blog

Hoe word je een architect?

Architectuur

Rem Koolhaas werd afgelopen donderdag in de Kunsthal geïnterviewd over zijn eerste stappen in de architectuur, begin jaren tachtig. Aanleiding was de presentatie van het Oase-nummer ‘OMA: The First Decade’. Terwijl de lezing Koolhaas de gelegenheid bood zijn erfenis veilig te stellen en de receptie van zijn vroege werk bij te stellen, was het voor de vele toehoorders een boeiende les in hoe je een architect wordt.

Hoe word je een architect?

In het redactioneel voor dit nummer schrijven Christophe Van Gerrewey en Véronique Patteeuw dat het verleidelijk is OMA de schuld te geven van de huidige toestand, zoals de economische crisis en de mondiale ongelijkheid. “Koolhaas heeft het neoliberale kapitalisme salonfähig gemaakt voor westerse architecten en intellectuelen. Fundamenteel verzet tegen vooruitgang en verstedelijking werd in zijn spoor als onmogelijk, onwenselijk en oninteressant beschouwd.” De redacteuren geven aan zich hier verre van te willen houden en vragen zich vooral af welke architectuur deze houding heeft opgeleverd.

Opkomende markteconomie

Het onderwerp ging voor zijn doen gemoedelijk en open het gesprek met de redacteuren van Oase in (waarbij Job Floris de verhinderde Véronique Patteeuw verving), maar nam daarbij direct de regie in handen om hem niet neer los te laten. Het werd zodoende meer een monoloog dan een interview.

Koolhaas benadrukte voortdurend dat hij werkte in de tijd van de opkomende markteconomie. Zo memoreerde hij dat wethouder Mentink hem vroeg waar hij in Rotterdam wilde bouwen, met de klaarblijkelijk implicatie dat dit wel te regelen zou zijn. De tijd dat socialistische wethouders het voor het zeggen hadden was echter snel voorbij, zoals ook Koolhaas tot zijn schade en schande ontdekte.
OMA-Rem Koolhaas, Kunsthal, Rotterdam 1992

 

OMA-Rem Koolhaas, Nederlands Danstheater, Den Haag, 1987

Geld dominant

Projectontwikkelaars maakten hun opwachting in de planvorming. Ik was er halverwege de jaren tachtig zelf bij toen hij voor de eerste maal werd geconfronteerd met dit fenomeen in de Groningse Verbindingskanaalzone (een project dat in Oase niet wordt besproken), zich niet de les liet lezen door deze ontwikkelaars maar wel snel buiten spel werd gezet.

De tijd dat je als architect nog een plan kon maken in de overtuiging dat het ook in die hoedanigheid zou worden uitgevoerd, was daarmee voorbij. De architectuur was gedwongen zich aan te passen en de noodkreten die Koolhaas herhaaldelijk liet uitgaan, werden niet gehoord.

De overheid is de uitwerking van ruimtelijk beleid steeds meer gaan neerleggen bij marktpartijen. Het geld werd dominant. Gegeven deze ontwikkeling, moest je als architect wel op zoek naar nieuwe manieren van structureren.



OMA-Rem Koolhaas, De Rotterdam, Rotterdam, 1997-2013

Repeterende grammofoonplaat

Koolhaas bracht dit punt herhaaldelijk naar voren, tot op het punt dat hij zelf verzuchtte een repeterende grammofoonplaat te zijn. De interviewers leken niet op deze stelling voorbereid, en dienden hem niet van repliek.

Dat bleek ook toen ze Koolhaas vroegen naar zijn literaire invloeden. Volgens Koolhaas kon je daar wel in een latere periode van zijn oeuvre over spreken, maar juist niet in deze tijd. Omdat hij zich inspande een architect te worden zocht hij juist samenwerking met ingenieurs als Stefan Polonyi (in het dak van het Danstheater) en Cecil Balmond. Met hen ontdekte hij hoe je constructie kon inzetten om dingen op een andere manier te doordenken en te doen.

Innovatie en inventie

Rem Koolhaas worstelde gedurende de eerste tien jaar vooral met de vraag hoe hij een gewaardeerde architect kon worden. “Dit bepaalde alles wat ik deed.” Samenwerkingen speelden daarbij een belangrijk rol. “Dankzij het repertoire en het denken dat we samen ontwikkelden, ontdekte ik totaal nieuwe velden die ver stonden van het formalisme van de toenmalige sterarchitecten. We zagen het gebruik van constructie als een van de manieren om de dingen op een nieuwe manier te doen en te komen tot innovatie en inventie.”

The First Decade werd zodoende een inspirerende les in architectuur. Ook architecten nu moeten proberen een grondslag voor hun positie te definiëren, zij het op een andere manier dan toen, simpel vanwege het feit dat de condities nu geheel anders zijn. Drie eenvoudige feiten helpen dit verklaren.

Zien opdrachtgevers het?

In de huidige tijd is het komen tot opdrachtgeverschap het grote probleem. Afgelopen week werd bijvoorbeeld bekendgemaakt dat de rechtspraak meer gaat investeren in de handhaving en verbetering van de kwaliteit van het rechterlijke werk. Om dit mogelijk te maken worden de uitgaven voor bedrijfsvoering en huisvesting flink verminderd.

 Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, zei recht in de camera van het NOS journaal: “Wij investeren in mensen in plaats van in stenen.” Komende tijd zullen zeven rechtbanken worden ontmanteld. Dit lot treft ook de rechtbank van Almelo, twee jaar geleden opgeleverd.

Cultuur van aanbestedingen

In het verlengde hiervan is ook in de aanbestedingscultuur het nodige aan de hand. Referentie-eisen zijn bijvoorbeeld zo eensluidend, dat de opgave onnodig wordt verengd. De meeste aanbestedingen definiëren een eenduidig beeld van de opgave.

De huidige selectieprocedures zijn gericht op beeld en op portfolio. Waarom dat zo is, is niet altijd even duidelijk. Ze zouden even goed gericht kunnen zijn op de vraag hoe je het beste proces krijgt. Dus dat bij een opgave de architect wordt gekozen die de opdrachtgever door het gehele proces heen weet te loodsen.

Waar architecten goed in zijn, is een vraag stellen en daarmee een antwoord bieden waar opdrachtgevers in eerste instantie in het geheel niet aan dachten. Een architect kan bijvoorbeeld heel goed meepraten over de plek waar een gebouw komt.

Crisis bij Oranje

Aan het Nederlandse elftal kun je aflezen hoe het ervoor staat in onze samenleving. Afgelopen zaterdag haalde Bert Middelkoop in zijn column ‘Oranje’ in de Volkskrant deze stelling van de Engelse schrijver David Winner uit 2001 nog eens aan. Het creatieve, originele en aanvallende spel van de grote elftallen uit de vorige eeuw, de combinatie van grote individuele kwaliteiten en teamwork, je vond het allemaal terug in de Nederlandse samenleving.

 

Van dit voetbal is niets meer over, zoals woensdag bleek tegen IJsland en gisteren opnieuw tegen Turkije. Verdwenen is het aanvallende, oorspronkelijke en creatieve spel. De laatste goede voetballers worden op de reservebank gezet. De coaching is beroerd. Het spel afgrijselijk.

Architecten aan de bak

Nieuwe generaties architecten dienen zich aan, met weer andere idealen. De beste beschrijving van wat een architect doet, en daarmee een mogelijk toekomstdoel, lijkt integratie te zijn. Terugvallen op de overheid (zoals bij het begin van Koolhaas carrière nog mogelijk leek) is er niet meer bij.

De observatie dat als je ontwerpers meer ruimte geeft, oplossingen slimmer en mooier zijn, is juist. Alleen dat je als ontwerper die ruimte in de schoot geworpen zult krijgen, is vrijwel uit te sluiten.

Architecten moeten daarvoor echt zelf aan de bak.

En dus niet hun tijd gaan verspillen, zoals Rem Koolhaas aanbeval.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels