blog

Nieuwe dimensies van architectuur: van Wagner tot Hollein en Krischanitz

Architectuur

Afgelopen februari werd in de Wenen de hoogste toren van Oostenrijk geopend. Deze toren, een tamelijk primitief ontwerp van Dominique Perrault, meet 250 meter en wisselt met een hoogte van 171 meter de Millennium-Tower af die lange tijd het hoogste kantoorgebouw van Oostenrijk was. Deze toren stond in Wenen afgelopen jaren aan het begin van een heuse hoogbouw boom. Rond de spoorstations als Hauptbahnhof zijn stedelijke projecten ontwikkeld die de skyline van de Donaustad grondig hebben veranderd.

Nieuwe dimensies van architectuur: van Wagner tot Hollein en Krischanitz

De architectuur van deze stedelijke projecten laat zich volgens Ditmar Steiner, directeur van het Architectuurcentrum Wenen (AzW), het beste typeren als ontwikkelaarsarchitectuur. Wat bij deze architectuur telt, is in de eerste plaats ‘locatie, locatie en locatie’. De projecten worden gebouwd bij knooppunten van openbaar vervoer, maar dienen ook goed te zijn ontsloten voor het autoverkeer. Daarnaast komen ze tot stand op grond van een optimalisatie van het aantal vierkante meters, aangezien de ontwikkelaars in de regel een korte investeringstijd hanteren.

Wonen in de moderniteit

Rond 1900 werkten architecten als Otto Wagner, Adolf Loos en Joseph Frank aan de architectuur van de grootstad. Wenen ontwikkelde zich in deze tijd tot een metropool. In 1911 ontwierp Otto Wagner in het kader van zijn studie voor “Die Groszstadt” een nieuwe stadswijk voor 150.000 inwoners. Het plan ging uit van een orthogonaal stratenpatroon met een centrale hoofdas en gesloten woonbebouwing. Vijftig procent diende open ruimte te blijven, op de rest van het areaal waren 50.000 woningen gedacht evenals tal van stedelijke voorzieningen en diensten. Wenen kon in de ogen van Wagner uit een oneindig aantal van dergelijke wijken bestaan.

Otto Wagner_Dimensies van architectuur_HTI Otto Wagner, Steinhofkirche, Wenen

Enkele jaren daarvoor had Wagner beweerd dat het enige uitgangspunt voor het artistieke scheppen alleen het moderne leven kon zijn. De woningbouw in zijn plan voor de woonbuurt beantwoordt aan eenvoudige economische principes. De monotonie die een strak doorgevoerde rationalisering oplevert, wordt door Wagner niet als probleem gezien. Integendeel, “het moderne oog wil niets anders”. De voorzieningen en diensten daarentegen dienen in zijn opvatting als monumentale gebouwen te worden ontwikkeld.

“Alles is architectuur”

In 1968 verkondigde Hans Hollein (1934-2014) in het tijdschrift Bau (1968-1/2) dat alles architectuur is. Dit artikel vormde een manifest voor een nieuwe generatie architecten waarvan naast Hollein zelf, ook Walter Pichler, Coop Himmelblau en Haus-Rucker-Co deel uitmaakten. Hollein verklaarde al eerder weinig op te hebben met de naoorlogse functionele architectuur en wilde de architectuur bevrijden van het bouwen. Architectuur was voor Hollein c.s. een uitdrukking van zuivere, elementaire wil en sublieme doelloosheid.

Hollein, Dimensies van architectuur, blog Harm Tilman Hans Hollein, Haus Vienna

Hollein wilde het fysieke karakter van architectuur overstijgen en vond dat ze de (onzichtbare) technische omgeving diende te omarmen. “Architecten moeten niet meer in termen van gebouwen denken. Gebouwde en fysieke architectuur, bevrijd van de technische beperkingen uit het verleden, zal intensiever met zowel ruimtelijke als psychologische kwaliteiten gaan werken. (…) Architectuur van onze tijd moet zichzelf opnieuw definiëren en haar middelen verruimen. Tal van gebieden buiten het traditionele bouwen zullen het gebied van de architectuur binnendringen, zodat architectuur en ‘ architecten’ gedwongen zijn nieuwe gebieden te betreden. Allen zijn architecten. Alles is architectuur.”

Banale stedebouw

In beide gevallen is dus sprake van een bepaalde verhouding tussen stedebouw en architectuur. In de stedelijke projecten die nu rondom de stations van Wenen verrijzen, lijkt de band met stedebouw te zijn verbroken. De Weense criticus Reinhard Seiss noemt de stationsprojecten onomwonden exponenten van de meest banale vorm van stedebouw, uitzonderingen daargelaten zoals bijvoorbeeld het ‘ 21er Haus’ van Aldolf Krischanitz. Dit prachtgebouw kan echter niet verhullen dat in Wenen een overall stedebouwkundige visie lijkt te ontbreken. Ze verkeert hiermee overigens in goed gezelschap van een groot aantal andere Europese steden.

21er Haus van Aldolf Krischanitz

Steiner maakt zich hard voor de normale, midden-architecten die niet ijdel zijn, sober werk leveren en zich niet zien als kunstenaars die zichzelf met hun gebouwen willen realiseren en die zijn vergeten dat ze voor mensen bouwen. De spectaculaire icoonarchitectuur van de stedelijke projecten heeft zijn langste tijd gehad. “Veel interessanter is architectuur die je minstens twee keer moet bekijken, een architectuur waar je je mee bezighoudt en waar je van leert houden.” Ook denkt Steiner dat architecten antwoord dienen te vinden op eenvoudige vragen, bijvoorbeeld hoe plattegronden van woningen er tegenwoordig uit moeten zien.

Hoge urgentie

Daarmee tekent zich een interessante ontwikkeling af. Het huidige bouwen wordt opnieuw geconfronteerd met een zekere urgentie. Dit heeft niet alleen te maken met het feit dat in de steden betaalbare woningbouw een probleem is. Of dat de plattegronden nog altijd tot stand komen op basis van regelgeving die geheel is verouderd. Het heeft ook te maken met het feit dat de gebouwen zelf, als objecten, esthetische kracht en impact hebben die niet meer worden bepaald door ideeën of theorie, maar die werken met andere dimensies van de architectuur.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels