blog

De vervloekte vorm

Architectuur

In een recent stuk van mijn oude docent Sierksma las ik zijn verzuchting dat postmoderne (lees: hedendaagse) architectuur vooral gaat over het uiterlijk; “over vormen en vormpjes”. Hoewel het ietwat generaliserend is, is het vaak nog waar ook. Zeker wanneer je bladert door architectuurblogs op internet en kijkt naar de huidige ‘Starchitects’. Als voorbeeld noemt Sierksma de “uitgepoepte keutel” in Beijing van Zaha Hadid. De nadruk op het uiterlijk leidt volgens hem tot het fenomeen ‘architectuurtoerisme’: “leken die reisjes maken en naar vormpjes kijken, veelal begeleid door zwetsers die zichzelf ‘architectuurtheoreticus’ noemen”.

De vervloekte vorm

De ‘zwetser’ bestaat zo lang als de kunstenaar. En waarschijnlijk even lang als de kunst van het kunst beschouwen. Veel mensen vinden iets `mooi´, ´krijgen er een warm gevoel bij´ of reageren verbaast met: ´een kind had het kunnen maken!´. Al deze uitspraken kunnen (tegelijk) waar en onwaar zijn, maar zijn weinig constructief. Want wat maakt dán goede kunst? Een vraag die ik mezelf regelmatig stel wanneer ik na stapels schetspapier nog geen idee heb hoe een architectonisch vraagstuk op te lossen. Soms zijn de ‘zwetser’ en architectuurtheoreticus lastig te onderscheiden.

Praten over praten over kunst

Gelukkig was er afgelopen november een lezing/discussie-avond in de Academie voor Beeldende Vorming (in Amsterdam) met als titel: ‘Praten over praten over kunst’. Professor Rob van Gerwen legde uit hoe kunst te beschouwen is door uit te gaan van het ‘culturele belang van kunst’, meer dan een persoonlijke beleving. De essentie is het vinden van een ‘collectieve, subjectieve perceptie’; zeg maar een deelbare zienswijze die (kwalitatief) terug te voeren is op het werk. Een eenvoudig voorbeeld is een playback-act waarbij de performer wel de woorden maar niet te emotionele lading weet te verbeelden.

Heftig

In zijn lezing eindigt Van Gerwen met een aantal recente voorbeelden van een complexere aard; waarbij de beschouwer onderdeel wordt van het werk. De beschouwer wordt in het werk voor een moreel dilemma gezet en geappelleerd in te grijpen. Een gruwelijk voorbeeld is het werk ‘You are what you read’ (Guillermo Vargas, 2007) waarbij een stervende zwerfhond is aangelijnd met een bak voer buiten zijn bereik. Het werk verbeeldt een duidelijke boodschap die zo heftig wordt ontvangen dat het wordt verwijderd. Ook de bezoekers bij de academie reageerden fel, de avond werd gestaakt.

Een zekere moraliteit

De mogelijkheden van deze ´implicatie-kunst’ zijn beperkt tot een vorm waar een mate van urgentie of provocatie is in te brengen. Als de zwerfhond van Guillermo eenmaal overleden is, is de kracht van het werk verloren. Schilderkunst is een meer statische vorm met een langere houdbaarheid dan de zwerfhond. Gebeurtenissen zoals de ´ingreep´ op het werk ´Who´s afraid of red, yellow and blue´ waarbij een beschouwer het schilderij bewerkte met een stanleymes, zijn incidenteel. De zaak werd als een actie van een ‘verwarde man’ afgedaan.

Het is echter de vraag waar de grens ligt tussen het wel of niet mogen ingrijpen in het kunstwerk ten behoeve van een zekere moraliteit. Hoe afschuwelijk moet iets zijn voordat je het kapot mag maken? Door het provocerend stellen van dit dilemma laait de discussie naar het normatieve op en ontstaat publieke bewustwording. Iets waar Guillermo zonder meer aan heeft bijgedragen.


Uitgepoepte keutel?

Confrontatie en provocatie

Ook in de architectuur zijn ‘confrontatie’ en ‘provocatie’ middelen met onderscheidend vermogen. Denk aan het (‘papieren’) werk van de oude Boullée en Wijdeveld, of van de hedendaagse architecten Soeters en Weeber. Plannen en gebouwen die bekend staan als absurd, brutaal en soms zelfs onfatsoenlijk – om zo een statement te maken. Veel van dit soort gebouwen blijven echter dichtbij de uitdrukking (in voorkomen) om de bruikbaarheid en comfort niet te schaden. Architectuur is nu eenmaal een toegepaste kunstvorm.

Minder voorbeelden zijn er dan ook te bedenken bij architectuur waar de beschouwer bewust een vervelende of zelfs onethische ervaring wordt opgedrongen. Ik denk aan bouwwerken zonder primaire gebruiksfunctie zoals (tijdelijke) paviljoens en monumenten. Het Holocaust monument in Berlijn (Eisenman, 1986) is zo’n voorbeeld waarbij de gebruiker wordt geïsoleerd en een onprettige ervaring wordt opgedrongen.

De stad als kunstwerk van belang

Soortgelijke bouwwerken in de stad zijn vergelijkbaar met het werk van Guillermo in de kunstgallerie van Nicaraguan. De stad als aaneenschakeling van gebouwen en buitenruimtes van indrukwekkende architectuur tot prutswerk wat ´een kind had kunnen maken´. Dit is meer dan een verzameling functionele plekken en ‘vormpjes’. Zo is de stad te beschouwen als een kunstwerk met hetzelfde ‘culturele belang’ als Van Gerwen oppert.

De ‘stadsgebruiker’ fungeert als beschouwer en is tegelijk onderdeel van het werk. Doordat dit nooit definitief en voltooid is, zal de discussie naar collectieve perceptie voortduren. Het is de uitdaging en de kunst van de architect ruimte te bieden aan deze manifestatie en de gebruiker daarop te attenderen. En daar kan best eens een zwerfhond van Guillermo of een keutel van Hadid voor opgeofferd worden.

Lees ook de blog van Rypke Sierksma

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels