blog

Wellevendheid leidt tot halfslachtige Biënnale

Architectuur

Als het de bedoeling van deze Architectuurbiënnale was om de architectuur in Venetië voor eens en voor altijd te verlossen van het sterrendom, dan is dat te hoog gegrepen. De Biënnale is in inhoudelijk opzicht een veelkoppig monster. In de culturele economie is ze een sterk merk dat het zich niet kan permitteren om het format radicaal te wijzigen.

Wellevendheid leidt tot halfslachtige Biënnale

Tijdens de previews heb ik me voornamelijk onder Engels- en Duitstalige collega’s bewogen. Behalve veel grapjes over het Nederlandse paviljoen (‘Nederlandse architecten hebben de gordijnen dicht gedaan’ en ‘Als het een Meubelbiënnale was zou Nederland de hoofdprijs winnen, want het is tenslotte een mooi gordijn’) was de gedeelde opinie dat het Common Ground-thema zeer wellevend is benaderd.

Verstaanbare architectuur

Het thema heeft ervoor gezorgd dat een andere categorie architecten zich heeft kunnen presenteren. Werk van het bureau Knapkiewicz Fickert was bijvoorbeeld zowel in het centrale paviljoen van de Giardini, als het Arsenale en het Zwitsere paviljoen te zien. Het laatste paviljoen is door curator Miro Sik voorzien van collages met beelden van het werk van drie bureaus, die sterk herinneren aan de anologe stadsbeelden van Aldo Rossi. Het begeleidende boek met teksten van onder meer Hans Kollhoff, Vitorio Lampugnani, Adam Caruso en Sik bevat klagerige pleidooien voor een meer traditionele en verstaanbare architectuur.

Onontkoombaar

Met mijn Zwitserse vriend Lukas Imhoff had ik een lang gesprek over deze klaagzang. De klachten over de door sterren aangevoerde architectuurscène en de icoonarchitectuur leken ons overbekend en eenvoudig te weerleggen. Daarom is de tentoonstelling van Sik veel minder onontkoombaar dan het Teatro del Mondo van de eerder genoemde Aldo Rossi. De tegenbeweging die zich rondom Rossi manifesteerde had heldere doelen die door zijn drijvende theater dramatisch werden gesymboliseerd. Zijn Teatro plakte op het netvlies. Het zou voortaan gaan over de architectuur van de stad en de herinterpretatie van haar geschiedenis.

Middencomfort

Lukas vertelde over zijn boek dat bijna af is. Het is een vervolg op een reeks cahiers met de titel Middencomfort die bij de ETH Zürich zijn gepubliceerd. Het Middencomfort waar Lukas over schrijft, gaat niet uit van uiterste posities en een persoonlijkheidscultuur, maar van deelbare kwaliteiten van de moderne habitat. Het beroept zich op gedeelde maatschappelijke waarden en op historische continuïteit en stelt het moderne woongenot centraal.

Het Middencomfort kristalliseert zich volgens Lukas al hier en daar in de praktijk van uit. Dat komt op deze Biënnale aan de oppervlakte, maar om deze positie te versterken is een theoretische grondslag nodig. In zijn boek doet hij een poging om de geschiedenis van de stad en de woningproductie vanuit dit gezichtspunt te herschrijven. Daarbij zal de woningbouw van de vorige eeuw via diverse Reformbewegungen, de Europese tuinsteden, de stadsarchitectuur van Milaan, Le Havre en Kopenhagen worden gepresenteerd.

Werkbaar perspectief

Dit boek vind ik een moedige onderneming. Het belooft een brug te slaan tussen een scherpe ideologische stellingname, de geschiedenissen van de woningbouw en de analyse van het vak en de alledaagse woningbouwpraktijk. Wat mij prikkelt is dat Lukas niet in een klaagzang blijft hangen, maar juist een werkbaar perspectief schetst en dat van een retorische naam voorziet. Lukas’ boek heeft de potentie om radicaal te zijn.

De vraag is dan of zijn Middencomfort programma voorbij de vrijblijvendheid geraakt en of het een onontkoombare positie kan verwoorden. Dat vraagt meer dan wellevendheid: we moesten concluderen dat ‘Common Ground’ niet heeft geleid tot radicale gezichtspunten, zoals het paviljoen van Sik inderdaad onderstreept.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels