blog

Detail 11 – Kopgevel

Architectuur

Toevallig weet ik een boel over kopgevels. Dat zit zo. De bna heeft een serie uitgebracht en die heet Freestyle. Daar kunnen architecten over hun fascinatie schrijven en die van mij, of liever gezegd van ons, is die van de kopgevel. Wat is dat dan, een kopgevel, vragen de meeste mensen ons, maar gelukkig hoef ik dat hier niet uit te leggen. Een kopgevel staat natuurlijk aan het einde van een rijtje huizen. En van die rijtjes hebben we er genoeg in Nederland en dus er valt een hoop over te vertellen.

Ik schreef er een boek over, samen met Lidwine Spoormans, zij bedacht het thema en ik was direct enthousiast, dat begrijpt u. De favoriete kopgevel van Lidwine is die uit de jaren zestig. Die is heel groot en heel hoog. Als het goed is, zit er geen enkel raam in. Dat heeft niets te maken met kosten of  koudebruggen, maar alles met democratie. Men vond het in die tijd totaal onterecht dat iemand die toevalligerwijs was terechtgekomen in de laatste woning, wel van een prachtig overhoeks uitzicht
zou kunnen genieten en de rest van de bewoners niet. Dat hij zo wellicht beloond zou worden voor dat hele eind over die ongezellige galerij, was kennelijk niet democratisch genoeg.

 

Het doet me denken aan mijn oma. Zij had zes kinderen. Met kerst bezocht zij geen van die kinderen, bang dat ze iemand tekort zou doen. Dat de andere vijf blij voor haar zouden zijn, dat ze met kerst  gezellig onder de mensen was in plaats van alleen met haar puzzeltje, kwam niet in haar op. Of wellicht vond ze het eigenlijk wel lekker, in haar eentje met die puzzel. Hm, dat werpt weer een hele andere blik op de zaak. Hoe dan ook, ik zou als bewoner van een tussenwoning stikjaloers zijn
op die bewoner van de hoekwoning, wanneer deze aan het einde van de galerij een woning met  overhoeks uitzicht zou hebben. Maar met dat gevoel is natuurlijk niks mis, er zijn momenteel ook  mensen die in een mooier huis wonen dan ik woon. Daar ben ik totaal niet ongelukkig over, wellicht woon ik over heel veel jaar ook wel in zo’n mooier huis. Of niet, ook goed, dan droom ik erover, hoop doet leven.

Mijn favoriete kopgevel is de kleinste kopgevel die we bezocht hebben en deze stamt uit de jaren vijftig. Het is een schattig geveltje. De woning is ondiep, twee lagen hoog, de kap is flauw hellend en  de nok mondt uit in een schoorsteen. Het is een echt huisje, heel lief. Hier geen blinde kop, maar één heel raam. Dit raam zit altijd excentrisch, naast het midden, aan de tuinkant en wordt meestal gevormd door een bloemkozijn. De vorm is een liggende rechthoek en er zit geen draaiend deel in. Vaak gaat er een knap geknipt heggetje voorlangs, die het ideale jarenvijftigbeeld van het gezin met de vader die op zondag de tuin doet, mooi afmaakt.

Tegenwoordig moeten we bij onze opdrachtgever hemel en aarde bewegen om één of meerdere ramen in de kopgevel te krijgen. Dat heeft niets meer met democratische idealen te maken, tegenwoordig gaat het puur om het geld. Elk gat kost immers geld, je kunt beter doormetselen, veel goedkoper. Hoe minder kopgevels, hoe beter en hoe minder ramen, hoe beter. Een bloemkozijn is helemaal uit den boze, dat gaat geheid lekken en vraagt te veel onderhoud.

En wat levert het nou helemaal op, zo’n hoekraam? Nou, een woonkamer dus met mooi overhoeks  zicht, een straathoek met een fijne gevel en dagelijks mensen die voorbijkomen en onbewust denken; wat een leuk raam is dat, wat een fijn zicht moet je daar hebben v anuit de woonkamer, wat lijkt het me leuk om daar te wonen. Dat raam is er dus niet alleen voor de mensen die in dat huis wonen. Feitelijk is het er voor iedereen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels