blog

Architecten van buiten: een probleem?

Architectuur

De Amerikaanse architect en hoogleraar Witold Rybczynski viel onlangs hard die sterarchitecten aan die vaak werken in steden waarmee ze niet bekend zijn en gebouwen maken die uit de toon vallen in hun omgeving. Rybczynski ontpopt zich als pleitbezorger van plaatselijk architectuurtalent, door hem voor de gelegenheid “lokatecten” genoemd. Echter niet de architecten, maar de architectuur zelf lijkt het echte probleem te zijn.

Architecten van buiten: een probleem?

Einde jaren tachtig deed het verschijnsel zich voor het eerst in Nederland op grote schaal voor: Buitenlandse architecten die op uitnodiging van een wethouder plannen maakten voor sleutelprojecten in Nederlandse steden. In Den Haag realiseerde Richard Meier (VS) het stadhuis en realiseerde Ricardo Bofill (ES) de vervangende woningbouw op de oude locatie. Voor de Verbindingskanaalzone in Groningen kwam een stoet van buitenlandse architecten voorbij en bouwden later vooral Italiaanse architecten cruciale gebouwen: Giorgio Grassi (bibliotheek), Alessandro Mendini (museum), Aldolfo Natalini (stadhuis). Rotterdam engageerde voor de Kop van Zuid stedebouwkundigen als Joan Busquets (ES) en Bernard Huet (FR).

Globalisering

Nu dertig jaar later is het heel gewoon dat Nederlandse architecten werk zoeken en vinden in het buitenland. Veel Europese bureaus doen projecten in de Verenigde Staten, terwijl omgekeerd veel Amerikanen opdrachten krijgen in Europa. En de gehele wereld lijkt emplooi te vinden in China. Wat niet veel later globalisering werd genoemd, kreeg al vroeg vat op de architectuur en was lange tijd een geheel geaccepteerd verschijnsel. Die consensus begint nu af te brokkelen.

Pleidooi voor lokatecten

Onlangs gooide Witold Rybczynski, auteur van onder andere het boek ‘Home: A Short History of an Idea’ uit 1986, de knuppel in het hoenderhok. In een artikel in de The New York Times Magazine poneerde hij de stelling dat je beter lokaal talent kunt kweken dan grote architecten van buiten kunt inhuren. Dus geen “sterarchitecten zoals Renzo, Rem, Zaha en Frank”, maar wat hij “lokatecten” noemt. Het argument loopt verrassend parallel met de visie dat we in Nederland vooral jonge voetballers moeten opleiden en geen dure voetballers meer moeten halen uit het buitenland.

Idee van de plek

Rybczynski zegt niets te zien in importarchitecten, omdat ze geen idee hebben van de plek waarop ze werken. “Steden kennen hun eigen patronen van bouwen, onder invloed van het tempo van leven, de kwaliteit van het licht, de historische tradities of de beschikbare materialen. Gebouwen die deze patronen onderkennen, versterken de betekenis van een bijzondere plek – zij zijn daaraan schatplichtig.” Volgens Rybczynski herkennen lokale architecten deze plekken op een instinctieve wijze, terwijl van buitenaf komende architecten louter intellectueel zouden reageren.

Architectonisch meesterwerk

Heeft Rybczynski gelijk? Op zijn opvatting dat alle grote architectuur ter wereld louter door lokale architecten is gemaakt, valt het nodige af te dingen. In Seattle is bijvoorbeeld een van de grootste werken van de hedendaagse architectuur te vinden, de Seattle Public Library van Rem Koolhaas. Maar je vindt hier ook het totaal mislukte EMP Museum (Experience Music Project) van Frank Gehry, toch niet de minste architect. Omgekeerd komt het voor dat architecten in hun regio de mooiste projecten realiseren, maar dat even goed doen in andere steden en regio’s.

Vreemde indringers

In de tweede plaats lijkt zijn pleidooi voor “lokatectuur” wat al te gemakkelijk voorbij te gaan aan de globale werkelijkheid. Rybczynski is niet de eerste die het lokale ziet als het slachtoffer van het globale: de globale krachten die jouw regio of land binnendringen en de destructie van lokale gemeenschappen veroorzaken, de sluiting van fabrieken, enzovoorts. Waar hebben we die verhalen eerder gehoord? Vrijwel altijd blijft de lokale besluitvorming in deze verhalen buiten beeld, maar dat lijkt niet terecht. Zoals de geografe Doreen Massey in de 24 uur interviewmarathon van Hans Ulrich Obrist en Rem Koolhaas opmerkte, wordt globalisering juist voortgebracht op lokale plaatsen. Je moet je niet defensief opstellen, maar proberen na te gaan wat op die plekken gebeurt.

Architectuur als probleem

In het debat dat in de slipstream van Rybczynski’s statement op de website van de The New York Times ontbrandde over de vraag of “sterarchitecten onze steden verknoeien”, stelde Allison Arieff nuchter vast dat over de hele wereld verschrikkelijke gebouwen worden gebouwd, maar dat je daar niet een handvol sterarchitecten de schuld van kunt geven. Gebouwen komen niet tot stand zonder opdrachtgever, architecten zijn geen solitaire geniën, zo ze dat ooit zijn geweest. Bovendien komen gebouwen tot stand in ingewikkelde processen met vele betrokkenen. Het probleem zijn niet de architecten, maar de architectuur.

NIMBY cultuur

Zij wordt daarin bijgevallen door Aaron Betsky die op de website van Architect Magazine betoogt dat niet sterarchitecten, maar slechte gebouwen het echte probleem zijn. Natuurlijk is het een probleem als de ego’s te groot zijn of te weinig wordt samengewerkt met opdrachtgever, adviseurs, deskundigen en gebruikers, merkt Betsky op. Maar de kern van het probleem is de risico vermijdende, NIMBY cultuur die weigert te investeren in sociale kwaliteit, in het delen van middelen en in het bouwen voor hoop en vrees.

Stompzinnig gebruik van middelen

Volgen Betsky zouden we ons nu juist moeten richten op de kwestie hoe het komt dat zo veel slechte gebouwen worden gemaakt. Hij pleit hier de bekendere architecten niet mee vrij, maar aldus Betsky, het echte kwaad wordt gepleegd door al die anonieme bureaus die het veld domineren en wiens gezichtloze gebouwen gebaseerd zijn op “een stompzinnig gebruik van middelen”.

Breder en complexer

Ook op de Biënnale van Rem Koolhaas, dit jaar in Venetië, wordt verkondigd dat het eerder om de architectuur dan om de architecten gaat. Het doel is weer goede gebouwen te maken, het neveneffect van een doelstelling die veel breder en complexer is. Waar het om gaat zijn gebouwen waarin culturele en natuurlijke genoegens goed tot hun recht komen, op zo’n manier dat de kwaliteit van leven van de mensen die er wonen en werken, beter wordt.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels