blog

‘Er is moed nodig om op het publieke toneel te verschijnen.’ Het lijkt wel of de filosoof Hannah Arendt het in haar werk niet genoeg kan herhalen. Keer op keer benadrukt ze juist dat element: moed.

Moed

Moed? Ik kan me voorstellen dat u, met mij, zich afvraagt, waarom moed? Goed, wie pleinvrees heeft, die heeft moed nodig om naar buiten te gaan. Of wie überhaupt niet onder de mensen durft te komen, die heeft moed nodig om boodschappen te gaan doen. Maar verder?

O ja, natuurlijk. Moed is nodig om in Syrië de straat op te gaan. Of in Bagdad. Daar is de straat gevaarlijk. Boodschappen doen kan je leven kosten. Laat staan demonstreren, deelnemen aan de opstand, de revolutie. Maar in Nederland?

Voor Arendt is het publieke domein het toneel van grootse daden. Dat is natuurlijk iets anders dan boodschappen doen. Ze baseert haar ideeën op de polis, de Griekse stadsstaat. De grootse daden waar ze op doelt zijn niet zozeer gebaseerd op persoonlijke durf. Er is eigenlijk weinig persoonlijks aan. Wie participeert in het publieke domein wordt geacht het persoonlijke juist achter te laten.

Het persoonlijke achterlaten: het is precies op dit punt dat Arendt spreekt over ‘moed’. Wie het publieke domein betreedt, moet zich wijden aan het publieke, ook al gaat dat tegen de persoonlijke belangen in. Om in het publieke te participeren moesten de burgers van de polis dan ook ‘vrij zijn van’ alle noodzakelijkheden die bij het leven horen: de zorg om eten en drinken, geld en goed. Alleen wie vrij was van de alledaagse beslommeringen kon toegewijd zijn aan het publieke belang van de polis. Je moet vrij zijn van eigen belangen om er ook tegen te kunnen kiezen – of er zelfs tegen te pleiten. En dat is de grootse daad waar Arendt het over heeft als ze schrijft over moed.

In onze huidige democratie speelt die moed, deze ‘vrijheid tot’, geen enkele rol meer. Integendeel, politici doen er, zeker in verkiezingstijd, alles aan om ons ervan te overtuigen dat zij ons het beste vertegenwoordigen, voor onze belangen opkomen. Er is geen afzien van het eigen belang, er is eerder een drang ons eigen belang in het publieke aan de orde te stellen – om vervolgens diegene te kiezen die dit belang het beste beschermt. De overheid als beschermer van ons goed.

Nu is er in de welvaartsstaat waarin wij leven ook weinig wat echt ‘moed’ vraagt om het eigen belang te laten voor wat het is. Het Kunduz-akkoord was misschien zo’n momentje waarop politici minder het eigen belang voor ogen hadden, en meer het landsbelang – er werd in ieder geval te pas en te onpas gesproken over het ‘over de eigen schaduw heen springen’. Maar voor de burger? Sommige hebben ongetwijfeld de moed gehad te stemmen op een partij waarbij ze – als deze partij de macht zou hebben – er persoonlijk op achteruit gaan.

Maar er is in onze welvaartsstaat maar weinig wat echt conflict oproept. Of het moet het ongemak van religie zijn. Orthodox gelovigen hebben nu – of in de toekomst – wellicht ‘moed’ nodig om het geloof waar ze van overtuigd zijn, te blijven leven, ook al worden de tekenen daarvan – boerka’s, sluiers, jurken, rokken, keppeltjes – beschimpt of zelfs verboden. Zie Frankrijk, waar de extreemrechtse Marine Le Pen inmiddels pleit voor een  verbod dat veel verdergaat dan de huidige ban op de boerka. Ook sluiers en keppeltjes moeten er aan geloven.

De gemiddelde burger zal echter het publieke domein niet als ‘gevaarlijk’ beschouwen, en met mij verbaasd zijn over Arendt’s nadruk op de moed die nodig is het publieke te betreden. Dat is ook het beeld dat gepresenteerd wordt, bij elk stedenbouwkundig en architectonisch project. Elke fantastische rendering toont een gebouw, een straat, een plein bevolkt met mensen, gezellig wandelend en keuvelend. De romantiek! En wie in de stad rondkijkt ziet het ook gebeuren. Anders dan jaren geleden gaan ook wij, in dit klimaat, in onze vrije tijd naar buiten om te shoppen, te flaneren, of het café te bezoeken. We zijn graag onder de mensen – is dat niet ook waarom Richard Florida’s theorie van de creatieve stad zo aansprekend is?

De openbare ruimte past zich daarop aan: er is de afgelopen decennia flink geïnvesteerd in herinrichting van straten, pleinen en pleinen in de stad en in de buitenwijken. De gemiddelde grijze stoeptegel is vervangen door gebakken klinkers in allerlei kleuren, de grijze stoeprand door natuursteen. Wat een kwaliteit, wat een beeld! De ‘meditarisering’ van de Noord Europese stad, heeft de Belgische filosoof Lieven De Cauter het genoemd.

Er is nergens meer voor te vechten, het publieke domein is kalm, rustig, vredig. Of toch niet? In ieder geval weten we sinds project-X-Haren dat dit romantische beeld binnen enkele seconden kantelen, van gemoedelijk naar vijandig, angstaanjagend. Jongeren op zoek naar een ‘thrill’, spanning en sensatie. Als er niets meer is om voor te vechten, dan vechten we gewoon om niets. Ondanks de problemen rond voetbalwedstrijden en grootschalige feesten verwachten we dat toch niet, weten we er niet mee om te gaan, zo blijkt uit de nasleep. De vragen zijn legio: waarom geen alternatief feest georganiseerd? Waarom het dorp niet afgesloten? Waren er voldoende politieagenten op straat?

Deze vragen laten zien dat vandaag de dag het publieke domein geen angst meer in mag boezemen. Van de overheid overheid verwachten we inmiddels dat deze, koste wat het kost, onze belangen verdedigd, alle risico uit ons leven wegneemt. De vragen en verwijten staan op gespannen voet met het democratisch ideaal, het ideaal van het publieke domein: alleen in een politiestaat, in een totalitair regime heeft de overheid de macht de risico’s voor haar onderdanen uit te sluiten.

Ik zag in de krant een foto van een oude bewoner van Haren met zijn hond onder de hand staan discussiëren met de relschoppers. Dat is moedig, een glimp van publiek domein. Ik weet niet of ik die moed bezit.

  

 

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels