.

Nu snappen we ook waarom Rotterdammers zo blijmoedig voor het stoplicht staan. De wens om goed om te gaan met de etiquette van een ruimte, is universeel en bestaat dus ook in Rotterdam. Volgens van der Wal komt dit omdat mensen nu eenmaal hun eigenheid willen behouden. En blijkbaar zijn ze in ook staat de non-ruimte waarin zij zich bevinden toch goed te lezen.

Maakbaarheid

In het gebied tussen voordeur en ingang onderscheidt Van der Wal verschillende vormen van openbaarheid, waaronder hybride, parochiaal en collectief. Vooral de parochiale ruimte waarin het gemeenschappelijk wordt bewaakt, vindt hij interessant. Veel gebouwen en blokken kennen beheerproblemen doordat de binnenruimte niet leesbaar is en ontmoetingen bepaald niet faciliteert. Van de Wal denkt dat je met behulp van kleine ingrepen parochiale ruimtes kunt maken waarvoor de bewoners zich verantwoordelijk voelen.

De stap van onderzoek naar ontwerp is een ingewikkelde. Want hoe garandeer je dat toepassing van bepaalde maatregelen ook inderdaad tot succes leidt? We weten inmiddels dat de samenleving en de ruimtelijke inrichting niet maakbaar zijn. Van der Wal zelf zegt dat we af moeten stappen van iedere vorm van determinisme. Het is nu eenmaal niet zo, dat als we een ruimte zus maken, mensen inderdaad ook zo doen. Ze kan gedrag faciliteren maar niet vastleggen.

Dit duidt mijns inziens op een nieuwe rol voor architecten. In de maakbare samenleving is de mens een schakel in een maatschappij die wordt opgevat als een machine. De woning was een cel die met andere cellen werd geschakeld zodat een rij of blok ontstond, en zo door tot buurt, wijk, stad en regio. Op deze manier ontstonden wijken als Ommoord of de Bijlmermeer. De toekomstige opgave voor architecten is echter veel meer het geestelijke en fysieke welbevinden van de mens te ondersteunen.

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels