blog

Het jaar van bouwen met liefde

Architectuur

“Over veertig jaar wordt de Vinexwijk Leidsche Rijn weer afgebroken, omdat deze wijk zo liefdeloos is gebouwd”, sprak een architect (de naam ben ik helaas vergeten) tien jaar geleden op een discussiebijeenkomst in Utrecht. Nu vond en vind ik dit een wel erg somber beeld, maar ik kreeg dat begrip ‘liefdeloos bouwen’ niet meer uit mijn hoofd.

Het jaar van bouwen met liefde

De afgelopen jaren keek ik goed uit mijn doppen, las en sprak ik veel over dit thema. Omdat 2015 onder aanvoering van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgeroepen tot het Jaar van de Ruimte, zet ik vier redenen voor liefdeloos bouwen op een rij. Voor mij mag dit het jaar worden waarin we ons afkeren van zielloze plannen en dubieuze verdienmodellen die losgeweekt zijn van het publieke belang, de menselijke maat en de lokale gemeenschap.

Vastgoed als verdienmodel

Ooit werden kantoren, bedrijfspanden en maatschappelijk vastgoed gebouwd om ondernemingen en instellingen een dak boven het hoofd te geven en was er een rechtstreekse relatie tussen de mensen die het lieten bouwen en de mensen voor wie het werd gebouwd. Inmiddels is het bouwen van die panden onderdeel van onnavolgbare verdienmodellen, waarin kwaliteit en werkelijke vraag er steeds minder toe doen.

Nu moeten we ook niet heilig doen over de kwaliteit van wat er vroeger is gebouwd maar het is nog slechter geworden. Het was in de jaren negentig bijzonder dat een bedrijf als KMPG nadacht over de betekenis van een gebouw voor zijn gebruikers en voor de omgeving, en een spectaculair antroposofisch gebouw als hoofdkantoor liet neerzetten door Alberts & Van Huut. Zoals dit artikel en een televisieprogramma lieten zien, is er niets van dit kwaliteitsbesef over. KPMG is onderdeel van het casinokapitalisme geworden, liefdeloos (s)hoppend van gebouw naar gebouw.


Het leegstaande kantoor van KPMG, ontworpen door Alberts & Van Huut.

Morele crisis

Ook de publieke sector is daarmee besmet. Kijk naar de corporatiesector, de zorg en het onderwijs, waar het ene vastgoeddebacle op het andere volgt. Ik kan me niet aan de indruk ontrekken dat het doel – een fijne omgeving om te wonen, gezond te leven en leren – hier ondergeschikt is gemaakt aan vastgoedbelangen.

We hebben hier eerder te maken met een ernstige morele crisis dan met een economische crisis. Dat er wordt gesproken over het aanpakken van de cultuur aan top van deze organisaties is dan ook terecht. Maar daarmee zijn we er nog niet. De verleidingen blijven. Er stroomt weer heel veel geld over de wereld op zoek naar stenen en wie wil daar niet een graantje van mee pikken? Zouden we niet moeten institutionaliseren dat er gebouwd wordt met en voor de eindgebruiker? En proberen het grote geld daar tussenuit te halen? Wie zijn eigen pand bouwt, bouwt tenslotte eerder met liefde dan voor wie het een verdienmodel is.

Grote plannen en gebaren

De termen integrale gebiedsontwikkeling, transformatie, majeure opgaven en stedelijke iconen maakt duidelijk dat we de afgelopen decennia in Nederland wat groter hebben leren denken en handelen. Geen geneuzel op de vierkante meter. Helaas kwam daar wel iets door in het gedrang: de menselijke maat en het gevoel voor ‘het zijn de kleine dingen die het doen’.

Ik kan het in dit verband nooit laten om te wijzen naar het stationsgebied in mijn eigen stad Utrecht, waar dat gebrek aan menselijke maat en gevoel voor detail maar al te pijnlijk zichtbaar en voelbaar is. Kijk zelf om je heen en je ziet het al snel: hoe groter het plan en hoe meer imponeerarchitectuur, hoe kleiner de kans dat er geweldige plekken voor mensen ontstaan.

 
Visual Stationsgebied Utrecht. 

Gelukkig is er altijd een tegenbeweging, die van acupunctuur, placemaking, crowdbuilding en buurtplanning. Daarom is het tijd meer aandacht te vestigen op het maken van geweldige plekken met een menselijke maat. Daarvoor moet onze overheid ook leren kleiner te denken en te handelen. Om beter te zien dat kwaliteit in liefdevol handelen en bijzondere details schuilt, om dichter bij de leefwereld te blijven en om mensen de kans te geven zelf hun omgeving in te richten.

Tekentafelplanologie

De ruimtelijke inrichting van ons land, zowel op regionale schaal als op het niveau van pleinen, straten en parken, wordt nog te vaak bepaald vanachter de tekentafel. Dus niet op de plek waar het om gaat, en niet met of onder regie van de daar aanwezige bewoners, ondernemers en bezoekers. Dat hangt samen met het bouwen als verdienmodel en levert niet altijd de fraaiste oplossingen voor gebruikers op, hooguit fraai voor mensen die het vanuit een luchtballon zien. Soms vraag ik me af of de meeste stedebouwers, planologen, planeconomen en architecten wel genoeg gevoel hebben voor de sociale en publieke betekenis van plekken. Bekijk dit filmpje uit 2012 over het Bos en Lommerplein in Amsterdam, en je ziet wat ik bedoel.


Bos en Lommerplein, Amsterdam.

Voor mij is de oplossing simpel: verschuif de regie over de inrichting van de ruimte van stadskantoren en architectenbureaus naar buurten en straten. En zorg dat plannenmakers en ontwikkelaars daar zelf langdurig aanwezig zijn en zich verbinden met plekken en mensen, voordat ze mogen ontwerpen en ontwikkelen.

De bouw als productiemachine

Bovendien lijkt bouwen en het versnellen daarvan soms een doel op zich te zijn. Er moet weer gebouwd worden, want ‘de bouw is de motor van de economie’. In het verlengde daarvan gaat het ook altijd om aantallen en zelden over kwaliteit, over inbedding in de stad en over hoe gebieden ook zonder bouw in beweging zijn.

In Utrecht is SP-wethouder Paulus Jansen bezig met behulp van grote beleggers behoorlijke volumes vrije sector-huurwoningen in te plannen op open stukken in de stad. Dat scoort politiek natuurlijk goed, want de vraag naar woningen in grote steden trekt aan. Waarschuwingen dat je op deze manier kleine beleggers die hun geld nuttig willen besteden uitsluit, en geen gebruik maakt van initiatieven die er al in die gebieden gaande zijn, sorteerden tot nu toe weinig effect.

Paviljoen pOp op het Utrechtse Westplein, gebouwd en geprogrammeerd door een bewonersinitiatief uit de aangrenzende wijk Lombok.

Ouderwetse opgespoten zandplanning, en dat in binnenstedelijke gebieden waarin bewoners al jaren levendigheid brengen en activiteiten organiseren. Zij lijken beter dan de gemeente te begrijpen wat de waarde en dynamiek van zo’n gebied is. Termen als organisch ontwikkelen, gebieds-DNA en integrale benadering staan in vele beleidsstukken, maar blijven een dode letter als de bouwvolumes leidend zijn.

Hallo afdelingen stedebouw, vastgoed en grondzaken! Kijk even op van je boekhouding en bouwtekeningen en zie hoe bijzonder ieder gebied in de stad al is en hoeveel mensen zich daar al met liefde om bekommeren.

Zelfsturende samenleving in de ruimte

Al met al grote systeem- en machtsvragen. Het Jaar van de Ruimte lijkt me een uitgelezen kans om hier samen eens in te duiken. Het zou jammer zijn als alle energie gaat zitten in het vrijblijvend stoeien met ruimtelijke concepten en vergezichten.

We hoeven daarvoor niet alles overhoop te halen. Wat bovenstaande punten gemeen hebben is dat bij bouwen met liefde ontwerpen, bouwen en ontwikkelen veel meer gestuurd wordt door de mensen voor wie er gebouwd wordt. Als we er in slagen om de dialoog over de ruimte te verbinden met die over maatschappelijke zelfsturing (zelfbouw, nieuwe stadsmakers, burgerbestemmingsplan, doe-democratie, slow urbanism en buurtrechten), is er al veel gewonnen ten opzichte van de huidige status quo. Want ik geloof er heilig in dat in de verschuiving van publiek-privaat naar publiek-gemeenschap de sleutel zit om plekken te maken die geluk en saamhorigheid bevorderen. Daarom richt ik mijn aandacht daar vooral op.

En ik ga het komende jaar heel vaak het begrip ‘bouwen met liefde’ laten vallen, wie weet wie ik er allemaal mee kan besmetten. Doet u mee?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels