blog

Designkritiek, tijd voor (een) onderhoud

Architectuur

Is designkritiek ten dode opgeschreven of biedt het internet nieuwe kansen? Is er online meer dan blogs met ‘leuke plaatjes’ en stupide reacties en hoe leidt al die informatie op internet tot kritiek? Plus: hebben productontwerpers eigenlijk wel geld over voor een kritisch discours? Deze vragen legde ik voor aan drie collega-designpublicisten.

Designkritiek, tijd voor (een) onderhoud

Aanleiding voor deze blog is de prijsvraag voor beste architectuur- en designkritiek, het Pruys Bekaertprogramma. Aftrap daarvan was de Critics Night in Het Nieuwe Instituut afgelopen oktober, waar Designplatform Rotterdam en Archined vertelden hoe ze de ‘ontwerpschrijfkunst’ willen stimuleren en een dialoog tussen ontwerper, criticus en ‘het grote publiek’ willen aanjagen. Ik was een van de sprekers.

In de expertmeeting daaraan voorafgaand was vastgesteld dat door de digitalisering van mediagebruik het traditionele journalistieke model kritiek niet meer kan financiëren en faciliteren. Een blad als Items bestaat niet meer. Mensen nemen op internet de rol van merken over, zeker in sociale media. Nu informatie vooral digitaal wordt geconsumeerd, en het liefst gratis, ontstaat de vraag of architectuur- en designkritiek op dit medium wel kan bestaan. Ook vervaagt de scheidslijn tussen schrijver en lezer doordat iedereen op internet gemakkelijk kan publiceren én reageren. Daarmee is de autoriteit van de criticus weggevallen en is kritiek meerstemmig geworden.

 
Edwin Gardner, ik, Levien Nordeman en moderator Lucas Verweij op Critics Night, 17 oktober in Het Nieuwe Instituut te Rotterdam.

Gewoon een gesprek

Dat dit geen slechte ontwikkeling hoeft te zijn, beschrijft mijn mede-Critics Night-deelnemer Edwin Gardner in zijn publicatie Een goed gesprek. Zonder de druk van een optreden (een auteur op een podium) voor een zaal (publiek), kan een informeel en geëngageerd gesprek ontstaan op gelijkwaardige basis, wat een nieuw, kritisch discours zou kunnen zijn.

Er is (nog) geen digitaal medium voor gevonden, maar ik besloot ermee te experimenteren en enkele collega-designpublicisten te bellen om met hen te praten over de toekomst van designkritiek: Marianne van Dodewaard, freelancer voor onder andere NRC en Eigen Huis Interieur, Renske Schriemer van Designpress, freelancer voor de kranten van Wegener NDC en lifestylebladen als Résidence en DesignTop100, en Timo de Rijk, hoogleraar Design, Cultures Society aan de Universiteit Leiden en TU Delft. Jeroen Junte van de Volkskrant en Gabrielle Kennedy van Design.nl kreeg ik helaas niet op tijd te pakken.

Veel collega’s en ontwerpers klagen over de teloorgang van de papieren media als podium voor designkritiek, maar was dat nou wel zo ideaal?

Timo: Vroeger was natuurlijk alles beter. Er mag nu misschien amper designkritiek zijn, maar dat is er al jaren niet meer. NRC Lux is een uiting van de lifestyle-industrie. Dat geeft niks, maar dat soort bijlages en woonbladen wekken voor velen de indruk dat er heel veel over design wordt geschreven, maar het is geen kritisch discours.

Marianne: Je kunt je afvragen of de weekendbijlage van een dagblad wel het juiste medium is voor diepgravende designkritiek. Signaleren en informeren zijn in eerste instantie belangrijker elementen. Los daarvan, erger ik me er wel aan dat in het algemeen nogal kritiekloos van alles aan design uit de lucht wordt geplukt en geplaatst op blogs, sites en in bladen. Enige duiding is er vaak niet bij, het gaat vooral om het beeld. Ik vind het belangrijk om in publicaties over design begrijpelijke uitleg te geven over herkomst van ideeën of stromingen en werk- en denkwijze van ontwerpers. Maar uitputtende essays over conceptueel design bijvoorbeeld, zijn voor het grote publiek een stap te ver. De gemiddelde krantenlezer zal zich beter bediend voelen met publicaties over betaalbare en bereikbare producten. Neemt niet weg dat ik ook regelmatig over experimenteel werk schrijf.

Renske: De woonbijlages van de regionale kranten staan nog vol advertenties, dus daar is nog steeds plek voor mijn artikelen over design. En ik mag in alle vrijheid schrijven over wat ik zie dat er gebeurt. Ik zie wel dat de tarieven steeds verder naar beneden gaan.

Ik: De vakpers verkeert ook in zwaar weer, vanwege de ontwrichtende werking van internet op het verdienmodel, en vanwege de vele slachtoffers die de economische crisis maakt in de architecten- en designbranche.

Is designkritiek ergens anders naartoe verhuisd?

Timo: Volgens mij niet. In de boekwinkel interesseert me de kast met designboeken niet, want daar staan alleen pulpboeken als Interieurs in Berlijn en Hip hotels. Op internet vind je een stortvloed aan spullen en beelden, designporno. Daar is geen grammetje designkritiek bij. Curatoren doen het ook niet, want zij zijn te druk met museumbezoekers trekken. Tentoonstellingen doen hetzelfde als NRC Lux: concurreren op internationaal niveau in de toeristenindustrie.

 

Marianne: Het is geen designkritiek, maar er zijn wel goeie blogs en websites als Design.nl, al lees ik die lange lappen tekst niet altijd, Frame en Design-milk.com. Of This is paper, een mooie website en tijdschrift.

Renske: Alice Rawsthorn van de New York Times lees ik graag online, en in print volg ik Emilie Escher, Jeroen Junte, Bright en Jack Meijers van Eigen Huis Interieur.

Hoe leidt al die informatie op internet tot kritiek?

Renske: Je harkt alles bij elkaar uit de ongecoördineerde brij op internet en bezoekt events. Wat ik zie koppel ik aan zaken die ik in de mode signaleer of lees op de Economiepagina’s van de krant.

Marianne: Je sprokkelt inderdaad de hele dag door informatie. Meestal zoek ik niet, maar komt het bij mij terecht. Soms online, vaker via beurzen, exposities en designevenementen. Je ziet meer en je kan met ontwerpers praten, waardoor je hun werk beter kunt beoordelen en in een kader kan plaatsen. Hoe je kiest? Op gut feeling en ervaring. Je ziet zoveel, dat je ook snel kunt zien wat kwaliteit heeft en wat met kop en schouders boven de rest uitsteekt.

Renske: Mensen, momenten en ideeën komen in mijn hoofd samen. Ik zie het als mijn taak om al die dingen die gebeuren te vangen in woorden. Lezers zijn, zeker in deze tijd waar ze worden overspoeld door bergen met informatie, gebaat bij mensen die observeren en dingen aanraken. Kritiek kan in die zin een katalysator zijn: er gebeurt van alles, maar pas als dat is geformuleerd, start een nieuwe fase en is er een referentiepunt.

Ik: Eens. Tijdens Critics Night stelde mediatheorie-professor Eric Kluitenberg dat cureren de nieuwe kritiek is. Hij denkt dat de rol van de gids nodig is om de weg te wijzen en het discours te voeden door structuur aan te brengen. In de kunst hangt daar een verdienmodel onder, de kunstmarkt, maar dat is voor designkritiek nog niet gevonden. In multimediale apps als die de New York Times maakt, liggen daarvoor misschien kansen denkt Kluitenberg.

Gaat design op internet niet alleen maar om beeld?

Marianne: Veel blogs en bladen rangschikken meubels en accessoires op kleur of vorm, een vreselijk oppervlakkige benadering. Maar we doen het zelf, ook ík heb geen tijd om ergens voor te gaan zitten en het eens goed te lezen. We nemen minder tijd voor dieper graven. Ook ik hanteer visuele criteria bij het besluiten waar ik over ga lezen. We kunnen ach en wee roepen, maar de wereld verandert. Misschien krijgen we wat we verdienen?

Timo: We kunnen er ook gebruik van maken. Kies een intrigerend beeld en leg het uit.

Renske: We zullen het inderdaad met beelden moeten doen dan! Zonder goed beeld nemen media mijn verhalen niet af en worden ze online niet aangeklikt. Lastig, want als journalist ben je gewend te schrijven, maar misschien moet je meer in beelden kwijt. Voor mij persoonlijk is het best een worsteling.

Ik: Door bepaalde beelden te kiezen kun je ook een verhaal vertellen, via het zogenoemde ‘visual storytelling‘. Of misschien moeten we wel video’s maken, YouTube is met 7,1 miljoen gebruikers immers het tweede platform van Nederland.

Timo: Aan de andere kant is Dezeen, het blog dat ons overstelpt met beelden, nu gestart met opiniërende columns. De wal keert het schip.

 

Op sociale media is het debat over design en architectuur springlevend. Professionals en ‘gewone mensen’ roeren zich tegenwoordig over allerlei zaken, van de Fairphone tot icoongebouwen als De Rotterdam.

Marianne: Het debat is zeker niet dood. Kijk maar naar de discussies die ontstonden na het optreden van Studio Job in De Wereld Draait Door, over het ‘Holocaust-hek’. Of het debat dat Timo ontketende over de Mine Kafon van Design Academy-student Massoud Hassani, dat riep hevige reacties op.

Ik: En het leuke was dat dit debat op allerlei plekken plaatsvond, op Timo’s Facebookpagina, op Design.nl, op Archined en op de website van Massoud zelf…

Timo: Het versplintert inderdaad. En zo kunnen discussies leven waar je geen weet van hebt. Daar had de krant vroeger een functie in. Om een mening te laten functioneren, moest het op een centrale plek te vinden zijn.

Ik: Nu moet je er meer moeite voor doen. Doorklikken en wéér doorklikken. Misschien moeten designmedia zonder angst voor traffic naar de concurrentie al die links bij elkaar brengen op één plek?

Timo: Ach, geklaag daarover komt voort uit angst om iets te missen. Vroeger moest je ook kiezen uit debatten en niets was erger dan dat je bij het verkeerde debat was geweest.

 Ontwerper Massoud Hassani met zijn Mine Kafon.

Is designkritiek dan niet dood?

Renske: Zeker niet, maar ik maak me wel zorgen. Het geschreven woord verkeert in een vette crisis. Ik weet niet precies wat de nieuwe oplossing is, maar ik wil wel iets doen voordat ik als onafhankelijke professional wordt weggevaagd.

Timo: Blijkbaar doen we iets niet goed, ook niet als designhistorici. Laatst waren we met 200 designhistorici bij elkaar en we kunnen onszelf best de schuld geven. Ik zie het als mijn taak de designgeschiedenis zó te presenteren dat er iets te halen valt. Want als er iets te halen valt, vinden geïnteresseerden het echt wel.

Kan de designgemeenschap kritiek niet zelf financiëren? Tijdens Critics Night suggereerde Michelle Provoost dat we een crowdfunded model à la De Correspondent kunnen opzetten voor de vakgemeenschap?

Renske: Momenteel denken ontwerpers nauwelijks na over het nieuwe mediagebruik en dat is niet bemoedigend. Als ze zich eens zouden buigen over hoe je op nieuwe manieren om kan gaan met informatieverstrekking in plaats van zich alleen te bemoeien met producten en gebouwen, dat zou interessant zijn. Waar blijven de eerste, verkennende vragen hierover op de eindexamenexposities van de DAE? Informatieconsumptie is een van de grote vraagstukken van deze tijd.

Marianne: Doet Het Nieuwe Instituut dit niet al?
Ik: Het Pruys-Bekaertprogramma is een goede stap in de richting.

Timo: Als voorzitter van de BNO vroegen de leden mij of de organisatie Items niet kon redden. Ik zei: de BNO, dat zijn jullie. Als jullie voor Items willen betalen, neem dan een abonnement. Dat is niet gelukt, dus je kunt stellen dat de vakgemeenschap er zelf geen geld voor over heeft.
Renske: Tja, zonder publiek geen verhaal.

Hoe kun je designers wél interesseren voor kritiek?

Timo: Het academisch discours over design is volledig losgezongen van wat productontwerpers interessant vinden. Anders dan grafische of modeontwerpers vinden productontwerpers geschiedenis helemaal niet boeiend, of in ieder geval: dat denken ze en zijn er zeker niet op ingesteld. Productontwerpers zijn niet bezig met gisteren, maar met morgen. Waar ze wel over willen horen zijn de grotere maatschappelijke ontwikkelingen die ons gedrag en het gebruik van producten beïnvloeden. Ik vind dat designkritiek los moet komen van het object en van de aannames van ontwerpers.

Renske: Wil je nog iets voor het voetlicht krijgen, dan is een boek wellicht beter. Een boek komt los van de waan van de dag, het vangt een bepaald moment.

Timo: Ik schreef een vrij pittig stuk in het Dutch Design Yearbook van dit jaar, waarvan ik dacht ‘als ik curator was, zou ik hierop reageren’. Maar: helemaal niets over gehoord…

Ik: Op papier ontstaat het debat allang niet meer. En ook de boekenwereld ontsnapt niet aan de digitalisering van ons leesgedrag. Je kunt nu ook al boeken illegaal downloaden voor je e-reader… Dat stemt me treurig. Aan de andere kant kan iedereen zelf gemakkelijk een e-book maken.

Jongens, is het hopeloos?

Renske: Nee, net als alle informatie(verwerking) anno nu is ook de kritiek interactief, overal en ongoing. Het is er dus wel, maar niet meer (alleen) waar het was. Als het je interesseert, zul je dus mensen of media met meningen moeten gaan volgen. Dat lijkt vooralsnog de nieuwe route.

Timo: Ik zie juist heel veel kansen. Er zijn weinig mensen met gezag meer, maar dat is een kans voor mensen als jou en mij en mijn studenten. Je kunt wel iemand van gezag worden, als je je verdiept in een onderwerp en er lang over nadenkt. Kritiek is meer dan een mening hebben, het is goed beargumenteerd een situatie beoordelen en analyseren.

Marianne: Het is een verwarrende tijd, maar internet lonkt. Al weet ik nog niet hoe ik het daar moet aanpakken… Misschien ben ik te voorzichtig.

Renske: Mensen hebben nog altijd behoefte aan verhalen, maar die moeten op een andere manier worden verteld. En het is aan ons journalisten dat beter te doen. Ons vak verdwijnt niet, maar het zit nu in een diepe identiteitscrisis. En ik weet niet in welke vorm het weer boven komt drijven. Hoe vertel je een verhaal, dat is de vraag van nu. We moeten veranderen en dat is een strijd. En in een strijd vallen slachtoffers.

Timo: Print mag dan verdwijnen, voor alles wat verdwijnt komt iets nieuws in de plaats. Designcritici vechten niet hard genoeg voor hun métier. We hebben niets opgebouwd, gewoon uit laksheid en gemakzucht. Als je ziet hoeveel pagina’s er over literatuur, theater en popmuziek worden volgeschreven! Die genres hebben iets opgebouwd waar uiteindelijk ook commerciële waarde aan is komen te hangen. En als we eerst maar 300 woorden tot onze beschikking hebben, doe dan je best in die 300 woorden! Wees scherp! Je moet ambitie in dit vak neerleggen. Als je even een uurtje goed nadenkt, kun je ver komen hoor.

Reageren? Dat kan op Twitter naar @MaritOverbeek en op de Facebookpagina van de Architect.

Welke architectuur- of designcriticus lees jij graag? Nomineer diens werk voor de Geert Bekaert of de Simon Mari Pruysprijs. Inzenden kan nog tot 6 december. Kijk voor de voorwaarden op de website Ontwerpschrijfkunst.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels