blog

Een scooter om in te wonen

Architectuur

We zoeken naar architectuur waarin onderscheid wordt gemaakt tussen twee, essentiële, vormen van betrokkenheid, tussen functionaliteit en beleving. Op straat vond ik onverwacht wat we zoeken, bij de scooter waar de techniek van de aandrijving, functionaliteit, zo mooi contrasteert met de fraai gevormde, op de beleving afgestemde beplating. Hoe kunnen we deze vondst nu overbrengen naar de architectuur?

Een scooter om in te wonen

Nog even terug naar het onderscheid: een functionele ruimte moet logisch in elkaar steken, dat heeft het modernisme ons geleerd. Maar wat we daar niet hebben geleerd is hoe we kunnen laten zien dat de bewoner de situatie in de hand heeft, en niet hoeft te dansen naar de pijpen van de technocratie. Dit doen we door te zorgen voor zichtbare, voor mensen gemaakte handvatten.


Keukenkastjes zonder handvatten. Uit de film ‘Mon Oncle’ (1958) waarin Jacques Tati probeert te dansen naar de pijpen van het mechanisme dat de kastjes opent en sluit. Bekijk het op YouTube.

Vrienden met associaties

Beleving is niet logisch, maar heeft met smaak te maken. Nu beroepen vormgevers zich vaak op de ‘goede smaak’ waarvan zij menen een exponent te zijn. Helaas signaleerde de Engelse filosoof David Hume al in 1757 dat er in de wereld een grote variatie aan smaken bestaat, smaken die vaak regelrecht in strijd met elkaar zijn.

Daarom kunnen we beter de aanpak volgen van Christian Norberg-Schulz en bewoners vragen met welke kwaliteiten zij ‘vrienden’ willen worden. Waarbij we ook kijken naar de associaties die deze kwaliteiten met zich meebrengen (zie: Christopher Travis). Deze ‘vrienden’ en hun associaties kunnen we dan als uitgangspunt nemen voor het domein van de beleving.

Voorbeeldontwerp

Om te laten zien waar dit toe kan leiden heb ik een woning ontworpen die, net als een scooter, bestaat uit een functioneel- en een belevingsdomein:

Driehoekshuis (Krabbendam 2013) Twee domeinen, links voor de beleving, rechts voor de functie. 

Rechts het functionele domein. Een plantenkas (stadslandbouw) met op het dak een reservoir voor regenwater en een overdekte plek aan de straat om groente en fruit met buren te ruilen of te verkopen. Op het dak zonnepanelen.

Links het domein van de beleving. De ‘vrienden’ van de bewoners. Een dakterras, verbonden met de privacy van de achtertuin, een drempelgebied bij de voordeur, voor contact met de buren, en een carport. Kwaliteiten die zijn ‘geladen’ met associaties. Ronde vormen verwijzen naar beslotenheid en comfort, een oldtimer legt verband met het verleden, de kleur geel doet zonnig aan en het rood van de kozijnen verwijst naar de warmte van het interieur.

Het genoegen is wederzijds

Beide domeinen zijn met elkaar verbonden door de keuken (in het midden, achter de drie struikjes). Wie werkt in de functionele plantenkas, heeft zicht op de keuken en de achterliggende woonkamer, en ‘weet waar hij het voor doet’. Omgekeerd hebben bewoners vanuit de woonkamer zicht op de keuken en de achterliggende kas, waardoor zij, aan de belevingskant, ’weten wat ze kunnen verwachten’. Zo kan de verbindende keuken de betekenis onderstrepen van zowel het functionele als het belevingsdomein.

Slechts een voorbeeld

Natuurlijk zijn er andere functies mogelijk, en andere ‘vrienden’ met andere associaties. En andere architecten. Dit is slechts een voorbeeld van wat het onderscheid tussen functie en beleving kan betekenen voor een concreet ontwerp. Onnodig te zeggen dat er talloze scooters mogelijk zijn.

In deze serie over ‘betrokkenheid’ werk ik in een aantal korte bijdragen toe naar aanbevelingen die van belang zijn voor de opgave van deze tijd, waarin gevraagd wordt duurzaam te ontwerpen voor betrokken gebruikers. Voor de haastige lezer, deze aanbevelingen zijn ook te lezen op mijn website (www.flipkrabbendam.nl/cat1.php#Introductie promotieonderzoek) en in mijn proefschrift, getiteld ‘Betrokkenheid’.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels