blog

Blog – De Hybride Stad

Architectuur

De grootste open deur van deze tijd is dat de komst van het internet op alles invloed heeft. Mogelijkheden tot communicatie en toegang tot informatie hebben in alle vakgebieden en overal ter wereld enorme verschuivingen teweeg gebracht. Vaak wordt gezegd dat architectuur en stedebouw ouderwetse branches zijn die zich maar moeilijk aan willen passen. Is dat op dit gebied dan ook zo? Ik denk van wel, ondanks -of dankzij- het feit dat we inmiddels worden overspoeld met termen als smart-city, smart-living, domotica enzovoorts.

Blog – De Hybride Stad

Research in Urbanism and Architecture 2

Als toetje van mijn studie nam ik deel aan vak ‘Research in Urbanism and Architecture 2’, een kans om dieper in te gaan op een zelf gekozen onderwerp; in ons geval de verbinding tussen architectuur en digitale communicatie technologie. Het spreekt voor zich dat deze technologieën slimmere en snellere werkmethodes (BIM) mogelijk maken, dat we mooier kunnen renderen en dat we talloze snufjes aan de gebouwde omgeving kunnen toevoegen. Toch is het voor mij en mijn medestudenten belangrijk om een andere kijk te hebben op de zaak. Leuk dat je nu met domotica al je Sci-Fi fantasieén uit de jaren-80 waar kunt maken maar wij willen ons liever afvragen of dit het ruimtegebruik en de productie van ruimte daadwerkelijk anders kan maken.

Stel je voor dat de proliferator Raskolnikov uit Dostojevski’s ‘Misdaad en Straf’ in de 21e eeuw zou leven, hoe anders zou het er aan toe gaan? Ja, hij heeft nu een smartphone en een laptop en kan handig allerlei dingetjes opzoeken op het internet en mobiel werken of studeren. Maar leeft hij ook echt anders? Misschien niet. Nog steeds woont hij op een kamer met een bed en een bureautje, zijn persoonlijke architectuur lijkt niet echt heel veel veranderd ten opzichte van Sint Petersburg in de late 19e eeuw.

Hoe beïnvloeden technologieën ons dagelijks ruimtegebruik?

Het doel van ons onderzoek was er achter te komen wat er allemaal wél anders zou zijn. Ik interviewde een aantal mensen die zowel in persoonlijke ervaring als in hun werkende praktijk met digitalisering te maken hebben. Wat sterk naar voren kwam uit de interviews die ik afnam is dat de werkomgeving sterk is veranderd. Doordat we nu mobiel kunnen bellen en werken is het mogelijk om met velen in één ruimte te werken zonder last te hebben van elkaars telefoongebruik bijvoorbeeld. En we kunnen op elke gewenste plek werken waardoor verschillende ruimtes simultaan of sequentieel verschillende gebruikensvormen hebben. De koffiebar die een studieruimte wordt is natuurlijk het beste voorbeeld hiervan. Deze grote variëteit aan gebruiksvormen zorgt er ook voor dat we op meer verschillende plekken kunnen komen, door elkaar digitaal op te hoogte te houden van fysieke gebeurtenissen brengen we steeds meer tijd op ‘nieuwe’ plekken door.

OSCity

Tot zover een hoop veranderingen die we als (architectonische) professionals passief ondergaan. Eén van mijn interviewees was Mark van der Net van Open Source City. Ook hij ziet de digitale revolutie deels als een manier om het leven gemakkelijker te maken, laat de computer maar lekker voor je uitrekenen waar je vanavond het meest gezellig uit eten kunt gaan of waar je het rustigst kunt werken. We besparen op het moment een hoop tijd door snel te kunnen communiceren. Prima. Van der Net gaat een stapje verder door de rekenkracht van het internet en de grote hoeveelheid data zelf in te schakelen. Door informatie van social media te oogsten en te koppelen aan plaatsmarkeringen wordt het mogelijk om à la minute zeer plaatselijk en gericht dingen te weten te komen menselijk gedrag. OSCity gebruikt de data om vervolgens zelf op onderzoek uit te gaan en er achter te komen wat daadwerkelijk de wensen zijn bewoners van een bepaalde wijk of buurt. Het inwinnen en verwerken van zulke informatie kan ontwikkelaars helpen een verbijzonderd product te leveren. Ook kan het de variëteit in het woningaanbod verhogen, we kunnen nu bouwen voor meer specifieke doelgroepen in plaats van gealgemeniseerde ‘gemiddelde’ wensen. Van der Net: ‘Architecten zeiken altijd zo over die jaren-30 woningen, die worden nog steeds gebouwd omdat het voor de gemiddelde Nederlander -moet je eens voorstellen; de gemiddelde Nederlander!- de meest gewilde woningen zijn.’

Doel of middel

Een andere geïnterviewde is Alwin Beernink, directeur van Park Strijp Beheer en daarmee verantwoordelijk voor de herbestemming van de oude Philips industrie op Stijp-S in Eindhoven. Het bijzondere aan Strijp-S is dat er hier geëxperimenteerd wordt met Smart city technologie door een combinatie van overheid en bedrijfsleven. Zo zijn er bijvoorbeeld straatlampen met LED verlichting die aangepast kunnen worden op de jaargetijden. Voelen mensen zich op straat in de zomer beter met felle nachtverlichting en in de winter beter met warmere verlichting? Het zijn vragen waarmee ze zich op Strijp-S bezig houden. Toch blijft het volgens Beernink belangrijk om doel en middel van elkaar te onderscheiden. ‘Inmiddels zijn we allemaal al een beetje Smart-City-moe geworden’ beweert hij. Het komt inderdaad vaak voor dat er met deze term wordt gesmeten. Meestal gebeurt dat als er een publieke functie is aangesloten op het internet door een welwillende overheid terwijl het onduidelijk is wat het werkelijke voordeel voor de bewoners is. Buiten eventueel gemak en tijdwinst. Beernink vraagt zich net als ik en mijn medestudenten af hoe we technologie in kunnen zetten om ervaringen te verbreden en en grotere (of kleinere?!) nieuwe beleving te creëren.

The Hybrid City

Wat dit voor een beleving zou kunnen zijn staat alles behalve vast.

Begin deze maand nam ik deel aan een workshop op het Griekse eiland Kreta en werkte ik in de unit ‘The Hybrid City’ die deze nieuwe beleving probeert te definiëren. Deze titel is gekozen door mijn tutor Lara Salinas. Salinas is een kersverse PhD van de University of Lancaster en houdt zich bezig met het maken publieke ruimte die online en offline tegelijk is- vandaar hybride. Ze werkte in het kader van haar PhD aan een de app Chattr waarmee de inbedding van het internet, online ethiek en privacy aan de kaak worden gesteld. Volgens Salinas moet hier het debat over, en onderzoek naar, technologie in publieke ruimte over gaan. Het gaat haar niet om hoe technisch de stad kan worden maar om hoe goed de technologie geïntegreerd kan zijn om de menselijke beleving te maken of te verbeteren. De andere tutor is Michalis Kantarsis. Hij is architect in Athene en werkt als onderzoeker bij het TUCTIE lab aan de Technical University of Crete. Dit lab onderzoekt de mogelijkheden om technologische respons te integreren in architectuur met de mens als centrale uitgangspunt.

Human centered approach

Het doel van de workshop is om ontwerpend tot oplossing te komen die digitaal en fysiek op een nieuwe manier in het straatbeeld kan laten samenkomen. Toch is het uiteindelijke ontwerp niet persé de rede om deel te nemen aan de workshop. Voor mij is hier vooral de methode van belang. Zowel Salinas als Kantarsis staan er op dat de groep een ‘human centered approach’ toepast waarbij we in kaart brengen wat de verlangens, frustraties en kansen van de bevolking zijn. Ik heb vanuit mijn studie en vanuit de praktijk weinig ervaring met deze insteek omdat architectonisch onderzoek vaak over meer fysieke zaken zoals ruimtelijkheid, tactiliteit en tektoniek wordt gesproken. In de praktijk liggen de wensen van de gebruiker vaak ook al vast in de briefing van de opdrachtgever.

Het onderzoek wordt gestructureerd volgens de dubbele ruit. Deze methode wordt vaak gebruik in service design, een gebied waar de gebruiker centraal staat. De kern van de methode is twee keer uit- en in te zoomen; eerst verbreden we ons spectrum door zo veel mogelijk informatie in te winnen over de mensen in de stad en twee activiteitengroepen, daarna analyseren we deze data kritisch. Hieruit ontstaan onze eigen kernwaarden die de basis vormen om nog eens de divergeren op zoek naar mogelijke oplossingen, tenslotte convergeren we weer naar het uiteindelijke ontwerp toe.

Plek versus ruimte

Dit ontwerp behelst een digitale installatie voorzien van geluidssprekers, een projector, een camera en een microfoon. Dezelfde functionaliteit is opgenomen in kleine ‘satellieten’ die geleend kunnen worden van de centrale unit. Op centrale plekken in de stad komen deze combinaties te staan zodat alle pulieke ruimtes met elkaar in verbinding kunnen staan. Het doel van deze installaties is dat plaatsgebonden content gecreëerd en gedeeld wordt, en dat evenementen aangekondigd kunnen worden. Op die manier word de bevolking een houvast geboden die het makkelijker maakt om zich te uiten in de publieke ruimte.

Omdat de technologie het nu mogelijk maakt om herinneringen en gebeurtenissen los te laten komen van een bepaalde ruimte en tijd, zei het in gereduceerde mate, ontstaat er een geheel nieuwe manier van denken over plek en ruimte. Kort gezegd is het verschil tussen deze twee dat een plek gemaakt wordt door een gebeurtenis (placemaking) en daardoor tijdelijk en niet te herhalen is terwijl een bepaalde ruimte er altijd is. Een gebeurtenis kan door digitale communicatie nu tegelijkertijd plaatsvinden op meerdere plekken die anders een totaal andere betekenis zouden hebben.

Wat betekent dit voor de architect?

In dat laatste komt naar voren waar de digitale revolutie het architectonische gebruik het meeste raakt. Omdat de digitalisering in principe alles mogelijk maakt lijkt het wel nodig om ook alles te doen, ook mijn unit en ik belanden in een soort van smart-enthousiasme en willen alle functionaliteit die er is direct integreren. En dat terwijl ik nog wel anti smart city was. Op deze manier komt digitaal en fysiek weer tegenover elkaar te liggen omdat het gebruik door alle ontelbare mogelijkheden los komt van de ruimtelijkheid. Toch is de ‘human centered approach’ een goede manier om met digitalisering en architectuur om te gaan. Het geeft de ontwerper namelijk een idee over wat de actor tussen fysiek en digitaal, namelijk de gebruiker, die zich ook nog eens met ‘placemaking’ bezig houdt, allemaal wil en doet. Door jezelf af te vragen in welke mate concentratie van gebruikers naar hun scherm of naar andere dingen uit gaat kun je een nieuwe input genereren voor architectonische beslissingen. Daarnaast kan de hybride beleving van de ruimte denk ik het beste bereikt worden door fysiek en digitaal elkaar te laten raken waar het er toe doet. OSCity heeft laten zien dat directe terugkoppeling over gebruik mogelijk is. Waarom maken we de hele stad ‘smart’ terwijl het misschien maar op een enkele plek nodig is?

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels